Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/2.2
2.2 Beknopte geschiedenis van het algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950394:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Linssen 1993, p. 168 en Heyning-Plate 1969, p. 155, die eveneens opmerken dat het oude BW een algemeen opschortingsrecht ontbeert.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 206-207. Zie over het in het slot van het citaat genoemde argument van meer praktische aard voor de codificatie van opschortingsrechten § 2.3.
Voor een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis van de enac en het retentierecht sinds het Romeinse recht verwijs ik naar Aarts 1990, p. 21-46 en Heyning-Plate 1969, p. 7-57 en p. 146-159. Zie ook Bosch 1936, die een overzicht biedt van de enac sinds het Romeinse recht tot het begin van de 20e eeuw, en Fesevur 1988, p. 5-7, die op p. 6 verwijst naar een aantal ‘uitvoerige beschrijvingen van de rechtsgeschiedenis inzake het retentierecht’, waaronder dat van Heyning-Plate. Zie voorts Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8, met verwijzing naar enkele rechtshistorische werken over het retentierecht, waaronder eveneens het werk van Heyning-Plate. Zie ook Gratama 1887 en Gratama 1888 voor een uitvoerige historische beschouwing van het retentierecht.
Lokin & Brandsma 2022, p. 224.
Heyning-Plate 1969, p. 10 en Aarts 1990, p. 26-27. Zie ook Fesevur 1988, p. 5, en Gratama 1887, p. 15.
Heyning-Plate 1969, p. 7. Zie ook Brandsma 2010, p. 148, die opmerkt dat de enac niet onder die naam voorkwam in het Romeinse recht; Hesselink 1999, p. 284, voetnoot 13, die opmerkt dat de term ‘enac’ uit de 15e eeuw stamt, en Aarts 1990, p. 26, die opmerkt dat de term ‘enac’ dateert uit een niet-Romeinse tijd. Zie voorts Klomp 2003, p. 59.
Lokin & Brandsma 2022, p. 224; Klomp 2003, p. 58; Hesselink 1999, p. 284 en Bosch 1936, p. 18 en 19.
Volgens Heyning-Plate 1969, p. 7 en 8, is de enac terug te voeren op het beginsel van ‘gelijk oversteken’. Vgl. over het retentierecht Thors 1934, p. 8 en 14. Dit beginsel werd in het Romeinse recht vooral toegepast op de koop (Heyning-Plate 1969, p. 8; Brandsma 2010, p. 148 en Bosch 1936, p. 18). Bosch 1936, p. 19, neigt naar de conclusie dat de enac alleen gold voor koop. Heyning-Plate 1969, p. 8-9 houdt voor mogelijk dat ook bij andere wederkerige overeenkomsten een beroep op de enac is gedaan. Zie ook Bosch 1934, p. 43, die in onderdeel 1 verwijst naar andere auteurs die een algemene toepasselijkheid van de enac in het Romeinse recht hebben verdedigd. Klomp 2003, p. 58, merkt op dat de enac aanvankelijk alleen bij de koop gold en later ook op andere contracten werd toegepast. Hesselink 1999, p. 284, maakt geen onderscheid en neemt aan dat de enac in het Romeinse recht gold voor alle wederkerige overeenkomsten. Daar lijken ook Lokin & Brandsma 2022, p. 224 en 256 en lijkt ook Aarts 1990, p. 26-27 vanuit te gaan. Vgl. Brandsma 2010, p. 148, die opmerkt dat de enac na de receptie van het Romeinse recht van toepassing wordt geacht op alle wederkerige overeenkomsten.
Zie ook Lokin & Brandsma 2022, p. 224 en 256.
Aarts 1990, p. 25; Fesevur 1988, p. 5; Heyning-Plate 1969, p. 10; Bosch 1936, p. 13 en Thors 1934, p. 4. Zie ook Lokin & Brandsma 2022, p. 256-257. Gratama 1887, p. 2 en 12, spreekt van de exceptio doli generalis. Vgl. Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/16.
Lokin & Brandsma 2022, p. 51 en Fesevur 1988, p. 5 spreken van ‘onbehoorlijk gedrag’. In de vertaling van D. 33.6.8 van De Ligt & Spruit 1997, p. 746 wordt het ‘wangedrag’ genoemd. Overigens menen Bosch 1936, p. 13 en Gratama 1887, p. 15 dat de enac eveneens is geworteld in de exceptio doli.
Lokin & Brandsma 2022, p. 50-51 en 246.
