Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/5.3.6
5.3.6 Procesrechtelijke uitzonderingen
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS360707:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G J. Remmelink voor HR 25 november 1975, ECLI:NL:PHR:1975:AB5990, NJ 1976/176, m.nt. Th.W. van Veen.
Bijv. HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983, NJ 1995/500, m.nt. T.M. Schalken; HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3428, NJ 2016/116, m.nt. T.M. Schalken; HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16, NJ 2016/117, m.nt. T.M. Schalken.
De Hullu 1989, p. 468.
HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108; HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3428, NJ 2016/116, m.nt. T.M. Schalken; HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16, NJ 2016/117, m.nt. T.M. Schalken.
De Hullu 1989, p. 365.
De Hullu 1989, p. 170.
Ontwerp tot vaststelling van een wetboek van strafvordering 1913 (Toelichting), p. 331-334; De Hullu 1989, p. 108, 114; Corstens/Borgers 2014, p. 888, onder verwijzing naar De Hullu 1989.
Annotatie T.M. Schalken, NJ 2016/117.
Bijv. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/ 108; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2753, AA 2016/201, m.nt. T. Kooijmans; HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3428, NJ 2016/116, m.nt. T.M. Schalken; HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16, NJ 2016/117, m.nt. T.M. Schalken.
Vgl. annotatie G.E. Mulder bij HR 18 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:ZB0159, NJ 1976/502: ‘Het opmerkelijke van de onderhavige beslissing is, dat zij niet aanleunt bij een bestaande rechtsregel. (…) Het arrest lijkt een “cri de justice”.’ Verdragsbepalingen als art. 6 EVRM, art. 2 Zevende Protocol bij het EVRM en art. 14 lid 5 IVBPR worden in de jurisprudentie niet beschouwd als grondslag hiervoor. Art. 6 EVRM verplicht staten namelijk niet tot het openstellen van rechtsmiddelen (EHRM 17 januari 1970, 2689/65 (Delcourt t. België); HR 24 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0585, NJ 1992/672, m.nt. P.A. Stein; HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9561, NJ 2001/232; Keulen 2012, p. 5, 21); art. 2 Zevende Protocol bij het EVRM is door Nederland niet geratificeerd (Corstens/Borgers 2014, p. 893); art. 14 lid 5 IVBPR is volgens de Hoge Raad niet eenieder verbindend (HR 18 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9229, NJ 1987/62; Corstens/ Borgers 2014, p. 893).
Annotatie G.E. Mulder bij HR 18 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:ZB0159, NJ 1976/502, waarin ook wordt ingegaan op de strenge lijn van de Hoge Raad tot dan toe.
HR 18 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:ZB0159, NJ 1976/502, m.nt. G.E. Mulder.
Bijv. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/ 108; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2753, AA 2016/201, m.nt. T. Kooijmans; HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3428, NJ 2016/116, m.nt. T.M. Schalken; HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16, NJ 2016/117, m.nt. T.M. Schalken.
HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:3253.
Bijv. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/ 108; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2753, AA 2016/201, m.nt. T. Kooijmans; HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3428, NJ 2016/116, m.nt. T.M. Schalken; HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16, NJ 2016/117, m.nt. T.M. Schalken.
HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2064, NJ 2001/696, m.nt. J. de Hullu.
Vergelijkbaar is HR 7 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AB9757, NJ 1998/577, waarin de verdachte door zijn psychische gesteldheid volgens de raadsman zijn dagvaarding niet begreep. Volgens de Hoge Raad had het hof bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep moeten onderzoeken of dientengevolge het verzuim om het hoger beroep tijdig in te stellen niet aan de verdachte kon worden toegerekend.
Ook in die zin annotatie T. Kooijmans, AA 2016/201, p. 206, 207, onder verwijzing naar HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2750.
HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2753, AA 2016/201, m.nt. T. Kooijmans.
HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856, NJ 2014/231.
Ook in die zin annotatie J. De Hullu, NJ 2001/696; Corstens/Borgers 2014, p. 944.
Annotatie T.M. Schalken bij HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983, NJ 1995/500. Dat wekt associaties met de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 lid 2 BW (hoofdstuk 4, par. 4.2.1).
HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3428, NJ 2016/116, m.nt. T.M. Schalken.
HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16, NJ 2016/117, m.nt. T.M. Schalken. Schalken uit in zijn annotatie kritiek op de strenge eisen in beide zaken.
