Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.3.2
3.3.2 Beperking van forum non conveniens
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431775:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De praktijk lijkt dit niet altijd evengoed door te hebben. Rb. Haarlem 9 maart 2004, NIPR 2004, 128, beslist dat haar in het nevenverzoek tot boedelverdeling en toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning rechtsmacht toekomt 'aangezien deze voorzieningen sterk verbonden zijn met de hoofdzaak en voldoende aanknopingspunten hebben met de Nederlandse rechtssfeer.' [curs., Fl]
D. Kokkini-Iatridou & K. Boele-Woelki, NIPR 1993, p. 333-337 en p. 362; P. Vlas, NIPR-Speciale aflevering 1994, p. 68; D. Kokkini-Iatridou & K. Boele-Woelki, WPNR (1994) 6121, p. 52-53; noot van Vlas onder HR 18 mei 2001, NJ 2002, 478; P. Vlas & F. Ibili, WPNR (2003) 6527, p. 316.
D. Kokkini-Iatridou & K. Boele-Woelki, NIPR 1993, p. 334. Zie par. 2.4.
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 30-31 (MvT).
D. Kokkini-Iatridou & K. Boele-Woelki, NIPR 1993, p. 362-363; P. Vlas, NIPR-Speciale aflevering 1994, p. 68. Meer uitgebreid par. 3.5.6-3.5.7.
Zie hoofdstuk 7.
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 31 (MvT).
Advies omtrent de invloed van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Brussel 11-verordening) op art. 1.1.4. ontwerp Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 's-Gravenhage 14 mei 2001.
Kamerstukken II 2000/01, 27 824, nr. 3, p. 21 (MvT). Niet juist is de suggestie van de wetgever dat ook voor het nevenverzoek betreffende de echtelijke woning in art. 4 lid 3 sub a Rv een forum non conveniens-regel is opgenomen. Zie par. 3.6.2. Tot de inwerkingtreding van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming op 1 mei 2006 (Wet van 16 februari 2006, Stb. 2006, 123, KB van 2 april 2006, Stb. 2006, 193) was ook in art. 5 Rv, handelend over zelfstandige zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid, een forum non conveniens-regel te vinden. Zie hoofdstuk 4 (i.h.b. par. 4.3.1).
Bij het opstellen van de commune rechtsmachtregeling heeft de wetgever voor de niet eenvoudige vraag gestaan of, en zo ja in welke mate, de algemene forum non conveniens-regel uit art. 429c Rv oud voor verzoekschriftprocedures gehandhaafd moest worden. Uiteindelijk is ervoor gekozen om het forum non conveniens niet als algemene regel terug te laten keren in de nieuwe regeling. Hiermee is na een staat van dienst van ruim dertig jaar een einde gekomen aan de toepassing van de algemene forum non conveniens-regel in verzoekschriftprocedures.1 In de literatuur is hierop kritisch gereageerd.2 Het vervallen van de algemene forum non conveniens-regel is zelfs het belangrijkste en tevens het meest ongelukkige novum van de nieuwe regeling genoemd. Het zou deel uitmaken van een 'georkestreerd plan' waarvan de eerste aanzet al was gegeven in 1993, toen in art. 821 lid 5 Rv oud de toepassing van forum non conveniens voor voorlopige voorzieningen in het kader van echtscheidingen werd uitgesloten.3
De wetgever beargumenteert de afschaffing van de algemene forum non conveniens-regel in de Memorie van Toelichting als volgt.4 In de eerste plaats wordt aangevoerd dat de aanknopingspunten zoals die zijn vervat in de nieuwe rechtsmacht-regeling dermate substantieel zijn dat er geen behoefte meer is aan een apart algemeen forum non conveniens in verzoekschriftprocedures. In art. 3 sub a Rv heeft een versterking van de aanknopingsfactor plaatsgevonden. Niet langer wordt — naast de woonplaats — aangeknoopt bij het werkelijke verblijf van de verzoeker (art. 429c Rv oud), maar bij diens gewone