Dit processuele verweer tegen onbehoorlijk gedrag van de schuldeiser was gegrond op de goede trouw of redelijkheid en billijkheid (Brandsma 2010, p. 148; Aarts 1990, p. 25; Fesevur 1988, p. 5 en Thors 1934, p. 14). Het berustte volgens Gratama 1887, p. 2 en 13, op de ‘aequitas, de billijkheid’, ook wel uitgelegd als ‘het rechtsgevoel’.
Lokin & Brandsma 2022, p. 246.
Zie voor het voorbeeld Lokin & Brandsma 2022, p. 51, en zie p. 224. Aarts 1990, p. 25 noemt het uitblijven van de nakoming door de schuldeiser het ‘doleuze karakter’ van de eis. Zie in dezelfde zin Gratama 1887, p. 13. Evenzo merkt Fesevur 1988, p. 5, op: “De dolus lag hierbij in de omstandigheid dat de eiser zich onbehoorlijk gedroeg door de vordering tot afgifte in te stellen.” Zie ook Brandsma 2010, p. 148-149 en Thors 1934, p. 4. Vgl. tevens Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/16 met verwijzingen.
Zie voor meer voorbeelden Gratama 1887, p. 3-12.
Het is goed denkbaar dat de legataris in dit geval een verplichting had tot medewerking aan de nakoming van de verbintenis door de erfgenaam, door de wijn in ontvangst te nemen. De legataris had ‘een zelfstandig, een positief belang bij die medewerking’ (Asser/Sieburgh 6-I 2020/291, met een verwijzing naar een Romeinsrechtelijk voorbeeld). De leverings- en medewerkingsplicht vloeiden dan voort uit hetzelfde testament.
D. 33.6.8, in de vertaling van De Ligt & Spruit 1997, p. 746. De oorspronkelijke tekst luidt: “Si heres damnatus sit dare vinum, quod in doliis esset, et per legatarium stetit, quo minus accipiat, periculose heredem facturum, si id vinum effundet: sed legatarium petentem vinum ab herede doli mali exceptione placuit summoveri, si non praestet id, quod propter moram eius damnum passus sit heres.”
Lokin & Brandsma 2022, p. 246.
Vgl. Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/16. Vgl. voorts Heyning-Plate 1969, p. 18, die opmerkt dat een beroep op de enac niet meer als een exceptief verweer wordt beschouwd en dat daarop ook nog in een latere instantie een beroep kan worden gedaan.
Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 204, voetnoot 1. Zie voorts p. 205, 206 en 209, waar is gerefereerd aan HR 26 april 1934, ECLI:NL:HR:1934:7, NJ 1934/1612, m.nt. E.M. Meijers (Kersen en aardbeien).
Thors 1934, p. 4, en zie p. 10 voor een overzicht van in het oude BW geregelde retentierechten. Zie ook Van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A11) 2018/43, die opmerkt dat de wet het retentierecht ‘mondjesmaat’ toekende, met een artikelenoverzicht. Zie voor een dergelijk overzicht ook Linssen 1993, p. 168.
Zie Heyning-Plate 1969, p. 150-151, met verdere verwijzingen. Zie in gelijke zin Schoordijk 1979, p. 143.
Gratama 1887, p. 277-278.
HR 26 juni 1914, ECLI:NL:HR:1914:52, NJ 1914/1025 (Schaap/Nypels q.q.), p. 1027.
HR 26 juni 1914, ECLI:NL:HR:1914:52, NJ 1914/1025 (Schaap/Nypels q.q.), p. 1028 (‘dat alzoo terecht is geoordeeld dat door Schaap, ter zake van het hem aan salaris en verschotten verschuldigde wegens de overeenkomst van lastgeving om voor Creemers surséance van betaling aan te vragen, geen recht van terughouding kon worden uitgeoefend op hetgeen Schaap niet krachtens die lastgeving, doch krachtens de bewaargeving onder zich had.’).
Zie Heyning-Plate 1969, p. 39-43.
HR 3 juni 1921,ECLI:NL:HR:1921:213, NJ 1921/937 (Doornbos q.q./Koopmans).
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/3 en Klomp 2003, p. 63.
HR 8 mei 1930, ECLI:NL:HR:1930:277, NJ 1930/1364, m.nt. E.M. Meijers (Maas/Vermeulen), p. 1367 (“dat, wat er zij van ’s Hofs overweging op dit punt, en daargelaten, of die niet aldus moet worden opgevat, dat het Hof, na te hebben beslist, dat wegens wanpraestatie van Maas – zulks met terugwerkende kracht tot den dag, waarop zij werd gepleegd – de overeenkomst moest worden ontbonden verklaard, wegens die ontbinding aannam, dat op 3/4 October 1927 Vermeulen niet meer verplicht was huur te betalen, in elk geval op dien grond ’s Hofs beslissing, dat de vordering Maas moest worden ontzegd, volkomen juist is;”).
