Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.4.2
V.4.2 Formele taakverdeling
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242803:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:129a/239a BW, aant. 3.1 en 3.2; en Mussche 2017, p. 426 en 433.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 15 (MvA). Zie hierover ook De Groot, O&F 2013, afl. 1, p. 9.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 2 (NV). Deze opvatting is eveneens te vinden in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen, zie Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 3, p. 11 (MvT).
Idem onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/441; Borrius 2012, p. 113; Bulten 2012, p. 10; De Groot, O&F 2013, afl. 1, p. 7-9; Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 169; Van Olffen 2009, p. 31 en 39, die zijn standpunt herhaalt in Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89; en Van Olffen, De Kluiver & Legein 2012, p. 30.
In het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen werd aanvankelijk voorgesteld het huidige art. 2:9 lid 1 BW te verplaatsen naar art. 2:9 lid 2 BW (voorstel). Opvallend was dat de woorden ‘bij of krachtens de wet’ niet in de tekst van het voorgestelde art. 2:9 lid 2 BW voorkwamen. De voorgestelde tekst van art. 2:9 lid 2 BW repte slechts van een taakverdeling ‘bij of krachtens de statuten’. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 2, p. 1. Deze voorgestelde wijziging is later bij nota van wijziging ingetrokken, zie Kamerstukken II 2018/19, 34 491, 7, p. 1 (NvW).
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 7 (MvT).
Evenzo Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 215. Anders: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/121 en 185; en Huizink, GS Rechtspersonen,art. 2:9 BW, aant. 6. De opvatting van laatstgenoemde auteurs vindt mijns inziens geen steun in de wettekst. Art. 2:129a/239a lid 1 BW bepaalt slechts dat de toezichtstaak niet door een taakverdeling aan de niet-uitvoerende bestuurders kan worden ontnomen. Daarnaast kunnen het voorzitterschap van het bestuur, het doen van voordrachten voor de benoeming van een bestuurder en het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders niet aan een uitvoerend bestuurder worden toegekend. Art. 2:129a/239a lid 1 BW bevat derhalve slechts begrenzingen in de mogelijkheid tot taakverdeling. Ik kom hier in § V.5.2 op terug.
Zie hierover § V.7.4 en § VI.5.6.
Zie hierover § IV.2.1.2 en § V.7.4.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 2 (NV).
Idem onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/441; Borrius 2012, p. 113; Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 169; Van Olffen 2009, p. 31 en 39, die zijn standpunt herhaalt in Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89; en Van Olffen, De Kluiver & Legein 2012, p. 30. Anders: Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:129a/239a BW, aant. 3.1 en 3.2; en Mussche 2017, p. 426 en 433. Bij het standpunt van Huizink en Mussche stond ik hiervoor al stil.
Zie art. 59 lid 2 LVBA. Op Curaçao, St. Maarten en de BES-eilanden verschilt de regeling op dit punt niet van de Nederlandse regeling, zie art. 2:14 lid 2 BWC/BW-SM/BW-BES.
De eerste volzin van art. 59 lid 2 LVBA luidt als volgt: “De statuten [cursivering NK] kunnen voorzien in een nader omschreven taakverdeling.” Van Veen & Bellingwout 2008, p. 106, schrijven dat de taken ook bij reglement kunnen worden verdeeld. De wettekst biedt mijns inziens geen aanknopingspunt voor hun opvatting.
Idem Van Olffen 2009, p. 31, die zijn standpunt herhaalt in Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89; en Van Olffen, De Kluiver & Legein 2012, p. 30.
Zie bijvoorbeeld art. 14.2, 14.3 en 14.5 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017 en art. 2 van het bestuursreglement van Amsterdam Commodities NV; art. 16.2-16.4 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016 en art. 3-7 van het bestuursreglement van OCI NV d.d. 15 november 2017; art. 18.2 t/m 18.4 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019; en art. 23.2, 23.4 en 26.1 van de statuten van Unilever NV d.d. 9 mei 2012 en art. 6-8 van het bestuursreglement van Unilever NV d.d. 1 februari 2018.
Zie bijvoorbeeld art. 22.2 jo. 20.1 van de statuten van Altice Europe NV d.d. 6 november 2019 en art. 2 van het bestuursreglement van Altice Europe NV d.d. 20 november 2018.
Bij geen van de vijf beursvennootschappen die ik in mijn onderzoek heb betrokken (zie § I.3.4), is de taakverdeling uitgewerkt in de statuten.
Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91.
De bevoegdheid om de statuten te wijzigen komt ex art. 2:121/231 lid 1 BW toe aan de algemene vergadering.
Onder anderen Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 214; en Mussche 2017, p. 426-427.
Aldus ook Mussche 2017, p. 427.
Voor de taakverdeling tussen de bestuurders moet worden teruggevallen op art. 2:9 lid 1 BW. De bestuurstaken kunnen op grond van deze bepaling ‘bij of krachtens de wet of de statuten’ worden verdeeld. Een taakverdeling die conform art. 2:9 lid 1 BW op de wet of de statuten berust, duid ik aan met de term ‘formele taakverdeling’.
