Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/8.1
8.1 Inleiding
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS451602:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Minister Donner stelde in 2009 dat de Eedswet van 1911 enkel geldt voor de gerechtelijke procedure. Zie Kamerstukken II 2011/12, 29 164, nr. 29, noot 1. Dit lijkt in tegenspraak met de heldere en algemene bewoordingen van de wet: ‘Hij, die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen …’. Ook De Vries betwijfelt de zienswijze van de minister. Zie De Vries, TvRRB 2012-1, p. 7.
Zonder uitputtend te willen zijn: de Koning (art. 32 Grondwet), de ministers en de staatssecretarissen (art. 49 Grondwet en art. 1 en 2 van de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal) het lid van de Staten Generaal (art. 60 Grondwet en art. 1 en 2 van de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal), rechterlijke ambtenaren (bijlage bij art. 5g Wet rechtspositie rechtelijke ambtenaren), leden van de Raad van State (art. 6 Wet op de Raad van State), leden van de gemeentelijke rekenkamer (art. 81g Gemeentewet), de advocaat (art. 3 lid 2 Advocatenwet), de notaris (art. 3 Wet op het notarisambt), het lid van de gedeputeerde staten (art. 40a Provinciewet), het staten-lid (art. 14 Provinciewet), de burgemeester (art. 65 Gemeentewet), de wethouder (art. 41a Gemeentewet), het raadslid (art. 14 Gemeentewet), ambtenaar van de burgerlijke stand (art. 1:16 BW), de rijksambtenaar (art. 125 quinquies lid 1 Ambtenarenwet, Formulier eed/belofte rijksambtenaren van 1998, art. 51, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement), de militair (art. 126a Algemeen militair ambtenarenreglement), de politieambtenaar (art. 9 Besluit algemene rechtspositie politie) en de gedecentraliseerde ambtenaar. Daarnaast gelden er nog eedsafleggingen voor de leerplichtambtenaar, inspecteur van de belasting, bestuur van een waterschap, Commissaris van de Koning(in), lid rekenkamer van de Provinciale Staten.
Elzinga 2004, p. 107.
In deze paragraaf behandel ik het begrip van godsdienst naar aanleiding van de uitleg van de aflegging van de eed of belofte. We komen een algemene bepaling over de eedsaflegging tegen in de Wet vorm en eed van 1911 en in de Eedswet van 1971. De eerste wet bevat de vorm waarin de eed of belofte wordt afgenomen.1 De tweede wet bepaalt dat wanneer een wettelijk voorschrift het afleggen van een eed verlangt, hieronder ook een belofte kan worden verstaan. Verder komen we bepalingen over de eedsaflegging tegen in verschillende wetten over specifieke onderwerpen. Ten eerste bepalingen met als doel te waarborgen dat een getuige of een deskundige in een straf- of burgerlijk proces of tijdens een parlementaire enquête de waarheid spreekt,2 ten tweede bepalingen met als doel te waarborgen dat een functionaris (bijvoorbeeld een ambtsdrager of ambtenaar) bij de aanvaarding van een functie die met enig openbaar gezag is bekleed zijn werk naar behoren zal doen.3
Ten aanzien van de laatste bepalingen wordt in de literatuur wel het onderscheid gemaakt tussen de ambtseed en de zuiveringseed.4 De ambtseed garandeert dat de functionaris zijn plichten getrouw nakomt en de wetten naleeft en de zuiveringseed dat de functionaris zijn functie geheel onafhankelijk zal uitvoeren doordat hij bijvoorbeeld zweert of belooft voor zijn benoeming geen giften of beloften te hebben gekregen en deze, eenmaal in functie, niet te zullen aannemen om iets te doen of nalaten. Het onderscheid tussen de ambtseed en de zuiveringseed is niet scherp. In de meeste bepalingen over de eedsaflegging zijn ze samengevoegd.
In 8.2 ga ik allereerst in op het onderscheid tussen de eed en de belofte om vervolgens in paragraaf 8.3 de vorm van de eed of belofte te bespreken. Paragraaf 8.4 gaat in op de uitzonderingen die de wet toestaat op vorm van de eed of belofte. Paragraaf 8.5 bevat een conclusie.