Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.3.3
5.2.3.3 Raakvlakken van het privaatrecht en het strafrecht
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946153:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Daarbij verdient opmerking dat punitive damages nog geen plaats hebben verworven in de Nederlandse rechtspleging, maar dat daarover in de literatuur wel wordt gediscussieerd. Zie bijvoorbeeld: Meurkens 2014, Giesen 2015 en Hartlief 2017.
De voorzieningenrechter gebood het openbaar ministerie om tijdig hoger beroep in te stellen, maar wees daarbij expliciet op de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om dat appel (na een nadere inhoudelijke afweging op juiste gronden) weer in te trekken. Een daaropvolgend kort geding van de aangeefster tegen de door het openbaar ministerie voorgenomen intrekking van het hoger beroep faalde. Zie: Rb. Den Haag 4 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6723 en Hof Den Haag 21 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1375.
Zie hierover meer uitgebreid: Frenk & Rodrigues 1994.
Cleiren 1995, p. 79-80.
Cleiren 1995, p. 89.
Wemes 1995, p. 67.
Zie paragraaf 2.1.2.1.
Wemes 1995, p. 76-78.
Leijten 1994, p. 63-64.
Leijten 1994, p. 63-64.
De groeiende rol van het slachtoffer in het strafproces, en hetgeen dit concreet betekent voor de regeling van klachtdelicten, komt in hoofdstuk 6 nader aan bod.
Groenhuijsen 2013, p. 612.
Zie hierover meer uitgebreid: Crijns 2010, p. 394-396 en 484-492.
In de voorgaande paragraaf zijn wezenlijke verschillen tussen het strafrecht en het privaatrecht geduid. Dit neemt niet weg dat dat deze rechtsgebieden ook raakvlakken hebben. Het is – met het oog op de vraag of de regeling van klachtdelicten de publiekrechtelijke aard van het strafrecht doorkruist – van belang ook daarop nader in te gaan.
Cleiren beschrijft dat (de inhoud van) het strafrecht en het privaatrecht – afhankelijk van het gekozen perspectief – op verschillende wijzen aan elkaar zijn te relateren. Zij signaleert ten eerste de mogelijkheid van wederzijdse beïnvloeding waarbij het strafrecht civielrechtelijke aspecten incorporeert en vice versa. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de transactie en de schadevergoedingsmaatregel. Ook de omvangrijkere plaats die het slachtoffer de laatste decennia toebedeeld kreeg in het Wetboek van Strafvordering, kan volgens Cleiren worden geduid als de strafrechtelijke verwerking van civielrechtelijke elementen. Zij stelt dat het privaatrecht zich omgekeerd ook door het strafrecht laat inspireren en wijst daarbij op boetebedingen en op punitive damages.1
Naast deze wederzijdse beïnvloeding acht Cleiren het mogelijk bepaalde ontwikkelingen te beschouwen als inmenging in elkaars rechtsgebied. Ter illustratie wijst zij onder meer op kort gedingen over strafrechtelijke aangelegenheden. Daarbij kan men denken aan een betrokkene die een procedure aanspant omdat hij ten onrechte is gegijzeld vanwege een verkeersboete die reeds is betaald. Een ander (uitzonderlijk) voorbeeld uit de rechtspraktijk betreft een kort geding dat was aangespannen door een aangeefster van een strafbaar feit, omdat zij meende in een strafzaak ten onrechte te zijn beperkt in de uitoefening van haar spreekrecht. De betrokkene eiste in kort geding dat het openbaar ministerie (tijdig) hoger beroep zou instellen, zodat het spreekrecht alsnog kon worden uitgeoefend. 2Nog verdergaande inmenging duidt Cleiren als transplantatie. Als voorbeeld wijst zij op een kort geding dat het openbaar ministerie in 1993 aanspande jegens een verdachte. In die zaak bood de bijzondere voorwaarde dat de betrokkene niet naar zijn oude adres zou terugkeren (ondanks een daaraan gekoppeld voorwaardelijk strafdeel) geen soelaas, waarna het openbaar ministerie via de civiele rechter een verhuisplicht en een straatverbod afdwong.3
Cleiren signaleert dat wederzijdse beïnvloeding van het strafrecht en het privaatrecht ook tot uiting komt bij rechtsvinding in de rechtspraktijk en zij wijst daarbij ter illustratie op de relativiteitsleer en het schutznorm-criterium. Dit oorspronkelijk civielrechtelijke gedachtegoed heeft inmiddels een eigen plaats verworven in de Nederlandse strafrechtspleging. Tot slot stelt Cleiren vast dat bij bestudering van de verhouding tussen het strafrecht en het privaatrecht – naast deze wederzijdse bewuste beïnvloeding, inmenging en transplantatie – ook vergelijkbare rechtsontwikkelingen waarneembaar zijn die niet zijn terug te voeren op expliciete keuzes van rechtsvormers.4 Deze bevindingen brengen Cleiren tot het vermoeden dat er veel meer overeenkomsten bestaan tussen de grondbeginselen van beide rechtsgebieden dan wetenschappers van de afzonderlijke deelgebieden lijken te beseffen, waarna zij concludeert:
“dat veel van de geschetste ontwikkelingen in beide rechtsgebieden zijn te herleiden tot opvattingen en beginselen die eigen zijn aan onze rechtscultuur als geheel, zonder onderscheid naar rechtsgebied.”5
Die beschrijving sluit nauw aan op de in paragraaf 2.2.5 beschreven idee van een gelaagde rechtsorde waarbij een algemeen deel bestaande uit rechtsbeginselen, -figuren, -begrippen en -regels voorafgaat aan het onderscheid tussen privaatrecht en publiekrecht.
