Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.4.3:12.4.3 Conclusies
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.4.3
12.4.3 Conclusies
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940481:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De start van het proces van bewijsvoering is bij de centrale stellingen vergelijkbaar met de situatie bij positieve heffingscomponenten: de inspecteur is steeds als eerste aan zet. De uitwerking verschilt echter op belangrijke onderdelen. De inhoudelijke vereisten van de mededelingsplicht brengen mee dat de inspecteur de door hem te bezigen bewijsmiddelen tamelijk definitief in beeld moet hebben op het moment dat hij de boete oplegt. Uit de mededelingsplicht volgt weliswaar niet dat het bewijs op dat moment ook al volledig moet zijn vergaard, maar de feitelijke grondslag van de beschuldiging moet dan wel worden medegedeeld, terwijl wezenlijke aanpassingen achteraf niet zijn toegestaan. Verder kan de inspecteur niet volstaan met het leveren van slechts een begin van bewijs van de centrale stellingen. De boeteling behoort immers altijd het voordeel van de twijfel te krijgen en de inspecteur moet de centrale stellingen ‘beyond reasonable doubt’ bewijzen.
In mijn opvatting wordt de boeteling vanwege de onschuldpresumptie geacht de centrale stellingen van de inspecteur reeds op voorhand te hebben weersproken. Het vermoeden van onschuld vormt een automatisch werkend schild tegen het innemen van de centrale stellingen door de inspecteur. De inspecteur zal daarom, ook zonder dat de boeteling de centrale stellingen gemotiveerd heeft betwist, meteen voldoende (overtuigend) bewijs moeten leveren van het begaan van het beboetbare feit. Bovendien zijn de meeste boetes vanwege de schakelbepaling automatisch in geschil. In het verlengde hiervan heeft de rechter in mijn opvatting een ambtshalve toetsingsplicht ten aanzien van de vraag of alle bestanddelen van het beboetbare feit zijn vervuld. Het is niet duidelijk of de Hoge Raad daar ook zo over denkt, maar zijn jurisprudentie biedt wel aanknopingspunten in die richting.
Voor de perifere stellingen die in essentie de schuldvraag betreffen (zoals het AVAS-verweer), geldt voor wat betreft de bewijsvoering in beginsel hetzelfde als voor de centrale stellingen. Deze perifere stellingen komen bij vergrijpboetes pas aan de orde als de inspecteur (‘beyond reasonable doubt’) heeft bewezen dat er opzet of grove schuld aanwezig is geweest en nemen dus de hoedanigheid van tegenbewijs aan. In mijn opvatting geldt voor verzuimboetes hetzelfde, omdat de inspecteur eerst het bewijs van het impliciete element ‘ten minste enige schuld’ moet leveren. In de opvatting van de Hoge Raad is de verwijtbaarheid bij verzuimboetes echter geen centrale stelling. Het AVAS-verweer is in die opvatting een zuiver perifere stelling van de boeteling.
Met betrekking tot de overige (zuiver) perifere stellingen gelden als uitgangspunt de normale regels uit de sfeer van de heffing. Ten aanzien van boeteverhogende respectievelijk boeteverlagende componenten worden dus dezelfde stappen gevolgd als ten aanzien van positieve respectievelijk negatieve heffingscomponenten in de sfeer van de heffing. Partijen kunnen daarbij in beginsel volstaan met het innemen van de perifere stelling, voorzien van een begin van bewijs. Pas na betwisting komt de daadwerkelijke bewijslast tot leven. Bij sommige perifere stellingen heeft de rechter een ambtshalve toetsingsplicht of een zelfstandige onderzoeksplicht.