Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/2.2.2.1
2.2.2.1 Nadere blik op het EVRM
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619033:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Keulen & Knigge 2010, p. 68.
Zie daarover Jansen & Venema 2011, o.m. p. 149 e.v.
Zie bijv. Lawson 2000, p. 4-10.
Vande Lanotte & Haeck 2004, p. 13.
Citaat overgenomen uit HR 10 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2413, NJ 2009/167 m.nt. Schalken.
Zie Groenhuijsen & Knigge 2004, p. 11-12.
Groenhuijsen & Knigge 2004, p. 17.
Groenhuijsen & Knigge 2004, p. 18.
Zie bijv. EHRM 12 mei 2000, NJ 2002/180 m.nt. Schalken (Kahn v. Verenigd Koninkrijk).
Zie bijv. de vereisten uit art. 2 (verplichting recht op leven d.m.v. de wet te beschermen), art. 5 (wettelijke procedure detentie), art. 6 (bij de wet ingesteld gerecht), art. 7 (nulla poena).
Zie Vande Lanotte & Haeck 2004, p. 50. Keulen & Knigge 2010, p. 71, concluderen dat in het algemeen geldt dat ‘alleen het resultaat – de eerbiediging van de mensenrechten – telt en dat niet van belang is langs welke weg dat resultaat wordt bereikt’.
Zie daarover nader par. 7.3.
Hoewel daarmee de chronologische opbouw wat wordt verstoord, lijkt dit een goed punt om iets nader in te gaan op de betekenis van het EVRM en de rechtspraak van het EHRM voor het reageren op vormfouten. Hier wordt alleen op dit verdrag ingegaan, omdat het door de uitgebreide rechtspraak van het EHRM voor het hedendaagse Nederlandse strafproces de grootste praktische betekenis heeft1 en omdat in andere verdragen geen in het verband van dit onderzoek relevante aanvullende eisen worden gesteld.
Het EVRM is tot stand gebracht in reactie op de ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog. Het belang van gebondenheid van de overheid aan de verplichting tot het waarborgen van individuele grondrechten en van een krachtige bewaking daarvan door een onafhankelijke rechterlijke macht, stond de verdragsluitende landen toen scherp op het netvlies. Gebleken was hoezeer de overheid van een verondersteld beschaafd West-Europees land kon ontaarden en zich schuldig kon maken aan systematische grove inbreuken op de meest fundamentele mensenrechten. De rechterlijke macht had niet of nauwelijks tegenwicht geboden.2 Aan de totstandkoming van het EVRM lag de overtuiging ten grondslag dat individuele grondrechten voortaan veel krachtiger moesten worden gewaarborgd. In de eerste plaats is dat de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de verdragssluitende landen, maar voor de bewaking van de eerbiediging van grondrechten in individuele gevallen gaf het EVRM de onafhankelijke rechter een sleutelrol.3
Art. 1 EVRM legt elke verdragsstaat de verplichting op om iedereen die onder zijn rechtsmacht ressorteert de rechten en vrijheden te verzekeren uit de eerste titel van het Verdrag (art. 1-18).4 Als uitgangspunt geldt daarbij dat het aan de verdragsstaat is om te bepalen welke maatregelen noodzakelijk zijn om de verdragsrechten te verzekeren.5 Wel stellen het EVRM en de daarop gebaseerde rechtspraak van het EHRM eisen die de ruimte voor een nationale vormgeving van de verzekering van de verdragsrechten in meer of mindere mate aan banden leggen. In verschillende bepalingen wordt bijvoorbeeld de betrokkenheid van de onafhankelijke rechter geëist. Dan is de verdragsstaat dus niet vrij in de keuze van het orgaan dat is belast met het verzekeren van de eerbiediging van het desbetreffende verdragsrecht. Ook is in verschillende bepalingen de eis gesteld dat een inbreuk op een daarin neergelegd recht ‘in accordance with the law’ dient te zijn. Dat betekent volgens de rechtspraak van het EHRM dat voor het maken van een inbreuk een grondslag moet bestaan in het nationale recht, dat aan bepaalde kwaliteitseisen moet voldoen:
‘the law in question (…) should be accessible to the person concerned, who must moreover be able to foresee its consequences for him, and be compatible with the rule of law.’6
De door het EHRM gestelde eis van ‘accessibility’ houdt in dat burgers een adequate indicatie moeten kunnen krijgen van de in een bepaald geval toepasselijke rechtsregels.7 De eis van ‘foreseeability’ betekent dat burgers – al dan niet op grond van een professioneel advies – tot op zekere hoogte de consequenties van hun handelen moeten kunnen voorzien, zodat zij hun gedrag daarop kunnen afstemmen.8 Waar het gaat om (opsporings)bevoegdheden die diep ingrijpen in de privacy van de burger dienen de regels volgens het EHRM ‘particularly precise’ te zijn.9 Zo moet de regeling van geheime vormen van observatie bijvoorbeeld bescherming bieden tegen willekeurige inbreuken op de rechten die burgers onder art. 8 EVRM toekomen.10
Ook in andere opzichten stelt het EVRM ter verzekering van de verdragsrechten eisen aan de nationale wetgeving,11 maar vrijwel steeds wordt daarbij veel ruimte gelaten aan een nationaalrechtelijke concrete invulling. Dat uitgangspunt vertaalt zich ook in de rechtspraak van het EHRM. De verdragslanden mogen komen tot een eigen invulling, mits de verdragsrechten zo worden geïnterpreteerd en toegepast dat zij daadwerkelijk feitelijke betekenis hebben en effectief (‘practical and effective’) zijn.12
In de praktijk zijn binnen het strafproces voor het reageren op vormfouten in het voorbereidend onderzoek door de zittingsrechter vooral de art. 6 en 8 EVRM van belang. Dat betekent niet dat dit de enige EVRM-bepalingen zijn die het voorbereidend onderzoek normeren. Ook het verbod op marteling en onmenselijke vernederende behandeling van art. 3 EVRM geldt in het voorbereidend onderzoek, maar in de Nederlandse opsporingspraktijk worden de grenzen van die bepaling in het algemeen niet opgezocht, zodat zij in de Nederlandse jurisprudentie geen grote rol speelt. Ook art. 5 EVRM moet hier worden vermeld. Die bepaling speelt in het voorbereidend onderzoek een grote rol, maar niet voor de zittingsrechter. Het zijn vooral de RC en de raadkamer die veel te maken hebben met deze bepaling en de daaruit voorvloeiende regels met betrekking tot de voorlopige hechtenis. De zittingsrechter heeft in dit verband volgens de wet en de strikte rechtspraak van de Hoge Raad over het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, in beginsel geen toetsende taak.13 Vanwege de concentratie van dit onderzoek op de taak van de zittingsrechter wordt hier alleen ingegaan op de betekenis van de art. 6 en 8 EVRM en wordt kort stilgestaan bij art. 13 EVRM.