verblijfplaats. Dit aanknopingspunt brengt meer een zekere duurzaamheid tot uiting. Dit argument heeft mijns inziens nauwelijks waarde, nu onder 'oud' procesrecht de gewone verblijfplaats van de verzoeker veel vaker tot toepassing van forum non conveniens aanleiding heeft gegeven dan de werkelijke verblijfplaats van de verzoeker. Bovendien kan een forum non conveniens-correctie ook nodig blijken in gevallen waarin de verzoeker in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. De woonplaats en gewone verblijfplaats vormen dan een te magere basis voor de rechtsmacht.5
In de tweede plaats wordt het argument ingebracht dat de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet langer wordt afgeleid uit de bepalingen van relatieve competentie. Aangezien art. 429c Rv oud in het oude systeem via de regel 'distributie bepaalt attributie' in verzoekschriftprocedures altijd leidde tot rechtsmacht, was een algemene forum non conveniens-correctie onmisbaar. Dit systeem is verlaten. Thans is voor de uitoefening van rechtsmacht het bestaan van concrete in de wet genoemde aanknopingsfactoren vereist.6 Dit argument is iets overtuigender. Anders dan onder `oud' procesrecht kan de situatie dat de Nederlandse rechter bevoegd is ter zake van een verzoekschrift dat op geen enkele manier met Nederland is verbonden, zich na 1 januari 2002 niet voordoen.7 In dit opzicht is een algemene forum non conveniensregel overbodig. Echter, onder 'oud' procesrecht werd forum non conveniens niet alleen gebruikt om de meer subsidiaire bevoegdheid van de Haagse rechter in te perken, maar ook om rechtsmacht te corrigeren die was gebaseerd op de woonplaats van de verzoeker in Nederland. Nu de woonplaats van de verzoeker als rechtsmacht-basis in art. 3 sub a Rv is gehandhaafd, kan een forum non conveniens-correctie toch nodig blijken.
In de derde plaats wordt door de wetgever gewezen op het ontbreken van een forum non conveniens-bepaling in het Nederlandse commune recht voor dagvaardingsprocedures. Het valt niet goed in te zien waarom in dit opzicht een principieel onderscheid moet blijven bestaan tussen dagvaardingsprocedures en verzoekschriftprocedures, aldus de Toelichting. Verder wij st de wetgever erop dat een forum non conveniens ontbreekt in het EEX- en het EVEX-Verdrag, terwijl deze verdragen ook van toepassing kunnen zijn in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid (bijvoorbeeld alimentatiezaken).8 Ten slotte zou een algemene forum non conveniens-regeling ontbreken in het procesrecht van de ons omringende landen.9 Voor de inzichtelijkheid en de praktische hanteerbaarheid van het systeem zou het aldus de voorkeur verdienen om onnodige verschillen te vermijden. Hierbij lijkt de wetgever uit het oog te verliezen dat verzoekschriftprocedures doorgaans betrekking hebben op het personen- en familierecht, terwijl dagvaardingsprocedures en procedures die onder het EEX- en EVEXVerdrag vallen vermogensrechtelijk van aard zijn.
Op grond van deze niet geheel overtuigende argumentatie heeft de wetgever gemeend dat er voor verzoekschriftprocedures in de nieuwe rechtsmachtregeling geen behoefte bestaat aan een algemeen forum non conveniens. Desondanks heeft de wetgever het, mede naar aanleiding van kritiek in de literatuur en van het advies van de Staatscommissie IPR,10 toch wenselijk geacht om het forum non conveniens te handhaven voor één bijzonder geval.11 Ingevolge art. 4 lid 3 sub b Rv verklaart de Nederlandse rechter die bevoegd is ter zake van de echtscheiding, zich in het nevenverzoek tot gezag en omgang betreffende kinderen onbevoegd, 'indien hij zich, wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen.'