De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/2.1:2.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369028:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bovengenoemde ontwikkelingen vormen aanleiding tot een kritische beschouwing van de nieuwe verjaringsregeling. Is de nieuwe regeling inderdaad vatbaar voor kritiek en zo ja, hoe luidt die kritiek dan precies?
Het was denkbaar geweest in het kader van dit proefschrift met de evaluatie van de verjaringsregeling te volstaan, maar dat leek toch niet bevredigend: zelfs als men zou vinden dat het bevrijdende verjaringsrecht fundamenteel moet worden herzien — wat ik overigens, om het maar meteen te zeggen, niet vind, hoewel ik tekortkomingen zal signaleren — dan is die suggestie in geen geval van vandaag op morgen door de wetgever overgenomen en gerealiseerd. Het huidige recht is voor de praktijkjurist voor onbepaalde tijd een voldongen feit. Die constatering, in combinatie met het grote aantal vragen dat onder praktijkjuristen over de bevrijdende verjaring heerst, geeft aanleiding dit boek niet te beperken tot evaluatie van de nieuwe verjaringsregeling, maar evenzeer aandacht te besteden aan de vraag hoe de nieuwe verjaringsregeling moet worden uitgelegd. Een substantieel deel van dit boek is daarom gewijd aan de uitleg van het nieuwe verjaringsrecht.
Er is ook verjaringsrecht dat niet valt binnen het terrein dat ik hiervoor als 'het nieuwe verjaringsrecht' (de art. 3:306 — 3:326 BW) heb aangeduid. Denk bijvoorbeeld aan het verjaringsregime van de WAM (art. 10 WAM) en de verjaring in het verzekeringsrecht (art. 7:942 BW), het arbeidsrecht en het vervoerrecht. Ik heb dat 'overige verjaringsrecht' niet helemaal onbesproken willen laten; verjaring bij de WAM en verjaring in het verzekeringsrecht komen in dit boek ook aan de orde. De reden voor die keuze is dat die gebieden voor de praktijk van bijzonder belang lijken te zijn en het bovendien in academisch opzicht boeiende kwesties betreft. Daarmee wil overigens niet gezegd zijn dat dit voor andere verjaringsgebieden in het geheel niet zou gelden; bij de gekozen onderwerpen leek eenvoudig een grotere 'verdieping' mogelijk.
Tot slot zijn er verjaringskwesties die niet zozeer enige positiefrechtelijk regel betreffen, maar een wat meer abstract, dogmatisch karakter dragen. Het betreft (i) de vraag naar de verhouding tussen rechtsverwerking en verjaring en (ii) de vraag naar de verhouding tussen vervaltermijnen en verjaring. Zij worden besproken omdat het klassieke kwesties betreft en, met name, omdat ik meende nog nader aan het debat te kunnen bijdragen. Omdat ik die kans niet zag bij een even klassiek onderwerp als bijvoorbeeld 'het rechtsgevolg van de verjaring', heb ik dat buiten beschouwing gelaten.
In de volgende paragrafen ga ik wat nader in op wat in dit boek over deze onderwerpen zal worden gezegd, te beginnen met het eerste.