Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/28.6.1
28.6.1 Ontstaan
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS486081:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder andere HR 23 mei 1913,741; HR 29 april 1920, 563; HR 22 mei 1933, 1522 en voor verdere rechtspraak Smalbraak, 1980, p. 42; HR 12 februari 1999, NJ 2000,17 (WMK).
Smalbraak 1980, p. 42; Hof Arnhem 25 januari 1933, NJ 1933, 1258.
HR 15 september 2006, NJ 2006, 506; HR 23 mei 1913, NJ 1913, 741; HR 29 april 1920, NJ 1920, 563.
Zie onder andere Rb. Amsterdam 15 januari 1915, NJ 1915, 949; Hof Amsterdam 21 februari 1916, NJ 1916, 823.
Zie onder andere Hof Arnhem 6 juni 1917, NJ 1917,1138.
Smalbraak 1980, p. 42, Davids 1988, p. 96; vgl. HR 12 februari 1999, NJ 2000, 17.
In het BW (oud) was geen bepaling omtrent het ontstaan van een buurweg opgenomen. Ook in de hiervoor reeds aangehaalde oude bronnen blijkt niet op welke wijze een buurweg zou kunnen ontstaan. Aangenomen mag worden dat een buurweg kon ontstaan door bestemming door de eigenaar of eigenaren1 van een weg tot buurweg.
Dat wil zeggen bestemming tot gemeenschappelijk gebruik door de naburen.2 Een gedogen was niet voldoende.3
Vervolgens is dan de vraag of van deze bestemming naar buiten toe dient te blijken (objectieve leer4) of dat de enkele bestemming (subjectieve leer5), welke bestemming niet aan vormvereisten is gebonden, voldoende is. De gangbare opvatting is dat de enkele bestemming door de eigenaar/eigenaren tot buurweg voldoende is. Naar buiten toe hoeft hiervan niet te blijken.6 Hier komt meteen de derdenbescherming om de hoek kijken. Ingevolge art. 60 van de Overgangswet is art. 3:24 lid 1 niet van toepassing.