Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.7
3.7 Extra gronden voor rechtsmacht; art. 6 Rv
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430531:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 8 september 2005, Stb. 2005, 455. KB van 29 september 2005, Stb. 2005, 484.
Zie bijv. Hof Arnhem 14 september 2004, NJF 2005, 4; Rb. Rotterdam 13 juli 2005, IVIPR 2006, 61; Rb. Rotterdam 10 mei 2006, LJN AX2190.
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 35 (MvT).
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 35 (MvT). In het kader van art. 5 sub 1 EEX-Verdrag is dit vaste rechtspraak sinds HvJ EG 6 oktober 1976, zaak 12/76, Jur. 1976, p. 1473, NJ 1977, 169 (Tessili/Dunlop). Volgens Strikwerda (2004), nr. 110, ligt het niet voor de hand dat bij de uitleg van het begrip 'verbintenissen uit overeenkomst' in art. 6 sub a Rv aansluiting wordt gezocht bij de ruime uitleg die het HvJ EG heeft gegeven aan hetzelfde begrip uit art. 5 EEX-Verdrag. Aldus ook Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, art. 6 Rv, aant. 5.
Zie Kamerstukken 12004/05, 28 863, C, p. 4-5 (Voorlopig verslag), voor mogelijke problemen bij de verstrekking van diensten.
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 35 (MvT).
Kamerstukken II 2002/03, 28 863, nr. 3. p. 1 (MvT).
Zie bijv. Rb. Arnhem 1 december 2004, NIPR 2005, 161; Rb. Rotterdam 13 juli 2005, NIPR 2006, 61; Rb. 's-Gravenhage 31 augustus 2005, NIPR 2006, 56.
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 36 (MvT). Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, art. 6 Rv, aant. 9.
Hierover: F. Ibifi, 'Onrechtmatige intemetpublicaties in het IPR', WPNR (2004) 6575, p. 300-305. Zie bijv. Rb. Utrecht 27 februari 2003, NIPR 2003, 103; Rb. Arnhem 1 juli 2003, LJN AH8935; Vzngr. Rb. Utrecht 31 juli 2003, NIPR 2003, 273; Rb. Zutphen 9 februari 2004, N/PR 2004, 142.
Zie Vlas (2002), nr. 235. Vgl. de noot van Vlas onder HR 2 maart 2001, NJ 2003, 240.
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 37 (MvT).
In art. 2 en 3 Rv zijn de hoofdregels neergelegd voor de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter in dagvaardingsprocedures resp. verzoekschriftprocedures. Art. 6 Rv biedt extra gronden voor de rechtsmacht, onverschillig of de procedure wordt ingeleid bij dagvaarding of bij verzoekschrift. Art. 6 Rv komt alleen aan bod, indien de zaak buiten het formele en/of materiële toepassingsgebied van verdragen en EG-verordeningen (in het bijzonder de EEX-Verordening) valt, en geen rechtsmacht volgt uit art. 2 of 3 Rv. Een aantal onderdelen van art. 6 Rv is ontleend aan bevoegdheidsbepalingen uit het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening. Bij het opstellen van art. 6 Rv heeft de wetgever zich oorspronkelijk laten inspireren door het EEX-Verdrag. Op dat moment kon nog geen rekening worden gehouden met de EEX-Verordening. Op 15 oktober 2005 zijn de onderdelen van art. 6 Rv die ontleend waren aan het EEXVerdrag, aangepast aan de EEX-Verordening.1 Bij de uitleg van art. 6 Rv zal rekening kunnen worden gehouden met de rechtspraak van het HvJ EG over het EEXVerdrag en de EEX-Verordening. Er zij aan herinnerd dat de Nederlandse rechter die bevoegd is op grond van art. 6 Rv, zich niet forum non conveniens mag verklaren ten gunste van de gerechten in een andere staat. Het beginsel van rechtszekerheid verzet zich ertegen dat de Nederlandse rechter de rechtsmacht die hem door de wet wordt opgedragen niet uitoefent.
Ingevolge art. 6 sub a Rv is de Nederlandse rechter bevoegd in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.2 Volgens de wetgever bestaat (te meer) behoefte aan deze rechtsmachtgrond omdat de woonplaats van de eiser als basis voor de rechtsmacht, het forum actoris van art. 126 lid 3 Rv oud, is komen te vervallen.3 Daarmee hangt samen dat art. 6 sub a Rv tot de rechtsmacht van de rechter van de woonplaats van de eiser leidt, wanneer de litigieuze verbintenis in Nederland is of moet worden uitgevoerd. De vraag of de litigieuze verbintenis in Nederland is of moet worden uitgevoerd, hangt bij gebreke van een afspraak over de plaats van uitvoering af van de lex causae.4 Het forum contractus van art. 6 sub a Rv, oorspronkelijk ontleend aan art. 5 sub 1 EEX-Verdrag, is in overeenstemming gebracht met het gewijzigde art. 5 sub 1 EEX-Vo. Art. 6a Rv geeft een autonome definitie van de plaats van uitvoering voor de koop en verkoop van roerende zaken en voor de verstrekking van diensten.5 Helaas zijn hiermee de vragen van uitleg die zich onder art. 5 sub 1 EEX-Vo voordoen het Nederlandse commune recht binnengehaald.
