De kosten van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/6.4.6.6:6.4.6.6 Meervoudige financiering of medewerking van een procespartij
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/6.4.6.6
6.4.6.6 Meervoudige financiering of medewerking van een procespartij
Documentgegevens:
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652207:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. OK 28 juni 2019 (r.o. 3.4; 3.10-3.11), JOR 2019/221, m.nt. C.J. Scholten (Hello Amsterdam).
OK 7 juli 2010 (r.o. 3.12), ARO 2010/116 (Meepo).
OK 15 december 2011 (r.o. 4.7), JOR 2012/77, m.nt. J.F. Ouwehand (Landis).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een door de financier te stellen mogelijke financieringsvoorwaarde is verder meervoudige financiering. Daaronder versta ik de situatie waarin de financier slechts wenst over te gaan tot financiering als ook een andere procespartij meefinanciert. Uit de jurisprudentie zijn mij hiervan geen voorbeelden bekend, maar denkbaar is bijvoorbeeld dat een 50%-aandeelhouder slechts wil overgaan tot financiering als ook de andere 50%-aandeelhouder meefinanciert, of een bestuurder slechts zijn rekening-courantschulden aan de rechtspersoon wil aflossen als ook de andere bestuurder zijn rekening-courantschulden aflost.1 Geen ruimte zie ik voor de voorwaarde van verplichte medefinanciering door een andere procespartij, anders dan de geënquêteerde rechtspersoon, omdat ik in beginsel geen ruimte zie voor verplichte financiering van de kosten van de enquêteprocedure door een ander dan de rechtspersoon (par. 6.4.3). Wel kan een andere procespartij vrijwillig meefinancieren.
De financier kan medewerking van een andere procespartij ook als financieringsvoorwaarde stellen. Zo had een financier zich in Meepo bereid verklaard de kosten van een aanvullend onderzoek te financieren, waartoe het volgens hem noodzakelijk was dat de van de zijde van de enquêteverzoeker gelegde beslagen op vermogensbestanddelen van de financier zouden worden opgeheven. De advocaat van de enquêteverzoeker zegde ter zitting toe de ten laste van de financier gelegde beslagen voor dat doel en tot het bedrag van het door de onderzoekers te vragen voorschot op te (doen) heffen.2 De enquêteverzoeker maakte financiering door de financier hier dus mede mogelijk.
In Landis waren de curatoren bereid tot financiering van de kosten van het onderzoek, ter hoogte van € 45.000. De curatoren maakten daartoe afspraken met enquêteverzoeker VEB, die eerder een beperkt voorschot ter beschikking stelde aan de onderzoeker. Uit de beschikking van de Ondernemingskamer volgt dat de bereidheid van de curatoren om de kosten van het onderzoek als boedelschuld te financieren verband houdt met afspraken tussen de curatoren en de VEB ‘die onder meer inhouden dat de curatoren alle informatie en stukken waarover zij beschikken ter beschikking stellen aan VEB en de onderzoekers, en dat de boedel 25% zal ontvangen van een aan VEB eventueel toe te wijzen schadevergoeding (naar de Ondernemingskamer begrijpt: ten laste van de voormalige bestuurders en/of commissarissen van Landis).’3 Hier maakte de enquêteverzoeker financiering door de curator dus mede mogelijk.