Heyning-Plate 1969, p. 44 en p. 46-47. Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/3.
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/3 en Aarts 1990, p. 40-42.
Heyning-Plate 1969, p. 43 en 153. Zie het Zurückbehaltungsrecht in § 273 BGB en de enac in § 320 BGB. Vgl. het zogenoemde kaufmännischesZurückbehaltungsrecht in het zowel Duitse als Oostenrijkse § 369 HGB.
Zie onder andere HR 26 april 1934, ECLI:NL:HR:1934:7, NJ 1934/1612, m.nt. E.M. Meijers (Kersen en aardbeien); HR 8 maart 1946, ECLI:NL:HR:1946:131, NJ 1946/186 (Van der Plas/Westland); HR 10 december 1948, ECLI:NL:HR:1948:145, NJ 1949/122 (Lloyd Rhenan/TSM (Petit Marcel)) en HR 1 maart 1963, ECLI:NL:HR:1963:180, NJ 1963/126 (Straeter/Drema).
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/3. Ook Van Dunné 2023, p. 867; Van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A11) 2018/43; Klomp 2003, p. 63; Linssen 1993, p. 168 en Aarts 1990, p. 42-43 markeren in 1978 het omslagpunt.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/3 en Aarts 1990, p. 43. Evenzo Asser/Rutten II 1982, p. 346.
HR 30 juni 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6324, NJ 1978/693, m.nt. G.J. Scholten en W.H. Heemskerk (Theunissen/Verstappen), p. 2273. Zie over dit arrest uitvoerig Nieskens-Ipshording & Van der Putt-Lauwers 1978. Aldus ook Aarts 1990, p. 43.
Asser/Rutten II 1982, p. 346 en Scholten 1978, par. 1. Clerx 1983, p. 427, ziet evenwel in het niet honoreren van het opschortingsrecht van de huurder dat het arrest ‘geheel in de terughoudende koers van de HR met betrekking tot de toekenning van de exc.nac. [ligt]’.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/3 en Klomp 2003, p. 65 signaleren beiden dat destijds het ontwerp voor de opschortingsregeling in het nieuwe BW gereed was.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/3 en 49, alsook Asser/Sieburgh 6-I 2020/274.
Zie bijv. HR 28 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8969, NJ 1985/840 (Luyer/gemeente Amsterdam) en HR 5 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9190, NJ 1992/226, m.nt. W.M. Kleijn (Breda/Antonius).
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/4 en Asser/Sieburgh 6-I 2020/270. Zie anders Van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A11) 2018/43 (“Op het stuk van de opschortingsrechten bestaat een duidelijk breukvlak tussen het oude BW en het huidige.”).
Zie in deze zin ook Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/1 (“De huidige wettelijke regeling is dan ook enerzijds de neerslag van een eeuw rechtsontwikkeling en anderzijds het uitgangspunt voor een proces van verdere rechtsverfijning.”).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 204-210. Zie ook Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/26; Aarts 1990, p. 21 en Heyning-Plate 1969, p. 5. Zie over het buitenlandse recht als inspiratiebron ook § 1.5, i.h.b. voetnoten 63 en 65. Zie over het Duitse recht als inspiratiebron ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/44. Zie voorts Van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A11) 2018/43; Logmans 2011, p. 55; Nieskens-Isphording & Van der Putt-Lauwers 1978, p. 897 (“De manier waarop in het NBW de opschortingsrechten zijn geregeld, lijkt in grote trekken op de regeling van het BGB.”) en, meer uitgebreid, Heyning-Plate 1969, p. 181-185. In de parlementaire geschiedenis bij het algemene opschortingsrecht zijn tevens verwijzingen naar Belgisch, Frans, Grieks, Oostenrijks en Zwitsers recht te vinden (Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 206 en 209).
Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 206.
Zo heeft de wetgever het ook niet bedoeld.