Kamerstukken II 1974/75, 13494, 3, p. 7, waar geen vindplaats wordt genoemd van het advies van de Hoge Raad. De bestuursrechtelijke bepaling die werd genoemd was art. 84 lid 2 Beroepswet: ‘De Raad van Beroep is bevoegd bij gemotiveerde beslissing te verklaren, dat een na de beroepstermijn ingediend klaagschrift geacht wordt tijdig te zijn ingekomen, indien de klager redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest’.
Kamerstukken II 1974/75, 13494, 3, p. 7, 8.
In het civiele recht in hoofdstuk 4, par. 4.2.3, a; in het bestuursrecht in hoofdstuk 6, par. 6.3.2, d.
Hof Leeuwarden 4 augustus 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BE2745. Het ging om een beslissing krachtens artikel 13b Wahv, ten aanzien waarvan het hof eerder had beslist dat daartegen op grond van de wet geen hoger beroep open staat omdat de wet in die mogelijkheid niet voorziet (Hof Leeuwarden 13 november 2002, ECLI:NL:GHLEE:2002:AF0697).
Over dit rechtsmiddelverbod De Hullu 1989, p. 393; Hielkema & Tebbenhoff Rijnenberg, in: T&C Sv 2010, art. 404 Sv (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 2 januari 2017), aant. 4b.
Tegen een verstekvonnis voor een overtreding in een zaak waarin de verdachte niet op de hoogte was van de zitting, kan de verdachte wel hoger beroep instellen (art. 404 lid 3 Sv).
Cassatie kan niet worden ingesteld tegen een veroordeling voor een overtreding zonder straf of maatregel (art. 9a Sr) of tot een geldboete van maximaal € 250 (art. 404 lid 4 en 427 Sv). Tegen veroordelingen krachtens lagere wetgeving is wel cassatie mogelijk (art. 404 lid 4 Sv).
De Hullu 1989, p. 397-399, 414.
Dit komt aan de orde in hoofdstuk 4, par. 4.2.3, a.
HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637, m.nt. H.J. Snijders; hierover ook Snijders & Wendels 2009, p. 43; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/25 (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2012)); Stein/ Rueb, Gras & Jongbloed 2015, p. 277.
Annotatie H.J. Snijders, NJ 2007/637. Vlg. annotatie W.L. Haardt, NJ 1987/1000: ‘Het bespaart ook aan de appelrechters veel moeizaam werk in dikwijls niet erg belangrijke zaken’.
Vgl. voor het civiele recht hoofdstuk 4, par. 4.2.3, a.
Hoofdstuk 4, par. 4.2.3, a en hoofdstuk 6, par. 6.3.2, d.
Hof Arnhem 28 augustus 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:BC8274.
Het Hof Arnhem liet bijvoorbeeld uitdrukkelijk in het midden of dat in bijzondere omstandigheden is toegestaan (Hof Arnhem 28 augustus 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:BC8274).
‘Naar het oordeel van het hof staat tegen een beschikking op een bezwaarschrift ex artikel 7, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geen rechtsmiddel open. Nog daargelaten of dat anders kan zijn als bij de voorbereiding van de beschikking zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, [...].’
Ook wel misbruik van recht of misbruik van bevoegdheid genoemd; de termen worden hier door elkaar gebruikt.
Hoofdstuk 4, par. 4.2.2.
Hoofdstuk 6, par. 6.3.4, b.
Hoofdstuk 4 par. 4.2.2.
Hoofdstuk 4, par. 4.2.2.
Hoofdstuk 4, par. 4.2.2.
Cleiren 1990.
Cleiren 1990, p. 155.
HR 4 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2968. Het gvo, een rechterlijk vooronderzoek (dat volgens de wetgever waarborg was voor grotere onpartijdigheid en objectiviteit dan bij het OM verwacht kon worden) (Corstens/Borgers 2014, p. 357), bestaat sinds 1 januari 2013 niet meer. Zie art. 181-241c Sv (oud) en Kamerstukken II 2009/10, 32177, 2 en 3.
HR 2 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5076, NJ 2009/7.
Cleiren 1990, p. 155; conclusie J.W. Fokkens voor HR 12 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0317, NJ 1996/275; annotatie A.C. ‘t Hart bij HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AC2332, NJ 1999/450.
Par. 5.2.3, b.
Cleiren 1990, p. 157
Hoofdstuk 3, par. 3.2.
Ook in die zin Cleiren 1990, p. 161.
