Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/6.5
6.5 Ontheffing van de geheimhoudingsplicht (art. 67 lid 3 AWR)
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS375250:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 19-21.
Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 19-21.
Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 19-21; zie ook P. Fortuin, Geheimhoudingsplicht Belastingdienst en verkorting beslistermijnen, NTFR Beschouwingen 2008/4.
Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 19-21.
Rb. ’s-Gravenhage, 13 april 2012, LJN:BW2236, met verwijzing naar Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 19-21.
Verlengd Convenant inzake de Samenwerking tussen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het ministerie van Financiën, dd 29 april 2015, kenmerk 752842.
Overzicht van verwerking van persoonsgegevens door de Belastingdienst, 24 mei 2018, p. 26.
Het betreft vier banken, te weten ABN AMRO Bank N.V., ING Bank N.V., De coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. en SNS Bank N.V., Convenant pilot commercieel vastgoed binnen de FEC-activiteit PPS, Stcrt. 2015, 4834.
Rapport van de Werkgroep Verkenning kaderwet gegevensuitwisseling, Kennis delen geeft kracht, naar een betere èn zorgvuldigere gegevensuitwisseling in samenwerkingsverbanden, Verkenning p. 8, 16-17, 33-34, 43; Kamerstukken II 2014/15, 32 761, nr. 79 (Kabinetsreactie op Verkenning kaderwet gegevensuitwisseling), p. 5
Slechts twee gronden kunnen hiervoor onder voorwaarden in aanmerking komen (art. 8, onder e en f Wbp) Beide leiden tevens tot het creëren van een recht voor de betrokkene van verzet tegen de gegevensverwerking. Artikel 8, onder e, houdt in dat de gegevensverwerking noodzakelijk moet zijn voor de goede vervulling van de publiekrechtelijke taak van de Belastingdienst als het verstrekkende bestuursorgaan. Artikel 8 lid f is niet geschikt voor meer dan incidenteel gebruik en brengt een zware motiveringsplicht voor de noodzakelijkheid van de gegevensverwerking met zich mee.
Het beleid hieromtrent is beperkt tot het – op diens verzoek – verstrekken van informatie aan belastingplichtige omtrent uitwisselen van informatie over grensoverschrijdende ruling, zie par. 24 onderdeel 5, Besluit fiscaal bestuursrecht, Stcrt. 2017, 28270.
De aard van de ontheffing tot bekendmaking
Als derde en laatste mogelijkheid om gegevens te verstrekken heeft de minister van Financiën de mogelijkheid om een incidentele ontheffing te geven van de geheimhoudingsplicht. Die beslissing is niet aan de Belastingdienst.1 Ook hier geldt dat het verstrekken van gegevens in overeenstemming moet zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.2
De bevoegdheid tot het verlenen van de ontheffing is niet ongelimiteerd. De staatssecretaris van Financiën geeft – vanuit de wetshistorie – duidelijk aan dat de ontheffingsbevoegdheid bedoeld is voor – slechts – drie situaties, te weten:
gegevensverstrekkingen aan belastingplichtigen zelf die niet zijn uitgezonderd van de geheimhoudingsplicht,
gegevensverstrekkingen die noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan dat nog niet is aangewezen in de ministeriële Regeling krachtens artikel 67 lid 2 AWR, en
in incidentele of onvoorziene gevallen waarin gegevensverstrekking gewenst is, bijvoorbeeld vanwege een groot maatschappelijk belang.3
En dit is dan ook limitatief. De bewindsman geeft aan dat er geen sprake is van een ruime, onbeperkte ontheffingsbepaling die ruimte laat voor verschillende uitleg.4
De noodzaak en belangenafweging van de incidentele ontheffing
De voorzieningenrechter van Rechtbank ’s-Gravenhage interpreteert de laatste twee situaties als volgt: bij 2) moet het gaan om het uitwisselen van gegevens tussen overheidsinstanties en bij 3) niet ‘ten behoeve van de voorbereiding van of onderzoek naar toekomstige wetgeving’.5 De rechter oordeelt: met de ontheffingsbepaling is ‘kennelijk niet bedoeld dat in incidentele gevallen met een ontheffing reeds uitvoering kan worden gegeven aan toekomstige wetgeving.’
Een voorbeeld van deze laatste categorie is de pilot met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ter voorkoming van misbruik, oneigenlijk gebruik en ondoelmatig gebruik van rijksmiddelen op de terreinen van de afdrachtsvermindering onderwijs uit de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) en van vastgoed.6
Een ander voorbeeld is de samenwerking tussen de Belastingdienst met de Autoriteit Financiële Markten,7 het Bureau Financieel Toezicht8 en de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants9 om ontoelaatbaar gedrag van accountants tegen te gaan. Er zijn evenwel geen signalen dat sprake is van een voorbereiding op wetgeving noch opname in de Uitv. reg. AWR. En dat terwijl de convenanten al vijf jaar bestaan. Of zou het hier gaan om incidentele gevallen met een groot maatschappelijk belang? Het afsluiten van een convenant voor incidentele zaken is dan wel opmerkelijk te noemen. Evenzo opmerkelijk is het feit dat het meldingsregister met het overzicht van verwerkingen persoonsgegevens Belastingdienst ook onder de AVG niets vermeldt over deze uitzondering op de geheimhouding. De Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants komt daarin in het geheel niet voor en het Bft alleen in het kader van de Opsporing.10 Het overzicht met verwerkingen persoonsgegevens is wat dat betreft niet volledig. De vraag kan worden gesteld welke afnemers er nog meer bestaan waarvan de Belastingdienst geen melding maakt.
In dit kader noem ik ook de gegevensverstrekking die bij wijze van uitzondering, en in het kader van een pilot, plaatsvindt vanuit het FEC met private partijen.11 Die gegevensuitwisseling valt niet binnen het FEC verband en kan – vanwege het ontbreken van een structurele ontheffing – alleen plaatsvinden met toepassing van de hierna te behandelen individuele ontheffing tot gegevensuitwisseling.12 Die moet echter beperkt te blijven tot incidentele gegevensverstrekking met de mogelijkheid tot verzet.13 Hier is sprake van een uitzondering door betrokkene in kennis te stellen en de mogelijkheid tot verzet te bieden. Wat dat betreft biedt de samenwerking met private partijen meer rechtsbescherming voor betrokkenen. Wat de geheimhoudingsplicht van de private partijen betreft is er echter geen duidelijkheid. Voor hen geldt immers niet de algemene geheimhoudingsplicht vanuit de Algemene wet bestuursrecht noch vanuit de AWR. Op hen is immers de Awb in zijn geheel niet van toepassing en is geen sprake meer van het verkrijgen van de gegevens in het kader van de belastingheffing. Ook de wijze waarop de gegevensverstrekking op termijn moet leiden tot een structurele wijze van gegevensverstrekking blijft onduidelijk. Dit is immers alleen mogelijk op basis van art. 67 lid 2 letter a of b en dan nog alleen voor bestuursorganen. Het verlenen van deze ontheffing kan alleen plaatsvinden door Onze Minister. In de uitvoerende sfeer is dat het ministerie van Financiën. Het ministerie verstrekt echter geen informatie hieromtrent: de aantallen en de interne procedure blijven binnen de muren van het ministerie.14
De vraag blijft wie de beslissing neemt en volgens welke regels? Ook hier is geen andere conclusie mogelijk: de omvang van het gebruik van de incidentele ontheffing is niet bekend noch de wijze waarop de belangenafweging plaatsvindt. Aan waarborgen, transparantie en rechtsbescherming ontbreekt het dan ook.