Met betrekking tot individuele arbeidsovereenkomsten of agentuurovereenkomsten heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien de arbeid gewoonlijk in Nederland wordt verricht of laatstelijk gewoonlijk in Nederland werd verricht (art. 6 sub b Rv).6 Kwesties omtrent CAO's vallen buiten het toepassingsgebied van het artikel. `Gewoonlijk' moet worden uitgelegd als `hoofdzakelijk', aldus de Memorie van Toelichting.7 De wetgever heeft ervan afgezien om art. 6 sub b Rv aan te passen aan art. 19-20 EEX-Vo, omdat het wenselijk is het forum laboris ook voor verzoeken van de werkgever te behouden in gevallen die niet bestreken worden door de EEXVerordening.8Art. 6 sub c geeft een speciale regeling voor individuele arbeidsovereenkomsten, waarbij de arbeid tijdelijk in Nederland wordt verricht en het geschil bepaalde aldaar genoemde arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden betreft.
In geval van overeenkomsten gesloten met consumenten bestaat op basis van art. 6 sub d Rv rechtsmacht indien de consument in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, en de verkoper aldaar commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op Nederland en de overeenkomst onder die activiteiten valt. Laatstgenoemde beperking is opgenomen om zoveel mogelijk te voorkomen dat deze bevoegdheidsgrond in het buitenland als exorbitant wordt beschouwd. In de EEX-Verordening ontbreekt een dergelijke beperking (vgl. 15-17). Anders dan art. 13 lid 3 sub a EEX-Verdrag vereist art. 6 sub d Rv niet dat de sluiting ook in Nederland voorafgegaan moet zijn door een bijzonder aanbod of reclame. De bescherming die consumenten toekomt heeft de wetgever achterwege gelaten voor verzekeringnemers (vgl. art. 8-14 EEX-Vo). Art. 6 sub a Rv biedt eventueel uitkomst voor de verzekeringnemer.
Art. 6 sub e Rv ziet op verbintenissen uit onrechtmatige daad en is ontleend aan art. 5 sub 3 EEX-Vo. Het verklaart de Nederlandse rechter bevoegd, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen.9 Moet voor de uitleg van dit onderdeel, met name bij het uiteenvallen van Handlungsort en Erfolgsort, de rechtspraak van het HvJ EG in acht worden genomen? De Memorie van Toelichting merkt op dat de rechter daarin vrij is, maar dat het 'voor de hand (ligt) dat de uitleg van het Hof daarbij een belangrijk richtsnoer zal zijn' .10Art. 6 sub e kan ook als grond voor de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter worden gebruikt voor de steeds vaker voorkomende onrechtmatige daden gepleegd via het internet.11
Volgens art. 6 sub f Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende zakelijke rechten op, alsmede huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende zaken, indien de onroerende zaken in Nederland zijn gelegen (vgl. art. 22 sub 1 EEX-Vo). Gedacht kan worden aan een geschil tussen in het buitenland woonachtige erfgenamen over de verdeling van een in Nederland gelegen onroerende zaak, dat behoort tot een in het buitenland opengevallen nalatenschap. In een dergelijk geval kan art. 6 sub g Rv niet als basis voor rechtsmacht dienen, omdat daarin voor nalatenschappen de Nederlandse rechter bevoegd is verklaard, indien de erflater zijn laatste woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland had (vgl. art. 126 lid 12 Rv oud).12
Voor bepaalde vennootschaps- en rechtspersonenrechtelijke kwesties heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien de vennootschap of rechtspersoon in Nederland is gevestigd (art. 6 sub h Rv). De redactie van dit artikelonderdeel is ruimer dan die van art. 16 sub 2 EEX-Verdrag resp. art. 22 lid 1 EEX-Vo en omvat ook geschillen met betrekking tot de rechtsgevolgen van besluiten van vennootschappen en rechtspersonen of hun organen dan wel geschillen inzake de rechten en verplichtingen van de leden of vennoten als zodanig.13 Voor een voorbeeld waarin art. 6 sub h Rv kan worden toegepast, kan worden gedacht aan een vordering tot nakoming van lidmaatschapsverplichtingen ingesteld door een in Nederland statutair gevestigde vereniging tegen een buiten het EEX-territoir woonachtig lid.
Art. 6 sub i Rv verklaart de Nederlandse rechter bevoegd in zaken betreffende faillissement, surséance van betaling of schuldsaneringsregeling natuurlijke personen indien het faillissement, de surséance van betaling of de toepassing van de schuldsaneringsregeling in Nederland is uitgesproken of verleend. Art. 6 sub i Rv regelt de commune rechtsmacht in procedures die nauw samenhangen met of voortvloeien uit een faillissement. Gedacht kan worden aan een faillissementspauliana of een vordering van de curator tot nakoming van een overeenkomst, indien verweerders in het buitenland wonen.14 De vraag naar de rechtsmacht van de rechter om een insolventieprocedure te openen, wordt bepaald door de EG-Insolventieverordening of daarbuiten via art. 10 Rv door art. 2 Fw.