Ook in die zin Cleiren 1990, p. 161. Vgl. de beslissing van de wetgever van 1926 om een verdachte niet de bevoegdheid te verlenen een rechtsmiddel in te stellen als diens belang daarbij ontbreekt (conclusie A-G A.J.A. Van Dorst voor HR 3 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2917, NJ 2000/144, onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij art. 404 Sv; Ontwerp tot vaststelling van een wetboek van strafvordering 1913 (Toelichting), p. 333).
Ook in die zin Cleiren 1990, p. 160-162; annotatie A.C. ‘t Hart bij HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AC2332, NJ 1999/450.
Cleiren 1990, p. 161, 162; annotatie A.C. ‘t Hart bij HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AC2332, NJ 1999/450.
Corstens/Borgers 2014, p. 890.
HR 12 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0317, NJ 1996/275.
HR 27 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8473, NJ 1993/352, m.nt. G.J.M. Corstens.
Corstens is in zijn annotatie kritisch hierover (NJ 1993/352): de wetgever heeft een geval als dit waarschijnlijk niet voorzien, en het zou een ‘zeker niet onredelijke uitleg’ van de wet zijn als de eis van het opgeven van de identiteit van de verdachte zou worden ingelezen, ook gelet op recentere andere wetgeving waarin de eis wel was neergelegd.
Ontwerp tot vaststelling van een wetboek van strafvordering 1913 (Toelichting), p. 331: ‘in de eerste plaats voorzeker is het appel voor de verdachte te behouden. [… D]iens bevoegdheid om […] zijn zaak aan het oordeel van de hogere rechter te onderwerpen, wordt zozeer als een hem noodzakelijk toekomend recht beschouwd, dat het ontnemen van appel aan de verdachte beslist als onrecht zou worden gevoeld’.
HR 14 april 1981, ECLI:NL:HR:1980:AC3518, NJ 1981/401, m.nt. Th.W. van Veen; HR 18 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9229, NJ 1987/62; Corstens/Borgers 2014, p. 893.
Daargelaten de vraag of van misbruik van het recht om een rechtsmiddel in te stellen wel sprake kan zijn als de feitenrechter een grondrecht van de verdachte heeft geschonden.
HR 22 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9649, NJ 1994/306, m.nt. Th.W. van Veen.
Hof Amsterdam 15 april 1993, ECLI:NL:GHAMS:1993:AC4120, NJ 1993/478.
HR 18 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0652, NJ 1997/411.
Dat blijkt uit de uitspraak van het hof en de conclusie van A-G A.J.A. Van Dorst.
HR 22 februari 1943, NJ 1943/350.
De conclusie voor het arrest.
Per 1 januari 2005, Stb. 2004, 382; Kamerstukken II 2000/01, 27632, 3, p. 1-3.
Kamerstukken II 2000/01, 27632, 3, p. 3.
De uitspraken van de Rechtbank Amsterdam en de Rechtbank Den Haag zijn de duidelijkst gemotiveerde voorbeelden van een uitzondering op het wettelijke spreekrecht. Dat komt misschien doordat dergelijke beslissingen niet vaak (beargumenteerd) worden opgenomen in de einduitspraak, terwijl er doorgaans ook geen uitgebreide tussen-uitspraak wordt gedaan zoals de Rechtbank Amsterdam deed. Het spreekrecht is wel in meer gevallen op ongeschreven gronden toegekend, maar omdat de redenen daarvoor niet blijken, worden die uitspraken hier verder buiten beschouwing gelaten. Een voorbeeld: de Rechtbank Alkmaar verleende spreekrecht aan de wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige zoon van de partner van een slachtoffer van moord, zonder te vermelden dat zij dit op ongeschreven gronden deed of deze beslissing te motiveren (Rb. Alkmaar 10 november 2009, ECLI:NL:RBALK:2009:BK2830).
Rb. Den Haag 23 maart 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2444.
Uit het arrest van het hof blijkt niet of de nabestaande ook in hoger beroep het spreekrecht heeft uitgeoefend (Hof Den Haag 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686). De Hoge Raad liet het arrest van het hof in stand (HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1420).
Rb. Amsterdam 15 december 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8313, Tijdschrift voor familie- en jeugdrecht 2012/28, m.nt. R. de Jong (Amsterdamse zedenzaak, Robert M.).
Het wetsvoorstel was nog niet ingediend bij de Tweede Kamer; er was slechts een voorontwerp voor advies aan verschillende instanties voorgelegd, zoals verderop in dit hoofdstuk wordt besproken.
