Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.4.2
12.4.2 Proces van bewijsvoering ten aanzien van perifere stellingen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940296:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 9.4.1.
Zie paragraaf 9.4.1.2 en paragraaf 9.4.19.
Dat bewijsvoeringsproces is sterk verweven met de bewijslastverdeling.
Zie ook Haas 2009, par. 30.6.1.
Zie paragraaf 9.4 (zie voor een overzicht paragraaf 9.4.19).
HR 28 november 2003, BNB 2004/79. Het Hof had in deze zaak ambtshalve geoordeeld dat de inspecteur niet aan de mededelingsplicht had voldaan en de boete om die reden vernietigd. Daarbij had het Hof zich bovendien uitsluitend gebaseerd op het beschikbare dossier (waarin geen mededeling was opgenomen).
Zie paragraaf 15.5.2.
Voor de perifere stellingen die in essentie het schuldverband betreffen (zoals het AVAS-verweer), geldt in beginsel hetzelfde als in de vorige paragraaf ten aanzien van de centrale stellingen is opgemerkt. Deze perifere stellingen worden immers geregeerd door de onschuldpresumptie.1 Voor de rechter geldt een ambtshalve toetsingsplicht. Deze perifere stellingen komen bij vergrijpboetes pas aan de orde als de inspecteur (‘beyond reasonable doubt’) heeft bewezen dat er opzet of grove schuld aanwezig is geweest en nemen dus de hoedanigheid van tegenbewijs aan. In mijn opvatting geldt voor verzuimboetes hetzelfde, omdat de inspecteur eerst het bewijs van het impliciete element ‘ten minste enige schuld’ moet leveren. Een beroep op AVAS vormt vervolgens tegenbewijs van die reeds ‘beyond reasonable doubt’ bewezen centrale stelling.2 In de opvatting van de Hoge Raad is de verwijtbaarheid bij verzuimboetes echter geen centrale stelling; het AVAS-verweer is in die opvatting een zuiver perifere stelling van de boeteling.
Met betrekking tot de zuiver perifere stellingen geldt het reguliere proces van bewijsvoering zoals dat ook in de sfeer van de heffing geldt.3 Daaruit vloeit voort dat ten aanzien van boeteverhogende respectievelijk boeteverlagende componenten dezelfde stappen worden gevolgd als ten aanzien van positieve respectievelijk negatieve heffingscomponenten in de sfeer van de heffing. De belastingplichtige moet dus bijvoorbeeld de gronden aandragen die ertoe kunnen leiden dat de boete geheel of gedeeltelijk moet vervallen.4 Partijen kunnen hierbij bovendien in beginsel volstaan met het enkel innemen van de perifere stelling, voorzien van een begin van bewijs. Pas na betwisting komt de daadwerkelijke bewijslast tot leven.
Bij sommige perifere stellingen heeft de rechter een ambtshalve toetsingsplicht of een zelfstandige onderzoeksplicht.5 Afgezien daarvan mag de rechter echter niet ambtshalve oordelen over zuiver perifere stellingen.6 Dan treedt hij buiten de rechtsstrijd.7