Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/5.3.6
5.3.6 Het samenvoegen van juridische posities tot een goederenrechtelijk recht
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296774:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie het citaat van Smith in randnummer 161.
Schlag 2015, p. 222 noemt onder meer de begrippen ‘bundling’, ‘architecture’, ‘indivisibility’, ‘lumpiness’, ‘individuation’ en ‘composites’, die allen (vooral) betrekking hebben op het bijeenvoegen van juridische posities.
Sichelman 2019, p. [3]. Zie ook Postema 2011, p. 104, die opmerkt dat de vraag “what combinatorial principles account for familiar legal compounds?” nog niet is beantwoord.
Smith 2005, p. 71; Lueck & Miceli 2007, p. 187. Zie ook Cole 2015, p. 107, die stelt dat een (rechts)economische analyse niet zou moeten volstaan met de consequenties van het bestaan van (goederenrechtelijke) rechten, maar zich ook zou moeten bezighouden met het efficiënt structureren van deze rechten. In dezelfde zin Posner 1985, p. 92.
Smith 2012b, p. 2114. Zie verder Smith 2014, p. 96 e.v.; Smith 2015, p. 2057 e.v.; Gold & Smith 2019, p. [15] e.v.; Smith 2012a, p. 1693 e.v. Omdat Smith op een conceptueel niveau spreekt over goederenrechtelijke rechten is niet direct duidelijk of hij een ‘module’ gelijkstelt aan een subjectief (goederenrechtelijk) recht; Merrill 2012, p. 156 doet dat wel.
Smith 2012a, p. 1693.
Zie meer uitgebreid paragraaf 6.3.
192. De hiervoor besproken vraag welke juridische posities aan iemand toekomen, houdt sterk verband met de hieronder te bespreken vraag welke juridische posities samen onderdeel uitmaken van een subjectief recht. Een daarvoor belangrijk inzicht uit de (rechts)economie is de gedachte dat het vermogensrecht het aangaan van transacties versimpelt om transactiekosten tegen te gaan. Dat uit zich in het feit dat juridische posities bij elkaar worden gebundeld tot subjectieve rechten.1 Dit inzicht is onder verschillende benamingen bekend komen te staan.2 Een voldragen theorie om te verklaren welke juridische posities bij elkaar moeten worden gebundeld tot een subjectief recht, is echter nog niet ontwikkeld.3 Dat heeft er (deels) mee te maken dat veel van de literatuur over goederenrechtelijke rechten vooral betrekking heeft op de functie die goederenrechtelijke rechten in het maatschappelijk verkeer vervullen in plaats van de juridisch-inhoudelijke aspecten van goederenrechtelijke rechten.4 Verdere tekortkomingen in de huidige doctrine bespreek ik in paragraaf 5.4.
193. De meest uitgedachte opvatting om te verklaren welke juridische posities samen onderdeel uitmaken van een goederenrechtelijk recht, is die van Smith. Hij stelt dat goederenrechtelijke rechten functioneren als ‘modules’ voor het verwerken van informatie over hoe mensen zich dienen te gedragen ten aanzien van een rechtsobject.5 Binnen een module geldt een hogere informatiedichtheid dan daarbuiten. Een buitenstaander hoeft alleen te weten dat hij zich van inbreuk dient te onthouden, waardoor transactiekosten worden verlaagd. Met een ‘insider’ kunnen gedetailleerde afspraken gemaakt worden om de meerwaarde te verzilveren die in het rechtsobject besloten ligt. Een voorbeeld daarvan is het opsplitsen van een gebouw in appartementsrechten; buitenstaanders hoeven enkel te weten dat ze het gebouw niet mogen betreden, terwijl met de verschillende bewoners gedetailleerde afspraken kunnen worden gemaakt over wie precies wat mag. Dit komt sterk overeen met het verschil tussen ‘exclusion strategies’ en ‘governance strategies’ (zie randnummer 186), oftewel het weergeven van subjectieve rechten als een verzameling van juridische posities tussen enerzijds de gerechtigde en derden (een ‘perimeter of protection’) en anderzijds tussen de gerechtigde en selecte anderen (hetgeen met het recht wordt beoogd af te spreken) (zie randnummer 88). De toevoeging van Smith is om een verklaring te bieden voor dit duale karakter. Dit doet hij door de nadruk te leggen op het verschil in informatiebehoefte tussen beide groepen. De afspraken die insiders maken hebben namelijk geen gevolgen voor buitenstaanders. Zo maakt het voor buitenstaanders niet uit welke afspraken de bewoners van een appartementencomplex maken over de inleg voor de gezamenlijke opstalverzekering, of over welk gebruik is toegestaan van de gezamenlijke ruimten. Iedere partij hoeft daarom slechts de informatie over het rechtsobject te verwerken die voor hem relevant is. Dat zorgt ervoor dat transactiekosten tot een minimum worden beperkt.
194. In de benadering van Smith is voor het rechtsobject wederom een belangrijke plaats ingeruimd. Voor buitenstaanders is het nodig dat zij weten op welk rechtsobject zij geen inbreuk mogen maken; voor insiders is nodig dat zij weten ten aanzien van welk rechtsobject zij gehouden zijn prestaties te verrichten (vergelijk randnummer 98). Wat er precies onderdeel uitmaakt van het rechtsobject bepaalt dus (mede) de juridische posities van de gerechtigde en zijn wederpartijen. Dat leidt ertoe dat juridische posities worden bijeengevoegd “that tend to be strong complements”.6 Wélke juridische posities dat zijn, wordt in het kader van deze discussie in de (Anglo-) Amerikaanse rechtsliteratuur niet beantwoord.7