De Rechtbank Amsterdam veroordeelde (later) de verdachte tot achttien jaar gevangenisstraf en tbs (Rb. Amsterdam 21 mei 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW6148). Van het hof mochten de ouders het spreekrecht op dezelfde wijze uitoefenen; daartoe hadden zij toen ook (sinds 1 september 2012) de wettelijke bevoegdheid, zoals later in dit hoofdstuk aan de orde komt (Hof Amsterdam 26 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8885). De Hoge Raad verminderde de straf vanwege overschrijding van de redelijke termijn en liet het arrest voor het overige in stand (HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2668, NJ 2015/71, m.nt. B.F. Keulen).
Volgens een annotator interpreteerde de Rechtbank Amsterdam (annotatie R. de Jong, Tijdschrift voor familie- en jeugdrecht 2012/28).
In juni 2011 (Kamerstukken II 2011/12, 33176, 3, p. 2). Wel was op 5 november 2009 een motie ingediend waarin de regering werd verzocht het spreekrecht uit te breiden tot de wettelijke vertegenwoordigers van slachtoffers (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 VI, 29), en had de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op 29 oktober 2010 laten weten dat hij na de evaluatie van het wettelijke spreekrecht uitbreiding overwoog (Kamerstukken II 2010/11, 32500 VI, 9).
Ingediend op 11 februari 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33 176, 1 en 2) en aangenomen op 29 mei 2012 (Handelingen II 2011/12, 88, p. 23).
Rb. Amsterdam 21 juni 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW9108 (Amstelveense zedenzaak).
De rechtbank impliceert dat zij daarom zelf mag beslissen of deze ouders spreekrecht hebben. Dat lijkt mij niet juist. Aangezien de wet de personen met spreekrecht noemt, en niet de ouders van jonge minderjarigen vermeldt, is duidelijk dat hun volgens de wet het spreekrecht niet toekomt.
Ze benoemt verschillende malen dat zij extensief interpreteert.
Op 29 mei 2012 (Handelingen II 2011/12, 88, p. 23). De rechtbank veroordeelde de verdachten (later) tot respectievelijk 42 maanden en 9 maanden gevangenisstraf (Rb. Amsterdam 23 juli 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX2325, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX2326).
Er speelden meer omstandigheden, maar de directe aanleiding voor het verzoek was het handhaven van de beslissing van de rechtbank om spreekrecht aan de ouders te verlenen (Rb. Amsterdam 14 maart 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BV8737, NBSTRAF 2012/167, m.nt. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers). Het verzoek werd afgewezen.
Dat komt aan de orde in par. 5.2.3, a.
Par. 5.2.3 en par. 5.5.1.
Interpretatie als ‘alternatief’ voor billijkheidsuitzonderingen en de bezwaren tegen gekunstelde interpretaties komen aan de orde in par. 5.5.
Redactioneel RMThemis 2013, p. 50.
HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR1149, NJ 2012/367, m.nt. C.P.M. Cleiren. Ook in die zin HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5402, NJ 2012/574.
HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR1149, NJ 2012/367, m.nt. C.P.M. Cleiren. Ook in die zin HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5402, NJ 2012/574.
Ingediend op 11 februari 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33 176, 1 en 2), maar pas na het arrest van de Hoge Raad aangenomen op 29 mei 2012 (Handelingen II 2011/12, 88, p. 23). De vriendin in de zaak van de Hoge Raad had ook daarna volgens de wet geen spreekrecht.
Rb. Amsterdam 21 juni 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW9108 (Amstelveense zedenzaak).
Hoofdstuk 3, par. 3.5.3.
Daarover hoofdstuk 3.
Aangenomen op 10 juli 2012 (Handelingen I 2011/12, 37, p. 79), in werking getreden op 1 september 2012 (Stb. 2012, 345 en Stb. 2012, 370).
In de zaak van de Rechtbank Den Haag is wel door de Hoge Raad arrest gewezen (HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1420), maar dat had geen betrekking op het spreekrecht, dat in de uitspraak van het hof ook niet ter sprake kwam (Hof Den Haag 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686).
