Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.4.8
IV.3.4.8 F) ‘De ernstig verwijt-maatstaf moet worden gehandhaafd als aansprakelijkheidsdrempel voor bestuurders’
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460427:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pham 2017b; Karapetian 2019, p. 40; Borrius 2011, p. 113. Ook Kroeze wijst de onduidelijkheid met betrekking tot de ernstig verwijt-maatstaf juist aan als één van de oorzaken van bange bestuurders. Kroeze 2005, par. 8.3.
Deze formulering werd gebruikt in Assink 2010b, par. 5.3. Zie wat ik hieromtrent schrijf in par. IV.3.6.5.
Kritisch over de hoedanigheidstoets vanwege gebrek aan scherpte, zie o.a. Tjittes 2017, p. 374-375; Karapetian 2019, par. 2.4; Verstijlen 2015, p. 333-334. Zie voorts hierboven onder par. IV.2.8.4.
Westenbroek 2019, par. 4 en 5; Tjittes 2017; Verstijlen 2015, p. 333; Karapetian 2019, p. 47 en 59. Zie ook wat ik hierover schrijf in par. IV.2.9, IV.3.6.5 en IV.4.4.2.
HR 11 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0360 (concl. A-G Koopmans), NJ 1993/165, m.nt. Brunner & Corstens (Staat en Van Hilten), zie met name de opmerking van AG Koopmans in haar conclusie onder nr. 11.
Aldus ook Karapetian 2019, p. 41.
Hiervoor heb ik betoogd dat kan worden betwijfeld of het verhogen van de aansprakelijkheidsdrempel kan voorkomen dat bestuurders uit angst voor aansprakelijkheid risicomijdend handelen. Maar stel dat – om welke reden dan ook – het toch geboden zou zijn om bestuurders aanvullend te beschermen tegen persoonlijke aansprakelijkheid, dan ligt het nog steeds niet in de rede om de ernstig verwijt-doctrine te handhaven.
In de literatuur is er meermaals op gewezen dat bestuurders hechten aan normen die duidelijk zijn.1 Als dat waar is, dan moet de ernstig verwijt-doctrine een doorn in het oog van bestuurders zijn. De inhoud van de maatstaf is ‘notoir onduidelijk’,2 en ook over het toepassingsbereik ervan bestaat de nodige verwarring.3 Met andere auteurs meen ik dat de rechtszekerheid en de behoefte van bestuurders aan een duidelijk toetsingskader belangrijke argumenten vormen voor het loslaten van de ‘ernstig verwijt’-doctrine.4 Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan? De beoogde bescherming van bestuurders kan ook op een andere, overzichtelijkere en dogmatisch zuiverdere manier worden bereikt.
Zoals eerder opgemerkt en zoals ik hierna in paragraaf IV.4.4 nader uitwerk, bieden de ‘gewone’ vereisten van de onrechtmatige daad reeds de ruimte om voor ieder situatie een aansprakelijkheidsdrempel op maat te vinden. Het leerstuk is ruim, maar zeker niet vaag. Ieder vereiste van de onrechtmatige daad heeft een duidelijke functie en de vereisten kennen een preciezere invulling al naar gelang de situatie. Het is mij dan ook onduidelijk waarom voor ieder gevalstype en bij iedere beroepsbeoefenaar – van arts tot advocaat, van officier van justitie5 tot curator, en vele andere partijen van wie het onwenselijk is als ze defensief handelen6 – de beoordeling van de persoonlijke aansprakelijkheid wél kan verlopen via de gewone regels van de onrechtmatige daad, maar bij bestuurders niet. Voor het verhogen van een aansprakelijkheidsdrempel, indien al gewenst, is de ernstig verwijt-maatstaf niet nodig.
Ook de laatste aanname is dus ongefundeerd: het bange bestuurders-argument biedt geen steun voor het handhaven van de ernstig verwijt-doctrine.