Wemes heeft zich meer precies toegelegd op de beantwoording van de vraag of het privaatrecht van invloed is op de theorievorming omtrent de materieelrechtelijke grondslagen voor strafbaarheid en concludeert dat dit “overduidelijk en onmiskenbaar” het geval is. 6Wemes ziet een grote verwantschap tussen de dogmatische basisstructuren van het privaatrecht en het strafrecht en brengt deze in verband met de hiervoor reeds aan bod gekomen gemeenschappelijke oorsprong van die rechtsgebieden. 7Daaropvolgend stelt hij – met het oog op de civiele en strafrechtelijke aansprakelijkheidstelling – dat niet uit het oog mag worden verloren “dat er een niet weg te poetsen verschil bestaat in de rechtsbetrekkingen waarbinnen beide aansprakelijkheidsbegrippen functioneren”. Daarmee bedoelt Wemes dat zijns inziens in het strafrecht publieke normbekrachtiging centraal staat, terwijl een civiele aansprakelijkstelling primair is gericht op de schaderegeling. Volgens Wemes is de norm daarmee in het privaatrecht niet van ondergeschikt belang, maar is deze wel minder dominant dan in het strafrecht. Wemes ziet dus zowel de hiervoor beschreven verschillen als de raakvlakken tussen het privaatrecht en het strafrecht. Het door hem gesignaleerde fundamentele onderscheid tussen beide rechtsgebieden maakt dat hij zich niet onverdeeld positief toont ten aanzien van het door hem vastgestelde “ongegeneerde lonken naar het civiele recht”.8
Die stevige toenadering tussen beide rechtsgebieden is ook door anderen in de literatuur gesignaleerd. Leijten sprak in dit verband in 1994 de verwachting uit dat het strafrecht en het civiele recht langzaamaan weer meer naar elkaar toe zullen groeien.9 Leijten beschrijft dat het strafrecht van oorsprong een vergeldings- en vergoedingsrecht betrof, waarbinnen het slachtoffer een belangrijke rol speelde. Zoals eerder in dit hoofdstuk is verwoord, trok de overheid de uitvoering van het strafrecht later nadrukkelijk naar zich toe. De rol voor het slachtoffer binnen de procesvoering werd kleiner en er ontstond binnen het strafrecht meer ruimte voor onder meer de resocialisatie van de dader. Leijten voorspelde echter dat een tegengestelde beweging zou ontstaan waarbij het civiele recht en het strafrecht weer naar elkaar toegroeien en waarbij het slachtoffer (wederom) een meer centrale rol in de strafrechtspleging wordt toebedeeld. De vervolging van delicten tegen de veiligheid van de Staat enerzijds en de op financiële belangen geënte civiele processen tussen rechtspersonen anderzijds, zullen hun eigenheid volgens Leijten niet verliezen, maar hetgeen daar tussen in zit, zal volgens Leijten mettertijd “voor een deel gemeenschappelijk domein” worden. 10Niet alle voorspellingen van Leijten – zoals bijvoorbeeld de invoering van juryrechtspraak – zijn uitgekomen, maar het is ontegenzeggelijk zo dat het slachtoffer de laatste decennia een prominentere rol binnen de strafrechtspleging heeft gekregen. 11Meer recent stelde Groenhuijsen in 2013 aan de hand van een beschrijving van diverse ontwikkelingen die zien op de inbreng van slachtoffers en andere particulieren in de strafrechtspleging dat “we pas aan het begin staan van het verkennen van de grijze gebieden in de randen van het publiekrechtelijke strafrecht”.12
Ook Crijns besteedt aandacht aan de gesignaleerde toenadering tussen het civiele recht en het strafrecht. Hij stelt vast dat de rechtsgebieden over en weer – en vrij geleidelijk – kenmerken van elkaar zijn gaan overnemen. Crijns wijst daarbij op de voeging van de benadeelde partij, het gebruik van het kort geding en de ontwikkeling van schadevergoedingsverzoeken na onrechtmatig overheidshandelen. Hoewel Crijns beaamt dat voornoemde onderwerpen raken aan het grensvlak van privaatrecht en strafrecht, stipt hij tevens aan dat deze voorbeelden van convergentie niet zien op het daadwerkelijk gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden door de strafvorderlijke overheid ter verwezenlijking van strafvorderlijke doeleinden. Hij wijst erop dat veelal het handelen van de burger centraal staat waar het gaat om de toename van privaatrechtelijke elementen in de strafrechtspleging. Desondanks ziet Crijns geen aanleiding het streven naar eenheid van recht op voorhand te beperken tot de verhouding privaatrecht en bestuursrecht, omdat de door hem gegeven voorbeelden – evenals hetgeen in deze paragraaf aan bod is gekomen – duidelijk maken dat de convergentie van de klassieke rechtsdomeinen ook het strafrecht omvat.13