De kosten van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/6.4.7.4:6.4.7.4 Hoogte van de kosten van het onderzoek
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/6.4.7.4
6.4.7.4 Hoogte van de kosten van het onderzoek
Documentgegevens:
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652324:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. bijv. Onderzoeksverslag Meavita, p. 15-16, waarin de onderzoekers met de financier, de curatoren, de beperking van uurtarieven overeenkwamen en de onderzoekers toezegden de kosten van het onderzoek te beperken tot het vastgestelde en verhoogde onderzoeksbudget van € 1 miljoen.
OK 15 september 2016, ARO 2017/11 (Celebration).
OK 28 februari 2017, ARO 2017/77 (Celebration).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Ondernemingskamer stelt het bedrag vast dat het onderzoek maximaal mag kosten (par. 2.5.4). Zij zal hierbij naast de financieringsbehoefte van de onderzoeker, die tot uitdrukking komt in de begroting van de onderzoeker (par. 2.5.2), naar mijn mening ook de ruimte die de financier heeft om de kosten van het gewenste onderzoek te financieren moeten betrekken, en daarbij een afweging moeten maken of de financiering van de kosten van het onderzoek in voldoende mate is gewaarborgd (par. 6.4.4). Blijkt hangende het onderzoek dat het vastgestelde onderzoeksbudget te laag is, dan kan de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget op verzoek van de onderzoeker verhogen (par. 2.6). Het zou hierbij mijns inziens ook de Ondernemingskamer moeten zijn die het uurtarief voor de onderzoeker voorschrijft (par. 2.4.2.3). Op die manier wordt voorkomen dat de financier druk zet op het door de onderzoeker aan te leggen uurtarief.1
De directe financier die geen maximumbedrag als financieringsvoorwaarde bedingt (par. 6.4.6.2) en financiering toezegt voor de kosten van het onderzoek, is mijns inziens gehouden de volledige kosten van het onderzoek te financieren. Dat geldt ook als een verhoging van het onderzoeksbudget nodig blijkt, en ook voor de financiering van eventuele kosten van verweer van de onderzoeker, die mijns inziens onderdeel vormen van de kosten van het onderzoek (par. 3.3.2.6).
Uit de jurisprudentie van de Ondernemingskamer zijn mij geen gevallen bekend waarin de Ondernemingskamer een financier verplichtte om aanvullende financiering te verstrekken. De Ondernemingskamer lijkt de financier eerder ruimte te bieden om aanvullende financiering te weigeren, zo illustreert Celebration. De Ondernemingskamer gelastte in deze enquêteprocedure een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Celebration Panden BV en Celebration Benelux BV, en bepaalde dat de kosten hiervan – en overigens ook de beloning van OK-functionarissen – hoofdelijk ten laste komen van beide vennootschappen.2 Wanneer de onderzoeker een verhoging van het onderzoeksbudget verzoekt, verkeert Celebration Benelux BV inmiddels in staat van faillissement. De curator laat weten tegen het verhogingsverzoek van de onderzoeker geen bezwaar te hebben, voor zover uitsluitend Celebration Panden BV wordt veroordeeld zekerheid te stellen voor de verzochte verhoging. Uit de beschikking van de Ondernemingskamer volgt dat van het aanvankelijk bepaalde onderzoeksbudget 50% aan de onderzoeker is voldaan uit de boedel. De curator toont zich echter niet bereid (de helft van) de verruiming van de kosten van het onderzoek ook als boedelschuld te voldoen. De Ondernemingskamer overweegt dan:
‘Gelet op de mededeling van de curator dat een eventuele verruiming van het onderzoeksbudget niet vanuit de boedel zal (kunnen) worden voldaan, ziet de Ondernemingskamer aanleiding om uitsluitend [Celebration, PB] Panden te veroordelen tot zekerheidstelling voor de verhoging van het onderzoeksbudget.’3
De Ondernemingskamer staat hier dus toe dat de curator slechts financiering verstrekt tot het oorspronkelijke onderzoeksbudget. Uit de beschikkingen in Celebration volgt echter niet of de curator aanvankelijk slechts financiering toezegde tot het door de Ondernemingskamer eerder vastgestelde onderzoeksbudget en hierom niet was gehouden tot de verstrekking van aanvullende financiering. Voor zover dat niet het geval is, meen ik dat de Ondernemingskamer de curator had moeten verplichten tot de verstrekking van aanvullende financiering. Dat zou naar mijn mening ook hebben te gelden voor andere typen financiers, ten aanzien van zowel de kosten van het onderzoek als de beloning van OK-functionarissen. Zie over financiering van de kosten van de enquêteprocedure door de curator nader par. 6.7.