Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/5.2.3
5.2.3 Verbalisering en verslaglegging
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS469271:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
T&C Sv, artikel 152, aantekening 5.
En als geen proces-verbaal wordt opgemaakt van hetgeen is verricht of bevonden, dan zal er toch een adequate vastlegging moeten zijn waarop teruggevallen kan worden (Hoge Raad 19 december 1995 (Zwolsman), ECLI:NL:HR:1995:ZD0328, NJ 1996, 249, met noot Schalken).
Zie r.o. 11.2.1 van hiervoor genoemd Zwolsman-arrest (NJ 1996, 249, met noot Schalken) en Hoge Raad 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629 (NJ 2011, 169, met noot Schalken).
Uit hetgeen Melai/Groenhuijsen e.a. beschrijven, valt een zekere nuancering op te maken. Zij gaan er van uit dat de opsporingsambtenaar uit moet gaan van de te bewijzen delictsbestanddelen (Melai/Groenhuijsen, aant. 7.3 bij art. 152 Sv). Zie ook Fokkens in zijn conclusie bij Hoge Raad 7 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5756 (RvdW 2006, 194, overweging 14).
Over het fiscale boeterecht kan ik kort zijn: er zijn geen rechtsnormen voor controlerend ambtenaren die voorschrijven of en hoe waargenomen feiten en omstandigheden ‘geverbaliseerd’ moeten worden. Dat geldt dus ook voor eventuele strafbeïnvloedende factoren. Wellicht dat ook hier van het inzagerecht een bepaalde normerende werking kan uitgaan – een onvolledige of onjuiste dossiervorming kan immers het gevolg zijn van onvolledige en onjuiste primaire vastlegging door controlerend ambtenaren – maar een bevestiging hiervan heb ik niet in de rechtspraak kunnen vinden.
De strafrechtelijke rechtsnormering met betrekking tot verbalisering is daarentegen vrij expliciet. Zo is in artikel 152 Sv de verbaliseringsplicht voor opsporingsambtenaren opgenomen. Deze bepaling ziet op het adequaat en volledig weergeven van het door opsporingsambtenaren verrichte onderzoek en is dus van grote betekenis voor de volledigheid van de processtukken.1 Ten aanzien van de inhoud van het proces-verbaal regelt artikel 153, lid 2 Sv dat de opsporingsambtenaar zoveel mogelijk uitdrukkelijk de redenen van wetenschap moet vermelden. Voor de OvJ zelf geldt overigens een vergelijkbare verbaliseringsverplichting (artikel 148, lid 3 Sv).
Maar wát moeten de opsporingsambtenaren nu verbaliseren? Deze vraag heeft de Hoge Raad beantwoord door aan te geven in welke gevallen verbalisering achterwege kan blijven.2 Als hetgeen door de opsporingsambtenaren is verricht of bevonden naar hun mening ‘redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enigen door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing’, dan hoeft geen proces- verbaal opgemaakt te worden.3 Net als bij de plicht omtrent de hiervoor behandelde dossiervorming, moet in het kader van de verbaliseringsplicht dus eveneens geanticipeerd worden op de vragen die de rechter ter terechtzitting moet beantwoorden waaronder – zoals eerder gezegd – de vraag over de strafmaat. Met andere woorden, opsporingsambtenaren – en ook de OvJ – zullen waargenomen strafbeïnvloedende factoren moeten verbaliseren, zodat dit via de OvJ ter kennis van de zittingsrechter kan worden gebracht.4