Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.4.3
4.2.4.3 De implementatie van de Aandeelhoudersrichtlijn
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649955:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 30 juni 2010 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op het financieel toezicht ter uitvoering van richtlijn nr. 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen (PbEU L 184), Stb. 2010, 257.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 3 (MvT), p. 8.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 3 (MvT), p. 8.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 3 (MvT), p. 24.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 3 (MvT), p. 24.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 4 (Advies RvS), p. 2.
Kamerstukken II 2009/10, 31 058, nr. 11 (Verslag Wetgevingsoverleg), p. 43. Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 7 (Nota n.a.v. het Verslag), p. 11 waar de minister schrijft: “Uitgangspunt van de richtlijn is dat een correct voorgesteld en aangeleverd agendapunt moet worden opgenomen in de agenda. Dat verdraagt zich niet met de bestaande regeling, voor zover deze een toetsing aan het belang van de vennootschap voorop stelt.”
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 4 (Advies RvS), p. 2. De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht sprak zich in de consultatieronde eveneens uit voor behoud van de weigeringsgrond (Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht, Advies over Wetsvoorstel 31 746 tot implementatie van de Richtlijn aandeelhoudersrechten van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2007 (richtlijn nr 2007/36/EG, p. 5). De Commissie Vennootschapsrecht adviseerde juist de weigeringsgrond te schrappen.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 7 (Nota n.a.v. het Verslag), p. 5.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 7 (Nota n.a.v. het Verslag), p. 12.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 7 (Nota n.a.v. het Verslag), p. 12.
De Aandeelhoudersrichtlijn is op 1 juli 2010 in Nederland geïmplementeerd. In de Memorie van Toelichting op de implementatiewet1 wordt allereerst opgemerkt dat art. 6 lid 1 sub b Aandeelhoudersrichtlijn geen implementatie behoeft omdat het op grond van art. 2:117 lid 1 BW thans al mogelijk is om ontwerpbesluiten in te dienen over onderwerpen die op de agenda staan. Ten aanzien van onderwerpen die nog niet op de agenda staan is het reeds mogelijk om via art. 2:114a BW een ontwerpbesluit te agenderen.2 Van de in de tweede alinea van art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn gegeven mogelijkheid om het agenderingsrecht te beperken tot de jaarlijkse algemene vergadering wordt door Nederland geen gebruik gemaakt. Art. 2:114a BW geldt voor zowel de jaarlijkse algemene vergadering als buitengewone algemene vergaderingen, en de minister ziet geen reden om daar verandering in te brengen.3
De Aandeelhoudersrichtlijn schrijft als gezegd voor dat een onderwerp gemotiveerd moet worden, of voorzien moet zijn van een ontwerpbesluit. Art. 2:114a BW kent dat vereiste niet en dus wordt het artikel in overeenstemming gebracht met art. 6 lid 1 onder a Aandeelhoudersrichtlijn. Voortaan moet een onderwerp ofwel een ontwerpbesluit bevatten, ofwel voorzien zijn van een motivering (waarover verder par. 5.2.3). Voorts wordt de zwaarwichtig belang-weigeringsgrond uit art. 2:114a BW geschrapt. De Aandeelhoudersrichtlijn kent een dergelijke weigeringsgrond niet en dus zou handhaving van de weigeringsgrond in combinatie met het nieuwe motiveringsvereiste niet aansluiten bij de opzet van de richtlijn, aldus de minister.4 Op grond van de Aandeelhoudersrichtlijn bestaat slechts bij grote uitzondering een rechtvaardiging voor de weigering van een onderwerp. Als zo’n geval zich voordoet, kan worden getoetst aan de norm van art. 2:8 BW (waarover par. 6.3.2.4.b).5 Het schrappen van het zwaarwichtig belang als weigeringsgrond is tegen het advies van de RvS in. De RvS vindt het zwaarwichtig belang duidelijker omschreven en specifieker dan de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. De bestaande specifieke weigeringsgrond, die blijkens de wetsgeschiedenis beperkt moet worden opgevat, benadert het doel van de Aandeelhoudersrichtlijn (het versterken van aandeelhoudersrechten) beter dan de vagere grond van art. 2:8 BW. De RvS adviseert dan ook om het zwaarwichtig belang als weigeringsgrond te handhaven.6
Het verschil van inzicht tussen de minister en de RvS over of het zwaarwichtig belang als weigeringsgrond gehandhaafd moet worden, is mijns inziens terug te voeren op de onduidelijke toelichting die in 2004 op de weigeringsgrond is gegeven. Kort gezegd kunnen uit die toelichting twee interpretaties van de weigeringsgrond worden gehaald. Ofwel de weigeringsgrond moet restrictief (formeel) worden uitgelegd, ofwel de weigeringsgrond voorziet in de mogelijkheid van een inhoudelijke (materiële) toets (zie hierover verder par. 6.3.2.4.a). De RvS lijkt de eerstgenoemde visie aan te hangen, de minister de tweede. De redenering van de minister lijkt te zijn dat nu art. 6 lid 1 onder a Aandeelhoudersrichtlijn een syllogisme is (als een onderwerp voorzien is van een ontwerpbesluit of een motivering, dan wordt het op de agenda geplaatst), er geen ruimte is voor inhoudelijke toetsing van het agendapunt.7 De RvS ziet echter geen probleem omdat hij ervan uitgaat dat het zwaarwichtig belang niet voorziet in een inhoudelijke toets. De weigeringsgrond moet volgens de RvS beperkt worden opgevat.8
Als gezegd wordt bij de implementatie van de Aandeelhoudersrichtlijn het zwaarwichtig belang als weigeringsgrond geschrapt. Het nieuwe art. 2:114a BW luidt:
“1. Een onderwerp, waarvan de behandeling schriftelijk is verzocht door een of meer houders van aandelen die daartoe krachtens het volgende lid gerechtigd zijn, wordt opgenomen in de oproeping of op dezelfde wijze aangekondigd indien de vennootschap het met redenen omklede verzoek of een voorstel voor een besluit niet later dan op de zestigste dag voor die van de vergadering heeft ontvangen.
