Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/4.4
4.4 Een nationaal voorbeeld als uitzondering – de redelijke termijn
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692165:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 juni 2006, nr. 75529/01 (Sürmeli/Duitsland).
EHRM 4 juli 2016, nr. 17708/12 e.a. (Olivieri e.a./Italië), par. 45. EHRM 4 mei 2009, nr. 33509/04 (Burdov/Rusland (No. 2)), par. 98.
EHRM 29 oktober 2015, nr. 73798/13 (Valada Matos Das Neves/Portugal), par. 73. EHRM 4 mei 2009, nr. 33509/04 (Burdov/Rusland (No. 2)), par. 99; EHRM 29 maart 2006, nr. 36813/97 (Scordino/Italië), par. 194 e.v.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:2018:1806. Volledigheidshalve vermeld ik dat ik deel uitmaakte van de combinatie die het hof-arrest wees (ECLI:NL:GHDHA:2017:1931).
Zie voor een vergelijkbare situatie HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237, m.nt. A.I.M. van Mierlo.
HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525, m.nt. P.C.E. van Wijmen en W.D.H. Asser. De Hoge Raad maakt duidelijk dat niet vereist is dat de zaak onder art. 6 EVRM valt, omdat het aan art. 6 EVRM ten grondslag liggende rechtsbeginsel sowieso binnen de Nederlandse rechtsorde geldt.
142. Art. 6 EVRM vereist een rechterlijke beslissing binnen een redelijke termijn. Het is van veel omstandigheden afhankelijk of een bepaalde termijn te lang is. Die omstandigheden zijn nu niet van belang. Het gaat mij erom te beschrijven hoe de remedie tegen overschrijding van de redelijke termijn in Nederland in de civiele rechtspleging vorm heeft gekregen.
143. Ik verwees hiervóór naar het arrest Sürmeli/Duitsland van het EHRM.1 Sürmeli was slachtoffer van een verkeersongeval waarbij hij letsel had opgelopen. Hij probeerde schade te verhalen op de verzekeraar van zijn wederpartij. Die procedure duurde eindeloos lang (meer dan 16 jaar) en Sürmeli beklaagde zich erover dat er binnen het Duitse systeem geen mogelijkheid bestond om zich over die lange duur te beklagen. Hij stelde dat dit een schending van art. 13 EVRM inhield. De Duitse regering weersprak de klacht: er zouden wel vier remedies (in de zin van rechtsmiddelen) beschikbaar zijn geweest, waaronder een procedure tot schadevergoeding.
144. Het EHRM herhaalde eerst de algemene karakteristieken van art. 13 EVRM:
art. 13 EVRM vereist een nationaal rechtsmiddel tegen een arguable complaint en dat rechtsmiddel moet appropriate relief bieden;
de effectiviteit van het rechtsmiddel is niet afhankelijk van de uitkomst van de procedure;
als een enkele remedie niet voldoet aan de eisen van art. 13 EVRM, kan een optelsom van remedies wel voldoende zijn;
in ieder individueel geval moet daarom worden onderzocht of de beschikbare middelen effectief zijn in die zin dat zij ofwel de gestelde schending van een verdragsrecht of de voortduring daarvan voorkomen, ofwel een adequate redress bieden voor een reeds voorgevallen schending.
145. Ook voor de gestelde overschrijding van de redelijke termijn geldt dan dat rechtsmiddelen effectief zijn in die zin dat zij ofwel de gestelde schending van een verdragsrecht of de voortduring daarvan voorkomen, ofwel een adequate redress bieden voor een reeds voorgevallen schending. Een remedie is in een dergelijk geval effectief indien deze de beslissing van de rechter kan versnellen of redress kan bieden na overschrijding van de redelijke termijn. Dat duidt dus op een keuzemogelijkheid voor de lidstaat. Die ligt, naar Nederlandse maatstaven bezien, ook voor de hand. Het is weinig aannemelijk dat de Staat een rechter kan dwingen een vonnis versneld uit te spreken.
146. Niettemin overweegt het EHRM vervolgens dat een preventieve oplossing te verkiezen is boven schadevergoeding. Het EHRM heeft blijkens zijn overwegingen het oog op een remedie die rechterlijke procedures versnelt (‘expedite the proceedings’). Zo’n remedie heeft een belangrijk voordeel boven compensatie, reeds omdat het een opeenstapeling van schendingen voorkomt. Bij een heel lang lopende procedure zou een klager bijvoorbeeld meerdere procedures tegen de Staat aanhangig moeten maken om steeds weer nieuwe schadevergoeding te vorderen in de hoop dat die schadevergoeding een prikkel is tot haast.
147. Hoewel de voorkeur van het Hof voor een preventieve remedie nadien nog is herhaald, is de mogelijkheid voor een lidstaat om te kiezen voor een herstel achteraf, dus een schadevergoeding, blijven bestaan.2 Die financiële remedie moet aan een aantal voorwaarden voldoen:3
een verzoek tot compensatie moet binnen een redelijke termijn worden behandeld;
compensatie moet onmiddellijk worden voldaan, niet later dan zes maanden nadat de beslissing waarmee de compensatie is toegekend, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden;
de procedure voor compensatie moet voldoen aan de eisen van fairness zoals neergelegd in art. 6 EVRM;
de regels met betrekking tot juridische kosten mogen geen onevenredig zware last op de verzoekers leggen indien hun verzoek gerechtvaardigd is;
compensatie mag niet onredelijk zijn in vergelijking met oordelen van het Hof in vergelijkbare zaken.