Met de invoering van het huidige BW kreeg het algemene opschortingsrecht een plaats in de wet, net als de enac en het retentierecht, die voor specifieke gevallen al wel in het oude BW waren geregeld.1 Het algemene opschortingsrecht is onder meer in de wet gekomen om een leemte te vullen die de enac en het retentierecht lieten:
“De in het huidige recht bestaande moeilijkheid om vast te stellen hoever men mag gaan met uitbreiding van de wettelijke opschortingsrechten door middel van uitleg of analogische toepassing of aan de hand van de goede trouw van artikel 1374 lid 3 B.W., lost het nieuwe wetboek op door enerzijds in het onderhavige artikel aan de rechter een algemene maatstaf te geven die rechtstreeks op de vraag of een opschortingsrecht op zijn plaats is, is afgestemd en anderzijds in een aantal bijzondere bepalingen, waaronder in de eerste plaats de artikelen [6:262 BW] en [6:263 BW], voor de in de praktijk belangrijkste gevallen buiten twijfel te stellen dat een bevoegdheid tot opschorting bestaat.”2
Gecodificeerde opschortingsrechten, waaronder thans het algemene opschortingsrecht, kennen een betrekkelijk lange geschiedenis. Veelal begint een beschrijving van die geschiedenis bij het Romeinse recht.3 In het Romeinse recht vloeide het recht van de schuldenaar om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten voort uit de redelijkheid en billijkheid.4 Het onderscheid tussen de enac en het retentierecht was in het Romeinse recht onbekend en dateert van een latere tijd.5 De term enac is pas in de Middeleeuwen ontstaan.6 De later zogenoemde enac in het Romeinse recht vloeide voort uit de bona fides of goede trouw die de wederkerige overeenkomst beheerste.7 Elke partij bij een wederkerige overeenkomst kon zich tegen een eis tot nakoming van haar wederpartij verweren met de stelling dat haar wederpartij de daartegenover staande verbintenis nog niet was nagekomen.8 Wederzijdse verbintenissen die niet voortvloeiden uit een wederkerige overeenkomst werden niet naar de bona fides beoordeeld.9 De schuldenaar die zich in dat geval tegen nakoming wilde verweren, wierp de exceptio doli op.10 De exceptio doli is een verweer dat is gebaseerd op het onbehoorlijke gedrag of wangedrag van de schuldeiser.11 Met het opwerpen van deze ‘exceptie van onbehoorlijkheid’12 bracht de schuldenaar een algemene toetsing van de rechter aan de redelijkheid en billijkheid teweeg.13 Evenwel onderzocht de rechter in dat kader alleen het gedrag van de schuldeiser.14 Het onbehoorlijke gedrag van de schuldeiser kon bijvoorbeeld zijn gelegen in het starten van een gerechtelijke procedure tegen de schuldenaar voor een op zichzelf gelegitimeerd vorderingsrecht, terwijl hij zijn verbintenis jegens zijn schuldenaar nog niet was nagekomen.15 Een Romeinsrechtelijk voorbeeld in het verbintenissenrecht is te vinden in een tekst van Pomponius.16 Het betreft een geval waarin een erfgenaam op grond van een testament verplicht is wijn, die zich in vaten bevond, aan een legataris te geven. De legataris heeft verzuimd de wijn in ontvangst te nemen.17 Pomponius overweegt dan:
“Indien een erfgenaam bij testament verplicht is de wijn die zich in de vaten bevond te geven, en het aan de legataris heeft gelegen dat hij die niet ontvangt, zal de erfgenaam op eigen risico handelen, indien hij die wijn laat weglopen. Het is echter heersende leer dat de legataris, als hij de wijn vordert, door de erfgenaam met de exceptie wegens wangedrag wordt afgeweerd, indien hij niet de schade vergoedt die de erfgenaam wegens het verzuim geleden heeft.”18
Wenste de schuldeiser het ‘opschortingsgedrag’ van de schuldenaar eveneens bloot te stellen aan een toetsing aan de redelijkheid en billijkheid, dan wierp hij een ‘tegenweer van onbehoorlijkheid’ op.19 In het kader van dat verweer onderzocht de rechter het gedrag van de schuldenaar.
