Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.B.2
VII.B.2. De Belgische forfaitaire fiscale norm
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS404957:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tijdschrift voor notarissen 1952, p. 199.
VAN GRUNDERBEECK 1997, Erfenissen, schenkingen en testamenten, p. 228. Zij verwijst in het slot van noot 1 naar een uitspraak van Rb. Antwerpen van 17 juli 1847, B.J, 1849, 1321, waarin beslist werddat enkel op wat de 5% overschrijdt, successierechten verschuldigd zouden (moeten) zijn. Bij raadpleging van de Belgische literatuur blijkt overigens dat er nog veel 'leading' rechtspraak van meer dan 100 jaar geleden bestaat op het gebied van de testamentuitvoerder. Zie ook L. WEYTS, Notarieel fiscaal recht. Deel 2: De aangifte van nalatenschap, Antwerpen: Kluwer rechtswetenschappen 1997, p. 430 die het als volgt uitdrukt: 'Het is dan een legaat voor gans het bedrag.' Hij wijst voorts op het feit dat het plafond van 5% bij uitzondering mag worden opgetrokken, zo er zich bijzondere moeilijkheden voordoen die een hogere vergoeding verantwoorden.
Tijdschrift voor Notarissen 1952, p. 200.
HEDWIG DE SAEGER en BENEDICTE STROBBE, Erfenissen, schenkingen en testamenten, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen: Kluwer rechtswetenschappen 2004 (losbladig), nr. 218. Dit brengt mij voor de Nederlandse verhoudingen op de gedachte dat betaling van de executeur met onroerende zaken een verkrijging krachtens erfrecht oplevert en derhalve op grond van art. 3 lid 1 letter a WBR geen belastbaar feit oplevert.
HEDWIG DE SAEGER en BENEDICTE STROBBE, Erfenissen, schenkingen en testamenten, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen: Kluwer rechtswetenschappen 2004 (losbladig), nr. 218. Het uitvoeringsereloon van een authentiek, internationaal of mystiek testament is daarentegen voor de heffing van het successierecht wel als passief aftrekbaar, nr. 114. Art. 27 van de Belgische Successiewet bepaalt dat in beginsel voor de heffing als passief in aftrek mogen worden gebracht: de bij het overlijden bestaande schulden van de overledene en de begrafeniskosten. L. WEYTS, Notarieel fiscaal recht. Deel 2: De aangifte van nalatenschap, Antwerpen: Kluwer rechtswetenschappen 1997, p. 430: 'De som is evenwel nooit aftrekbaar als passief. Het is immers een schuld van de nalatenschap, die na overlijden ontstaat.' FRANK BUYSSENS, Erfrecht en testament, HEP (5), Brussel: De Boeck & Larcier 2005, p. 241: 'De aan de testamentuitvoerder toegekende vergoeding wordt inzake successierechten niet aangezien als aftrekbaar passief, omdat zij haar oorzaak vindt in feiten na overlijden.' Ik teken daarbijaan dat ook rechten die ontstaan na het overlijden verkrijgingen krachtens erfrecht kunnen zijn en alsnog een'schuld van de nalatenschap' kunnen opleveren.
VAN GRUNDERBEECK 1997, Erfenissen, schenkingen en testamenten, p. 224.
De Belgische fiscale aanpak van de beloning van de testamentuitvoerder is als volgt. Het arrest van het Beroepshof1 te Gent van 9 april 1952, dat in het civielrechtelijke gedeelte reeds aan de orde is geweest, laat zien dat de fiscale norm voor het aannemen van een vergoedingslegaat als beloning voor een testamentuitvoerder niet per definitie hoeft samen te vallen met de civielrechtelijke norm. Aan de testamentuitvoerder was een zodanig forfaitair bedrag gelegateerd dat het door de 'inspecteur der registratie en successie' erkend zou worden als vergoedingslegaat. De testamentuitvoerder had volgens het Hof inderdaad recht op dit bedrag, maar bepaalde dat, indien de vergoeding niettemin buiten verhouding met de te presteren diensten voorkomt, zij als een (zuiver) legaat moet worden beschouwd.
De Belgische belastingdienst gaat er voor de beoordeling van de vraag ofer sprake is van een met successierecht te belasten legaat, vanuit dat, indien de vergoeding meer bedraagt dan 5% van de waarde van de goederen waarover de testamentuitvoerder het beheer heeft, het volledige aan de testamentuitvoerder toegekende bedrag als een legaat wordt aangemerkt.2 Dit is opmerkelijk. In deze zou, bij overschrijding van het forfaitaire plafond, een splitsing in een reeel en een bovenmatige gedeelte meer voor de hand liggen. Het gaat overigens ook hier, net als in het Duitse recht, om 5% van de 'bruto-activa' van de nalatenschap, althans van de waarde van de goederen die de testamentuitvoerder moet beheren.3 Indien de testamentuitvoerder andere goederen dan geld uit de nalatenschap verkrijgt, dan worden deze goederen sowieso als legaat belast, wat de waarde ervan ook moge zijn.4
Kortom, in Belgie kan, doordat voor de heffing van successierechten gewerkt wordt met een forfaitaire regeling, de situatie zich voordoen dat er civielrechtelijk wel sprake is van een legaat en fiscaalrechtelijk niet. Dit zou -naast het forfaitaire karakter van deze fiscale benadering - ook verklaard kunnen worden door het feit dat in Belgie de fiscale lat met de 5% norm wel erg hoog gelegd wordt, ware het niet dat in de regel het beheer van de testamentuitvoerder zich slechts tot de 'roerende zaken' uitstrekt.
Voor de heffing van het Belgische successierecht mag de beloning aan de testamentuitvoerder niet als passiefpost in de heffing meegenomen worden: 'De vergoeding ontstaat immers pas na het openvallen van de nalatenschap en was niet aanwezig in de nalatenschap', is de gedachte.5
In Belgie gaat men er overigens vanuit dat indien de geldsom fiscaal als legaat gezien wordt, successierecht verschuldigd is in plaats van inkomstenbe-lasting.6