Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/1.3.3
1.3.3 Juridische voordelen
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS360983:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rehbinder, Kodifikation des Umweltrechts in Europa - Rechtsvergleichende Betrachtungen 2010, p. 97.
Michiels, Het schijnvoordeel van integrale wetgeving 2004.
In dit verband noem ik ook Blomberg/Jongma/van 't Lam &Michiels, De milieu-uitvoeringsregelingen op een A4-tje 2002. Deze auteurs noemen als hun belangrijkste conclusie 'dat er geen wezenlijke behoefte bestaat aan integratie, samenvoeging of harmonisatie van de milieu-uitvoeringsregelgeving.' Zie ook Blomberg/Michiels & Nijmeijer, Vergunningverlening in het omgevingsrecht 2005, waar de vraag naar stroomlijning of integratie wordt gesteld.
Gilhuis, Milieurecht op weg naar de jaren negentig 1989, p. 14.
In de paragrafen 1.3.2.2-1.3.2.8 noemen wetgevers ook regelmatig mogelijke voordelen van bundeling die van juridische aard zijn. In verschillende bewoordingen worden met name genoemd: systematisering, eenvoudiger regels, minder regels, effectiever regels, uniformer regels, duidelijker regels, transparanter regels, samenhang tussen regels, modernisering regels, consistentie tussen regels, minder toestemmingen, aansluiting bij internationale regels, toekomstbestendige regels, beter handhaafbare regels, flexibeler regels, meer rechtszekerheid en meer voorspelbaarheid.
Ook Rehbinder meent dat codificatie van omgevingsrecht door verschillende ideeën kan zijn ingegeven. Die bloBe systematisch geordnete Sammlung des geltenden Rechts (formale Kodifikation), die Vereinfachung, Rechtsbereinigung und innere Harmonisierung, die Wahrung des umweltpolitischen Besitzstandes (umweltpolitisches Verschlechterungsverbot) oder reine Umweltrechtsreform könnten die primare Ziele sein, die mit der Kodifikation verfolgt werden. Die meisten genannten Kodifikationsideen könnten auch neben einander verfolgt werden.'1
Het is echter de vraag of en zo ja in hoeverre dergelijke voordelen zich zullen voordoen als gevolg van bundeling. De genoemde wetgevers motiveren dat niet of nauwelijks, terwijl zulks bij een eerste beschouwing toch niet altijd voor zich lijkt te spreken.
Zo noemt de wetgever vereenvoudiging van regelgeving als voordeel van het Activiteitenbesluit. In de praktijk klagen bedrijven echter dat het Activiteitenbesluit juist ingewikkelder is geworden. Waar een horecaondernemer tot 2008 kon volstaan met het op zijn branche toegespitste Besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, moet hij de op zijn bedrijf toepasselijke regels sinds 1 januari 2008 zoeken in het Activiteitenbesluit, dat niet alleen regels bevat voor zijn bedrijf, maar eveneens voor bakkerijen, winkels en machinale timmerwerkplaatsen, en naar verwachting per 1 januari 2013 ook voor landbouwbedrijven, raffinaderijen en energiecentrales.
Een ander voorbeeld betreft uniformer regels die de wetgever als voordeel van het Activiteitenbesluit noemt. Dat het bundelen van soortgelijke regels tot uniformering kan leiden wil ik wel aannemen, maar de vraag is of bundeling noodzakelijk is voor uniformering en of bundeling altijd tot uniformering leidt. Zou uniformeren niet ook en wellicht eenvoudiger zijn bereikt door de gebundelde algemene maatregelen van bestuur als zelfstandige algemene maatregelen van bestuur te laten voortbestaan, maar aan elkaar aan te passen?
In de literatuur is door diverse auteurs ook gewezen op nadelen van bundeling. Zo meent Michiels dat een containerbegrip als duurzame leefomgeving leidt tot een schijnvoordeel van integratie van toetsingskaders vanwege het nadeel dat daarmee geen houvast meer wordt geboden, hetgeen wel het geval is met afzonderlijk geregelde en beschermde belangen.2Blomberg c.s. noemen in hun onderzoek naar de noodzaak van en de mogelijkheden tot vereenvoudiging van VROM-uitvoeringsregelingen op het gebied van het milieubeheer hun belangrijkste conclusie dat er geen wezenlijke behoefte bestaat aan integratie, samenvoeging of harmonisatie van de milieu-uitvoeringsregelgeving.'3
In mijn onderzoek wil ik mij dan ook richten op de vraag of het bij bundeling van omgevingswetten vanuit wetssystematisch oogpunt om een politieke keuze gaat die nu eens in het voordeel dan weer in het nadeel van bundeling kan uitvallen, dan wel om een keuze die (ook) voldoet aan een wetenschappelijk te verantwoorden toetsingskader. Een soortgelijke vraag stelde Gilhuis zich in 1989 in zijn Tilburgse oratie in het kader van de toen naderende Wet milieubeheer Daarbij wees hij op de noodzaak van de ontwikkeling van criteria op basis waarvan al dan niet kon worden besloten
tot integratie van bestaande wetgeving in de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne.4