Gaandeweg hebben opschortingsrechten zich ontwikkeld van een processueel verweer tot een vermogensrechtelijk verweer.20 Als zodanig kregen het retentierecht en de enac een plaats in het oude BW. De rechtsontwikkeling van het retentierecht en de enac is mede redengevend geweest voor de codificatie van de algemene opschortingsregeling in het huidige BW.21
Hoewel het oude BW voor een aantal gevallen een retentierecht bevatte, is het een onderwerp dat ‘door de wet niet dan stiefmoederlijk wordt behandeld’.22 Tot in de beginjaren van de 20e eeuw gingen de literatuur en vooral de rechtspraak uit van een beperkte opvatting van de wettelijke retentierechten en werd analoge toepassing van de hand gewezen.23 In de literatuur aan het einde van 19e eeuw is een uitzondering op de legistische benadering van retentierechten te vinden bij Gratama, die een minder restrictieve opvatting verdedigt:
“Wij verstaan er dus onder, ook in het Nederlandsch recht, de bevoegdheid om aan eene verplichting niet te voldoen, zoolang de uit dezelfde rechtsverhouding voortspruitende en daartegenoverstaande verplichting door de eischende partij harerzijds niet is nagekomen, en wij meenen die bevoegdheid te moeten toekennen in alle gevallen, waar de in de omschrijving gestelde vereischten aanwezig zijn – ook daar, waar de wetgever ze niet bepaaldelijk met zooveel woorden vermeldt. De gevallen, waarin de wetgever de bevoegdheid tot terughouding, het retentie-recht uitdrukkelijk erkent, zijn naar onze opvatting slechts toepassingen van een algemeen geldenden regel. Wel te verstaan, slechts dan en zoolang niet meer dan alleen het recht tot terughouden wordt gegeven.
Voorzeker is dit niet de algemeen aangenomen beschouwing, (…).”24
Uit een arrest uit 1914 blijkt hoe zeer de Hoge Raad toentertijd ook een beperkte toekenning van de wettelijke retentierechten voorstond. De verbintenis en het vorderingsrecht dienden volgens de Hoge Raad voort te vloeien uit dezelfde overeenkomst. In het door de Hoge Raad beoordeelde geval wenste de schuldenaar een uit hoofde van bewaargeving voor zijn wederpartij gehouden geldbedrag terug te houden in verband met zijn vordering op die wederpartij uit hoofde van lastgeving. Het hof wees dit beroep op een retentierecht af. Dat oordeel sauveerde de Hoge Raad. De Hoge Raad stelde een stringente toekenning van de retentierechten voorop met de overweging ‘dat immers het recht van terughouding in bijzondere gevallen door onze wet aan een schuldeischer gegeven uit den aard der zaak slechts kan worden erkend binnen de grenzen daarbij door den wet gesteld’.25 Op grond van artikel 1849 oud BW had de lasthebber het recht om hetgeen hij van de lastgever op grond van de lastgeving onder zich hield terug te houden, totdat de lastgever aan zijn verplichtingen uit de lastgeving had voldaan.26 De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht had geoordeeld dat de schuldenaar in hoedanigheid van lasthebber geen recht van terughouding kon uitoefenen op hetgeen hij niet op grond van de lastgeving, maar als bewaarnemer op grond van de bewaarneming onder zich hield.27 Heyning-Plate wijst er bij dit arrest op dat het oude BW bij bewaargeving in artikel 1766 oud BW aan de bewaarnemer een retentierecht toekende dat naar zijn codificatie vergelijkbaar was met het recht van terughouding van de lasthebber.28 Toch ging de Hoge Raad niet voorbij aan het feit dat elk van de wederzijdse verbintenissen voortvloeide uit een andere overeenkomst: lastgeving en bewaarneming.
Ook aan de enac wijdde het oude BW nauwelijks woorden. Op grond van artikel 1514 oud BW was de verkoper niet verplicht het goed te leveren als de koper de koopprijs niet betaalde en de verkoper hem geen uitstel van betaling had toegestaan. Op grond van artikel 1582 oud BW was de enac ook van toepassing op ruil. De voor de verkoper in art. 1514 oud BW geregelde enac werd eveneens restrictief uitgelegd.29 Daarin kwam in 1921 verandering, toen de Hoge Raad de enac toekende aan kopers op grond van art. 1550 oud BW, waarin was bepaald dat de levering en betaling op hetzelfde moment en hetzelfde tijdstip moesten plaatsvinden.30 Gedurende ruim vijf decennia na 1921 mocht de enac echter niet worden toegepast op gevallen buiten de wettelijk geregelde koop- en ruilovereenkomst.31 De schuldenaar die zijn verbintenis niet wenste na te komen in verband met een eerdere wanprestatie van zijn wederpartij onder een wederkerige overeenkomst van andere aard dan koop of ruil, diende in reconventie ontbinding van de overeenkomst te vorderen wegens die wanprestatie. Deze ontbinding had onder het oude BW terugwerkende kracht tot de dag waarop de wanprestatie door de wederpartij was gepleegd. Als gevolg daarvan was de schuldenaar vanaf dat moment van zijn verbintenis bevrijd. De schuldenaar pleegde dan met de niet-nakoming van zijn verbintenis geen wanprestatie, zo volgt uit het arrest Maas/Vermeulen.32 Met de ontbinding ontnam de schuldenaar zijn schuldeiser een vordering tot nakoming, ontbinding of schadevergoeding.33
