Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/7.3.1:7.3.1 Inleiding
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/7.3.1
7.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270201:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf werd de kwalificatie van een reactie op normoverschrijdend gedrag als straf of criminal charge behandeldalsook de mogelijke verwevenheid van bestraffende procedures. In deze paragraaf wordt het in hoofdstuk zes beschreven systeem van sanctionering op de juridische houdbaarheid beoordeeld. Dit gebeurt langs de in paragraaf 7.2. uitgezette (drie) lijnen.
Als eerste wordt – ten aanzien van een aantal sancties1 – ingegaan op de kwalificatie van de oplegging van een sanctie als criminal charge.2Als de oplegging van een sanctie als criminal charge kwalificeert, is dubbele vervolging van een zelfde feit op grond van het ne bis in idem-beginsel verboden, tenzij de wet een combinatie mogelijk maakt (voor fiscale delicten maakt de AWR bijvoorbeeld de combinatie van een gevangenisstraf en een geldboete mogelijk).3 Andersom is stapelen wel mogelijk als de oplegging van sancties niet als criminal charge kan worden aangemerkt. Het toetskader voor dit eerste onderdeel bestaat uit de in paragraaf (7.2.24 en) 7.2.3 uiteengezette rechtsregels.
Als tweede wordt ingegaan op het gegeven dat een aantal sancties veel op elkaar lijkt of zelfs moeilijk te onderscheiden is.5 Voor deze analyse is geen toetskader nodig: het gaat om de onderlinge vergelijking van bestaande sancties. Tot op zekere hoogte kan worden aangesloten bij het toetskader uit paragraaf 3.2. over voorzienbaarheid, aangezien in de vergelijking wordt meegenomen of voor belastingplichtige duidelijk is wanneer welke sanctie in beeld zou kunnen komen.
Tot slot wordt ingegaan op recente jurisprudentie van het EHRM en van het HvJ EU ten aanzien van de verwevenheid van de straf- en fiscale procedure, zoals beschreven in paragraaf 7.2.4.6 Kan een vergaande coherentie van (bijvoorbeeld de organisatie van) twee afzonderlijke strafprocedures (een bestuursrechtelijke bestraffende procedure en een strafrechtelijke procedure) er bijvoorbeeld toe leiden dat er in wezen maar van één strafprocedure sprake is? Bezien wordt tevens in hoeverre van verwevenheid van deze procedures en samenwerking van de betrokken autoriteiten sprake kan zijn in nationale fiscale context, aangezien het una via-beginsel in feite dwingt tot het tegenovergestelde.