Dat de taakverdeling tussen de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders op grond van art. 2:9 lid 1 BW ‘bij of krachtens de statuten’ kan geschieden, is door Huizink en Mussche bestreden. Zij menen dat de taakverdeling op grond van art. 2:129a/239a lid 1 BW steeds in de statuten moet worden opgenomen. Art. 2:9 lid 1 BW geldt volgens hen enkel voor de taakverdeling tussen de uitvoerende bestuurders onderling en de niet-uitvoerende bestuurders onderling.1
In de parlementaire geschiedenis van de Wet bestuur en toezicht is een aanknopingspunt voor de opvatting van Huizink en Mussche te vinden. De memorie van antwoord leert dat “de verdeling van de bestuurstaken over uitvoerende en niet uitvoerende bestuurders steeds in de statuten moet worden bepaald”.2 Maar de minister is niet consistent. In de nota naar aanleiding van het verslag gaf hij aan dat het monistische bestuursmodel een statutaire grondslag moet hebben, terwijl de taakverdeling tussen de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders ‘bij of krachtens de statuten’ kan geschieden.3
Intussen ben ik van mening dat Huizink en Mussche het niet bij het rechte eind hebben. Zij baseren hun standpunt ten onrechte op art. 2:129a/239a lid 1 BW. Volgens mij volgt uit art. 2:129a/239a lid 1 BW slechts dat de keuze voor het monistische bestuursmodel in de statuten moet worden vastgelegd. De daadwerkelijke taakverdeling tussen de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders kan vervolgens op grond van art. 2:9 lid 1 BW ‘bij of krachtens de statuten’ geschieden. Hetzelfde geldt voor de taakverdeling tussen de uitvoerende bestuurders en de niet-uitvoerende bestuurders onderling.4
Art. 2:9 lid 1 BW biedt veel vrijheid om tot een taakverdeling te komen. De woorden ‘bij of krachtens de wet’ impliceren dat een taakverdeling binnen het bestuur allereerst uit de wet kan volgen.5 Ook de minister lijkt deze woorden zo te interpreteren: “Omdat de taakverdeling, voor zover al niet uit de wet kenbaar (vgl. artikel 2:129a/239a lid 1 BW) [cursivering NK], bij of krachtens de statuten (…)”.6 Het is niet meteen duidelijk waar de minister met de woorden ‘voor zover al niet uit de wet kenbaar’ op doelt.
Art. 2:129a/239a lid 1 BW begrenst weliswaar de vrijheid om de taken en bevoegdheden binnen een one tier board te verdelen, maar dat betekent niet dat art. 2:129a/239a lid 1 BW een taakverdeling behelst.7 Volgens mij bevat Boek 2 BW slechts een dwingende taakverdeling voor structuurvennootschappen met een monistisch bestuursmodel. Ik wijs bijvoorbeeld op art. 2:164a/274a lid 2 BW. Hieruit volgt dat de niet-uitvoerende bestuurders de uitvoerende bestuurders benoemen.8 Een ander voorbeeld is te vinden in art. 2:164a/274a lid 1 jo. 2:158/268 lid 4 BW. Op grond van deze bepaling behoren de niet-uitvoerende bestuurders een voordracht op te maken voor de benoeming van een niet-uitvoerend bestuurder.9
Voorts bepaalt art. 2:9 lid 1 BW dat de bestuurstaken ‘bij of krachtens de statuten’ kunnen worden verdeeld. Dit betekent in de eerste plaats dat de taakverdeling in de statuten zelf kan worden opgenomen. In dat geval is sprake van een taakverdeling ‘bij de statuten’. De wetgever heeft bewust voor de formulering ‘bij of krachtens de statuten’ gekozen, zodat de uitwerking van de taakverdeling ook bij reglement of bestuursbesluit kan geschieden. Een voorwaarde is dan wel dat de basis voor die uitwerking in de statuten is neergelegd.10
Ik ben kortom van mening dat zowel de taakverdeling tussen de gezamenlijke uitvoerende bestuurders en de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders als tussen de uitvoerende bestuurders en de niet-uitvoerende bestuurders onderling ‘bij of krachtens de statuten’ kan geschieden.11 De regeling is daarmee minder statisch dan de Arubaanse regeling.12 Daar moet de taakverdeling steeds in de statuten worden vastgelegd, zo meen ik te lezen in art. 59 lid 2 LVBA.13 In Nederland kan de taakverdeling in de statuten zelf worden vastgelegd, maar verplicht is dat niet. De statuten kunnen voor de uitwerking van de taakverdeling ook verwijzen naar het bestuursreglement. Daarnaast kunnen de statuten bijvoorbeeld bepalen dat de bestuurders de taken onderling verdelen. Tot slot kan de taakverdeling op grond van art. 2:9 lid 1 BW gedeeltelijk in de statuten en gedeeltelijk in een bestuursbesluit of bestuursreglement worden uitgewerkt.14
Dit laatste komt in de praktijk regelmatig voor. Zo zijn de bestuurstaken bij beursvennootschappen met een monistisch bestuursmodel veelal op hoofdlijnen bij de statuten verdeeld, terwijl de concrete uitwerking van de taakverdeling bij bestuursreglement of bestuursbesluit is geschied.15 ‘Kapstokbepalingen’ zijn evenmin ongebruikelijk. De statuten bevatten in dat geval zelf geen taakverdeling, maar verwijzen uitdrukkelijk naar het bestuursreglement of bestuursbesluit waarin de taakverdeling is uitgewerkt.16
Een taakverdeling ‘bij de statuten’ wordt in de praktijk zelden aangetroffen.17 Dat is niet zonder reden. Net als Dumoulin meen ik dat het verdelen van de bestuurstaken tot het domein van het bestuur behoort. Het is aan het bestuur te bepalen of en zo ja, op welke wijze de bestuurstaken worden verdeeld.18 Bovendien kleeft aan het vastleggen van de taakverdeling in de statuten een nadeel. Aanpassing van de taakverdeling vereist in dat geval steeds een statutenwijziging.19 In de literatuur wordt terecht opgemerkt dat dit niet alleen kostbaar, maar ook tijdrovend is bij een vennootschap met een groot aandeelhoudersbestand.20 Dit probleem kan overigens eenvoudig worden omzeild door taken niet aan een specifiek persoon, maar aan een specifiek soort bestuurder zoals een ‘chief financial officer’ toe te bedelen.21