Desalniettemin is sinds het begin van de 20e eeuw een kentering waarneembaar in de wijze waarop de rechtspraak de gecodificeerde opschortingsrechten toepaste.34 In navolging van opvattingen in de literatuur is in de rechtspraak een ontwikkeling naar een minder restrictieve uitleg van de wettelijke opschortingsrechten te ontwaren. Vermoedelijk heeft het met ingang van de 20e eeuw in werking treden van het Duitse BGB, waarin opschortingsrechten van algemenere aard zijn opgenomen, bijgedragen aan deze minder restrictieve uitleg.35 Het heeft evenwel enige tijd geduurd voordat de Hoge Raad een opschortingsrecht van algemene aard geheel aanvaardde. In de aanloop naar een dergelijk opschortingsrecht van algemene aard wees Hoge Raad een aantal arresten waarin hij de deur op een kier zette of zelfs opende voor een bredere toepassing van wettelijke opschortingsrechten.36 Over het algemeen wordt aangenomen dat de Hoge Raad in 1978 in het arrest Theunissen/Verstappen geheel overstag ging en ‘de ruime leer’ van opschortingsrechten aanvaardde.37 De Hoge Raad aanvaardde dat de huurder een opschortingsrecht zou kunnen hebben, terwijl daarvoor geen bepaling in het oude BW was opgenomen.38 De grondslag van dit opschortingsrecht lag in de redelijkheid en billijkheid en de beoordeling daarvan was afhankelijk van de omstandigheden van het geval.39 Daarmee nam de Hoge Raad de destijds bestaande onduidelijkheid over de vraag of hij een erkenning van opschortingsrechten buiten de in de wet geregelde gevallen voorstond, weg.40 Vermoedelijk heeft het ontwerp van het nieuwe BW daaraan bijgedragen.41 Er wordt wel aangenomen dat in Theunissen/Verstappen een anticipatie op dit nieuwe BW zichtbaar is.42 Nadien volgden andere arresten waarin de Hoge Raad vooruitliep op de invoering van het huidige BW.43
De algemene opschortingsregeling wordt wel gezien als een weerslag van het voor 1992 geldende recht.44 Daarbij moet echter niet over het hoofd worden gezien dat dit geldende recht de resultante is van een rechtsontwikkeling die voornamelijk in de loop van de 20e eeuw heeft plaatsgevonden.45 Daarin werd enerzijds weliswaar voortgeborduurd op een steeds minder restrictieve toepassing van de enac en het retentierecht, maar anderzijds ook al geanticipeerd op de toen nog in te voeren algemene opschortingsregeling. Totdat de Hoge Raad in 1978 anticipeerde op de destijds nog in te voeren algemene opschortingsregeling, was in de rechtspraak nog geen opschortingsrecht van algemene aard aangenomen. Uit de parlementaire geschiedenis bij deze algemene opschortingsregeling – de Toelichting- en het ontwerp-Meijers dateren uit de jaren 50 van de twintigste eeuw – rijst het beeld dat de algemene opschortingsregeling vooral is geïnspireerd – maar ook niet meer dan dat – door het buitenlandse recht, in het bijzonder het Duitse Zurückbehaltungsrecht als bedoeld in § 273 Abs. 1 BGB, en in mindere mate voortborduurt op de rechtsontwikkeling van de enac en het retentierecht in Nederland.46 De algemene opschortingsregeling is als zodanig dan ook tot op zekere hoogte origineel te noemen en heeft een relatief korte Nederlandse geschiedenis. Het beantwoordde aan het destijds in Nederland steeds breder levende rechtsgevoelen dat een schuldenaar ook een opschortingsbevoegdheid zou moeten hebben buiten de in de wet geregelde specifieke gevallen.47 Evenwel kan het algemene opschortingsrecht niet worden beschouwd en dient niet te worden beschouwd als een regeling die onafhankelijk bestaat van de enac en het retentierecht en hun historie.48 Rechtspraak en literatuur van voor 1992 op het gebied van opschortingsrechten hebben dan ook hun betekenis behouden, voor zover daarvan niet sindsdien is afgeweken in de wettelijk geregelde opschortingsrechten of de rechtspraak.