2. Om behandeling kan worden verzocht door een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen of, indien de aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is ten minste een waarde vertegenwoordigen van € 50 miljoen. Bij algemene maatregel van bestuur kan dit bedrag worden verhoogd of verlaagd in verband met de ontwikkeling van het loon- en prijspeil.
3. In de statuten kan het vereiste gedeelte van het kapitaal of de waarde van de aandelen lager worden gesteld en de termijn voor indiening van het verzoek worden verkort.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden met de houders van aandelen gelijkgesteld de houders van de certificaten van aandelen die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven.
5. Tenzij de statuten anders bepalen, wordt aan de eis van schriftelijkheid van het verzoek als bedoeld in lid 1 voldaan indien dit verzoek elektronisch is vastgelegd.”
In de Nota naar aanleiding van het Verslag legt de minister uit hoe de nieuwe agenderingsregeling voor kapitaalverschaffers werkt:
“Op grond van de nieuwe regeling moet een schriftelijk agenderingsverzoek, zolang aan het motiveringsvereiste is voldaan en de aandeelhouder een voldoende groot belang heeft in de vennootschap, in beginsel tot opname in de agenda leiden. Een aandeelhouder mag het agenderingsrecht echter niet misbruiken. Een aandeelhouder dient zich overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid te gedragen (artikel 2:8 BW).”9
De leden van de SP-fractie wijzen er in de vaste commissie van Justitie op dat het schrappen van het zwaarwichtig belang tot gevolg kan hebben dat de vennootschap slechts aangedragen onderwerpen mag weigeren die niet aan de formele vereisten voldoen. De leden van de SP-fractie vragen de minister daarom hoe moet worden omgegaan met een verzoek tot agendering van een onderwerp ten aanzien waarvan de algemene vergadering geen (besluitvormings)bevoegdheid bezit.10 De minister antwoordt dat de Aandeelhoudersrichtlijn geen verandering brengt in de onderwerpen ten aanzien waarvan de algemene vergadering besluiten kan nemen. En verder:
“Wanneer de aandeelhouder een onderwerp wil laten agenderen en het punt op de agenda wordt geplaatst, kan hierover een beraadslaging plaatsvinden. Wanneer de algemene vergadering echter geen bevoegdheid bezit om over het onderwerp te besluiten, zal de voorzitter het onderwerp niet in stemming brengen.”11
Onder de nieuwe regeling kunnen agenderingsgerechtigde aandeelhouders dus – net als onder de oude regeling – elk onderwerp in de agenda laten opnemen. Het doet niet ter zake of de algemene vergadering besluitvormingsbevoegd is. Dat de voorzitter van de algemene vergadering het onderwerp niet in stemming brengt als de algemene vergadering geen besluitvormingsbevoegdheid heeft, moet mijns inziens niet zo worden begrepen dat het punt wel (indien verzocht) ter stemming op de agenda staat, maar eerst ter vergadering duidelijk wordt dat de stemming niet plaatsvindt. Dat zou verwarrend zijn en tot problemen kunnen leiden. De zin moet zo worden begrepen dat als een onderwerp niet tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoort, het bestuur het onderwerp niet ter stemming in de agenda hoeft op te nemen. Als de algemene vergadering wel besluitvormingsbevoegdheid heeft, dient het onderwerp op verzoek in beginsel ter stemming in de agenda te worden opgenomen. Een verzocht onderwerp (ongeacht of het tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoort) kan slechts van de agenda worden gehouden als de redelijkheid en billijkheid zich tegen opname in de agenda verzetten, of als de gebruikmaking van het agenderingsrecht kwalificeert als misbruik van recht.