De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht
Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/6.1:6.1 Inleiding
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS382521:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A.M. Klingenberg, A. Logemann en S.A.J. Munneke, Geheimhouding als juridische kwaliteitseis van primaire besluitvorming. In: M. Herweijer, A.T. Marseille, F.M. Noordam, H.B. Winter (red.), Alles in één keer goed. Juridische kwaliteit van bestuurlijke besluitvorming, 2005, p. 178-179.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande hoofdstukken heb ik stilgestaan bij de taak van de Belastingdienst en de bevoegdheden om die uit te kunnen oefenen. Daaruit komt op hoofdlijnen naar voren dat de Belastingdienst een unieke taak (hoofdstuk 3) vervult die anders is dan die van de rijkstoezichthouders (hoofdstuk 4), hoewel de taakuitoefening kenmerken heeft van nalevingstoezicht. De dienst beschikt voor het uitoefenen van die taak over een uniek (verplichtingen) stelsel met bevoegdheden die daarop zijn afgestemd (hoofdstuk 5). Een uniek geheel dat van grote waarde is voor het stelsel van belastingheffing.
Binnen het rijksbrede toezicht neemt de Belastingdienst een positie in van waaruit hij andere toezichthouders gegevens verstrekt (par. 4.2.3). Bij het optreden als informant kunnen allerlei belangen in het geding zijn. Wanneer bestuursorganen elkaar onderling gegevens verstrekken, is er namelijk altijd collisie met het algemene belang van de geheimhoudingsverplichting. Ik noem private belangen (zoals de persoonlijke levenssfeer en bedrijfsgeheimen) en publieke belangen (de veiligheid van de staat), de bescherming van de bijzondere positie van bepaalde ambten (de onschendbaarheid Koning), de zorg voor een goede werking van het openbaar bestuur (de mogelijkheid van intern beraad), het geheim houden van een bepaalde werkwijze en het belang van inspectie, toezicht en controle door bestuursorganen.1
Voor het verstrekken van gegevens aan andere bestuursorganen komt de Belastingdienst in beginsel in conflict met het wettelijke verbod op verdere bekendmaking van gegevens dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet. Het is inherent aan de strekking van het verbod dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden de fiscale geheimhoudingsplicht kan worden opgeheven (par. 2.4.3.1). Er moet dan sprake zijn van een zwaarder wegend belang dan de geheimhoudingsplicht en (onderliggende) belangen. Het afwegen van die belangen is een fundamenteel beginsel voor het rechtvaardig optreden van de overheid (hoofdstuk twee).
In dit hoofdstuk belicht ik de belangenafweging in het proces van het delen van gegevens met andere bestuursorganen. Of om in fiscale terminologie te spreken, de zogenaamde bekendmaking door de Belastingdienst. Dit is mijn vijfde en laatste deelvraag.
Voor het beantwoorden van die vraag beschrijf ik in par. 6.2. hoe de geheimhouding zich verhoudt tot het verstrekken (het ‘bekendmaken’) van fiscale gegevens aan andere toezichthouders. Wie bepaalt wanneer de Belastingdienst toch bepaalde gegevens mag of moet verstrekken? Wie maakt die belangenafweging? Op welke wijze wordt vastgesteld dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden? Wat is het beleid? En op welke wijze is de Belastingdienst transparant over het verstrekken van gegevens? Vragen waar de Belastingdienst zich – hopelijk – al eerder over heeft gebogen.
Vervolgens schets ik de drie mogelijkheden voor ‘het bekendmaken’ van gegevens door de Belastingdienst aan bestuursorganen:
de wettelijke verplichting (art. 67 lid 2 letter a AWR) (par. 6.3),
de ministeriële regeling (art. 67 lid 2 letter b AWR juncto art. 43c. Uitv. reg. AWR) (par. 6.4) en
de ministeriële ontheffing (art. 67 lid 3 AWR) (par. 6.5).
De ontsluiting voor de fiscale gegevens. Visueel is de gegevensstroom als volgt weer te geven:
Figuur 18: Gegevensstroom vanuit Belastingdienst naar Toezichthouder
Ik focus mij op de aard van de bekendmaking, de verstrekkingsgronden en de plaats die de belangenafweging daarin heeft. In par. 6.6 ga ik in op drie actuele ontwikkelingen: de Privacy-impact Assessment, de Verordening op de privacy en de Kaderwet informatie-uitwisseling. Afsluitend beantwoord ik in par. 6.7 mijn laatste deelvraag. Die luidt: Wat is de plaats van de belangenafweging bij het delen van toezichtgegevens? Het beantwoorden van die vraag gaat de burgers en bedrijven daadwerkelijk aan: dat bepaalt immers de wijze waarop hun belangen worden gewogen bij het integreren van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht. Het antwoord op die vraag vormt het sluitstuk van de probleemstelling maar het begin van de maatschappelijke discussie over het rechtvaardig kunnen delen van gegevens.