148. Zoals ik al opmerkte, is het moeilijk voorstelbaar dat een Nederlandse rechter door de minister of de Raad voor de Rechtspraak gedwongen wordt een bepaalde zaak met voorrang te behandelen. De volgorde waarin zaken worden behandeld is bovendien niet willekeurig (of aan het oordeel van een andere rechter onderworpen), maar wordt bepaald door de volgorde waarin zij op de rol voorkomen.4 De Code zaakstoedeling waarborgt bovendien dat ‘inmenging met de toedeling van zaken van buitenaf’ wordt voorkomen. Naar Nederlands recht is een bevel dat ertoe strekt een zaak met voorrang te behandelen ook om die reden niet goed denkbaar, en een rechterlijk bevel al helemaal niet. Ik acht het uitgesloten dat een (voorzieningen)rechter een collega-rechter via de rechtspersoon de Staat der Nederlanden zal bevelen binnen een bepaalde termijn uitspraak te doen.
149. Om dat verder te onderbouwen, moet ik een uitstapje maken naar een strafvorderlijke getinte Nederlandse zaak.5 Eisers in die civiele zaak waren de nabestaanden van een man die tijdens een aanhouding door de politie om het leven is gekomen. Tegen een aantal van de betrokken agenten is vervolging ingesteld. In die strafzaak hebben de nabestaanden verzocht om kennis te kunnen nemen van de namen van de betrokken agenten. De strafrechter had dat verzoek afgewezen, waarna de nabestaanden in een civiel kort geding tegen de Staat een bevel vorderden om hen de namen van de agenten te verstrekken. Die vordering is door de rechtbank en het hof afgewezen. De Hoge Raad verwierp de tegen die afwijzing gerichte klachten en overwoog dat de aanvullende rechtsbescherming die de burgerlijke rechter kan bieden, geen betrekking heeft op voorzieningen die partijen uitsluitend verlangen met het oog op de procesvoering in de rechtsgang bij een andere rechter. In die andere rechtsgang zijn partijen aangewezen op de voor die rechtsgang geldende regels en mogelijkheden en het is aan die andere rechter om te beslissen over de uitleg en toepassing van de regels en mogelijkheden.
150. Dit is een wat a-specifieke zaak, die niet één op één vergelijkbaar is met de situatie waarin een overschrijding van de redelijke termijn dreigt. Maar het uitgangspunt dat de burgerlijke rechter zich niet met de rechtsgang in een andere procedure moet bemoeien is er stellig in neergelegd en is breder toepasbaar.6 Ik vind daarin steun voor mijn visie dat de burgerlijke rechter niet een bevel aan de Staat zal kunnen geven dat ertoe strekt dat een andere rechter binnen een bepaalde termijn uitspraak zal moeten doen. Dat heeft overigens ook een meer constitutioneel aspect: het is niet aanvaardbaar dat de Staat als uitvoerende macht een rechter beveelt om een bepaalde zaak bij voorrang te behandelen (en dus een andere zaak achter te stellen). De onafhankelijkheid van de rechter staat daaraan in de weg. De preventieve remedie bij een dreigende overschrijding van de redelijke termijn zal in de Nederlandse context dan ook niet goed toepasbaar zijn.
151. Terug naar de overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad heeft zich (vanzelfsprekend) ook over deze materie moeten buigen. In een onteigeningszaak, waarin de Hoge Raad er om cassatietechnische redenen vanuit moest gaan dat art. 6 EVRM geschonden was, werd een schadevergoeding gevorderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.7 Die vordering kon in dat geding niet slagen omdat een gemeente de wederpartij was van de eiser, en niet de Staat. De Hoge Raad koos ervoor om niet in een lopende procedure een mogelijkheid te creëren om de Staat op te roepen, zoals in bestuursrechtelijke procedures wel is gebeurd. In navolging van het EHRM overwoog de Hoge Raad dat een vordering uit onrechtmatige daad tegen de Staat een voldoende effectief rechtsmiddel kan bieden tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Wat opvalt is dat de Hoge Raad daaraan toevoegde dat een partij die zo een procedure tegen de Staat aanhangig moet maken, niet opnieuw griffierecht hoeft te betalen. Die beslissing past goed bij de hiervoor weergegeven voorwaarden, waaruit volgt dat geen onnodige drempels mogen worden opgeworpen. De Hoge Raad verwees ter motivering van deze beslissing terecht naar de eis van een effective remedy van art. 13 EVRM.
152. Aan de Hoge Raad lag in deze zaak niet de vraag voor of een andere remedie dan schadevergoeding kon worden toegewezen. Zoals ik hiervoor al opmerkte, acht ik een andere remedie binnen het Nederlandse systeem niet goed denkbaar. Daarmee kan deze materie dienen als voorbeeld voor een situatie waarin een preventieve remedie wel wenselijk, maar in de Nederlandse context niet haalbaar is.