Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.5.2
13.5.2 Waardering
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232906:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor nader paragraaf 13.2.
Zie hiervoor paragrafen 13.4.1.6 (box 2), 13.4.2.5 (box 1) en 13.4.3.2 (box 3).
In paragraaf 11 is geconstateerd dat er kleine nuanceverschillen kunnen zijn in de interpretatie van de maatstaf waar onder meer artikel 21 SW als hoofdregel vanuit gaat: de waarde in het economische verkeer. Dergelijke nuanceverschillen spelen in mijn ogen in deze context geen rol: het gaat er hier om, om te bepalen wát er gewaardeerd wordt en niet om welke specifieke omstandigheden van het geval vervolgens bij die waardering een rol spelen.
Jurisprudentie inzake de waardering van certificaten voor de toepassing van de Successiewet betreft bijvoorbeeld hof ‘s-Hertogenbosch 27 juni 1975, PW 18434, Hoge Raad 19 mei 1976, PW 18480, hof Den Haag 22 mei 1985, FED 1986/1047, HR 3 april 1996, BNB 1996/181 en rechtbank Leeuwarden 22 oktober 2009, NTFR 2010/1501. Deze uitspraken betreffen echter met name de vraag in hoeverre als gevolg van het ontbreken van zeggenschap certificaten een lagere waarde zouden hebben dan de gecertificeerde aandelen, alsmede welke waarderingsmethode moet worden toegepast. De vraag of sprake is van economische eigendom en welke betekenis dit dan heeft, komt in genoemde uitspraken niet aan de orde (ook niet indirect, aangezien zeggenschap niet noodzakelijk is voor het zijn van economisch eigenaar (zie paragraaf 13.3.2), noch ben ik bekend met uitspraken waarin dit wel het geval is.
Zowel in algemene termen als in het kader van de inkomstenbelasting ben ik reeds ingegaan op de waardering van certificaten en meer in het bijzonder de vraag of certificering in fiscale context een waardedrukkend effect heeft. Heel algemeen gezegd zullen de beperkingen die voortvloeien uit de administratievoorwaarden doorgaans tot gevolg hebben, dat de prijs die een eventuele gegadigde voor de certificaten over zal hebben, lager is dan de prijs voor het gecertificeerde vermogen zelf.1 In de inkomstenbelasting komt dit verschil echter niet steeds tot uitdrukking in de fiscale waardering; indien de certificaathouder economisch eigenaar is van het gecertificeerde vermogen, wordt hij beschouwd als de fiscale eigenaar hiervan en knoopt de waardering naar mijn mening dus ook aan bij dit vermogen en niet bij de certificaten. Slechts indien de certificaathouder geen economisch eigenaar is, komt het certificaat in beeld als het te waarderen goed en kunnen uit de certificering voortvloeiende beperkingen tot uitdrukking komen in de waarde in het economische verkeer.2
Een vergelijkbare vraag kan in de context van de Successiewet gesteld worden: speelt economische eigendom een rol bij de heffing van schenk- en erfbelasting en, zo ja, is dit dan slechts voor het bepalen van het moment waarop de verkrijging plaatsvindt, of ook voor het waarderen van de verkrijging. Indien het laatste het geval is, brengt dit met zich dat ingeval van economische eigendom niet het certificaat, maar het gecertificeerde vermogen beschouwd moet worden als het verkregene en gewaardeerd dient te worden. Het gevolg hiervan is mijns inziens tweeledig; (i) net als bij de inkomstenbelasting spelen beperkingen die verbonden zijn aan de certificaten geen rol bij de waardering en (ii) indien een specifiek waarderingsvoorschrift van artikel 21 SW van toepassing is op het gecertificeerde vermogen, bijvoorbeeld omdat courante effecten gewaardeerd zijn, dient dit bij de verkrijging van de certificaten eveneens toegepast te worden.3
Dat het concept economische eigendom ook betekenis heeft in de context van de Successiewet volgt naar mijn mening uit het arrest HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3392, BNB 2008/203. Deze zaak betrof de verkoop door vader van zijn woning aan zijn zoon. Overeengekomen was dat levering en betaling van de koopsom werden uitgesteld tot zes maanden na het overlijden van vader. De waarde in het economische verkeer van de woning bedroeg ƒ 850.000, terwijl de overeengekomen koopsom slechts ƒ 150.000 was. De inspecteur heeft het verschil van ƒ 700.000 willen belasten op grond van artikel 10 SW. De Hoge Raad overweegt onder meer het volgende:
-3.2.3. In onderdeel 5.3 van zijn uitspraak heeft het Hof vastgesteld dat met de verkoop slechts werd beoogd dat de eigendom van de woning van erflater na diens overlijden zou worden overgedragen tegen het alsdan betalen van de koopsom. Deze vaststelling is in cassatie niet bestreden. Daarvan uitgaande heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat de juridische eigendom van de woning bleef behoren tot het vermogen van erflater, zodat in juridische zin geen sprake was van omzetting van die eigendom in een genotsrecht.
-3.2.4. In onderdeel 5.4 van zijn uitspraak heeft het Hof vastgesteld dat de verkoop niet tot gevolg had dat de lasten van het verkochte of het risico van tenietgaan daarvan reeds voor de levering voor rekening van belanghebbende zijn gekomen. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de woning ook in economische zin tot het vermogen van erflater bleef behoren. Ook die vaststelling is in cassatie niet bestreden. Daarvan uitgaande is ook in economische zin geen sprake van omzetting van eigendom in een genotsrecht, wat het Hof tot uitdrukking heeft gebracht met zijn overweging dat in economische zin geen aanleiding bestond voor een door erflater aan belanghebbende te betalen vergoeding voor de voortzetting van het woongenot, tussen verkoop en levering.
-3.2.5. Het hiervoor in 3.2.2 tot en met 3.2.4 overwogene leidt tot de slotsom dat 's Hofs hiervoor in 3.2.1 weergegeven oordeel juist is.
-3.2.6. Anders dan het middel betoogt, is 's Hofs oordeel niet onverenigbaar met de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot schuldigerkenningen zonder (feitelijke) rentebetaling tijdens erflaters leven (onder meer HR 17 juni 1959, nr. 14 000, BNB 1959/306). Immers, blijkens het hiervoor in 3.2.4 overwogene bestond in het onderhavige geval in economische zin geen aanleiding voor een vergoeding voor het voortgezet genot van de verkochte woning nu de erflater in zowel juridisch als economisch opzicht eigenaar bleef van de woning, terwijl in geval van een schuldigerkenning (onvoorwaardelijk en zonder opschortende tijdsbepaling) in economische zin wel aanleiding bestaat voor een vergoeding voor het voortgezet genot van het schuldig erkende. [onderstrepingen AEdL]
Uit deze overwegingen volgt naar mijn mening dat de Hoge Raad ook voor de toepassing van de Successiewet uitgaat van economische eigendom, aangezien naast de juridische positie ook getoetst wordt of in economische zin sprake is van de overdracht van vermogen onder voorbehoud van een genotsrecht. Daaruit volgt dat in ieder geval voor de beoordeling óf sprake is van een verkrijging de economische eigendom bepalend is.
Dit zegt echter nog niets over de maatstaf die aan de waardering ten grondslag wordt gelegd. Ik ben ook niet bekend met andere jurisprudentie, die wel expliciet dit punt adresseert. Enerzijds kan men overwegen dat de Successiewet een wet is die relatief sterk leunt op het civiele recht, dat uitgaat van de formele juridische situatie en niet van de economische belangen. Dit uitgangspunt impliceert dat de verkrijging van economische eigendom weliswaar ook een verkrijging in de zin van artikel 1 SW kan vormen, maar dat voor de waardering toch wordt aangeknoopt bij hetgeen in juridische zin verkregen wordt: het vorderingsrecht dat belichaamd is in het certificaat en niet de gecertificeerde goederen, ook al heeft men daar het volledige economische belang bij. Deze formeel-juridische benadering wordt echter mijns inziens weersproken door voornoemd arrest van de Hoge Raad, aangezien die benadering impliceert dat ook voor de beoordeling of sprake is van een verkrijging slechts de juridische situatie maatgevend is. Met de door de Hoge Raad gekozen benadering is eerder consistent om ook de economische positie in aanmerking te nemen. Voor een harde conclusie dat de economische eigenaar ook voor alle facetten van de Successiewet als fiscaal eigenaar wordt beschouwd zijn mijns inziens evenwel te weinig concrete aanwijzingen. Tot het moment dat de Hoge Raad zich hierover uitspreekt, dan wel een concrete regeling getroffen wordt door de wetgever, is dit derhalve niet duidelijk.4 Wel zou het naar mijn mening consistent zijn om ook voor de toepassing van de Successiewet in het geval van economische eigendom te kijken naar het gecertificeerde vermogen in plaats van het certificaat.
Bij certificaten die geen economische eigendom verschaffen speelt de voorgaande discussie mijns inziens niet en dient voor zowel het bepalen van de waarde, als bij het bepalen van de te hanteren waarderingsmaatstaf, slechts gekeken te worden naar het certificaat als zodanig.
In paragraaf 15.2 bespreek ik of de waardering van certificaten een knelpunt kan vormen. Voorts wordt in paragraaf 15.3.3 in gegaan op een mogelijkheid voor de certificaathouder voor het verhaal van de verschuldigde schenk- of erfbelasting op de STAK.