De zesde categorie strafrechtelijke billijkheidsuitzonderingen bestaat uit uitzonderingen op formeelrechtelijke wettelijke voorschriften. Ongeschreven uitzonderingen op rechtsmiddeltermijnen worden besproken (subpar. a). Geconstateerd wordt dat hiervan (anders dan in de andere rechtsgebieden) weinig voorbeelden bestaan (subpar. b). Vervolgens wordt ingegaan op uitzonderingen vanwege misbruik van procesrecht, die in het strafrecht ongeschreven zijn, en ook ten nadele van verdachten kunnen zijn (subpar. c). Tot slot worden uitzonderingen van feitenrechters op het slachtofferspreekrecht van artikel 51e Sv ter discussie gesteld (subpar. d).
a. Rechtsmiddeltermijnen
Uitzonderingen op wettelijke rechtsmiddeltermijnen zijn in het strafrecht ongeschreven.1 Toen de Hoge Raad de termijnen nog zonder uitzondering strikt toepaste, pleitte advocaat-generaal bij de Hoge Raad Remmelink voor buiten toepassing laten als ‘het rechtsgevoel van velen’ te zeer geschokt zou worden door toepassing. De rechter kon vanwege de algemene formulering van wetgeving beter dan de wetgever beoordelen wanneer dit zo was.2
De wettelijke hogerberoepstermijn is veertien dagen na de einduitspraak of na een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de uitspraak de verdachte bekend is (art. 408 Sv); de cassatietermijn is veertien dagen na de einduitspraak bij aanwezigheid van de verdachte ter zitting of als hij op de hoogte was van de zitting, of veertien dagen na een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is (art. 432 Sv). Bij te laat instellen van een rechtsmiddel wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard (art. 422, 440 Sv). Rechtsmiddeltermijnen zijn van openbare orde.3 Zij dienen de rechtszekerheid: de procespartijen moeten er in beginsel vanuit kunnen gaan dat een zaak is geëindigd als de termijnen zijn verstreken (lites finiri oportet).4 Het zou afbreuk doen aan de waarde van rechterlijke uitspraken als dat niet het uitgangspunt was. Verder moeten partijen kunnen weten wanneer rechtsmiddelen in te stellen.5 Ook zorgen de termijnen voor een efficiënt verloop van de zaak: het OM kan alleen onherroepelijke straffen ten uitvoer leggen (art. 557 Sv),6 en de kosten van rechtsmiddelen dienen in het algemeen belang niet uit de hand te lopen doordat ze te lang open staan.7
Toch wordt een verdachte ondanks het overschrijden van de termijn vanwege bijzondere omstandigheden wel eens ontvangen in zijn beroep. Redengevend is zijn grote belang bij het aan een hogere rechter kunnen voorleggen van aspecten uit de uitspraak in eerste aanleg, van mogelijk herstel van fouten en van in eerste aanleg nog niet besproken zaken.8 De rechter kan volgens de Hoge Raad ‘uitsluitend’ een uitzondering maken als hij na een eigen belangenafweging9 oordeelt dat ‘sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn’.10 Dergelijke uitzonderingen zijn ongeschreven.11 De Hoge Raad accepteerde ze in 1976.12
De verdachte had de volmacht tot het instellen van hoger beroep overhandigd aan een medewerker van de gevangenis waar hij verbleef, die deze aan het OM had verzonden in plaats van aan het kantongerecht.13 Daardoor was de brief een dag te laat op de juiste plaats aangekomen. De Hoge Raad overwoog dat de verdachte in zijn hoger beroep had moeten worden ontvangen, omdat de overschrijding van de termijn aan een ambtelijke fout te wijten was.
Ook ‘binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt’ (het vertrouwensbeginsel) kan de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maken.14
De verdediging had een administratief medewerker van de griffie per e-mail gemachtigd om cassatie in te stellen.15 De medewerker had de raadsman ten onrechte laten weten dat dit wettelijk mogelijk was. Volgens de Hoge Raad was het beroep ontvankelijk omdat de raadsman mocht vertrouwen op de juistheid van de ambtelijke informatie.
Er ‘kan ook worden gedacht’ aan ‘een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend’.16
De verdachte was tijdens zijn zaak in eerste aanleg en de daarop volgende rechtsmiddeltermijn met een psychose opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, waardoor hij de termijn ruim overschreden had.17 Volgens de Hoge Raad zou hij toch ontvankelijk zijn in zijn hoger beroep als hij door de psychose niet kon beoordelen of hij een rechtsmiddel moest aanwenden en het alsnog zo spoedig mogelijk had ingesteld.18
Verontschuldigbaar kan volgens de Hoge Raad voorts zijn dat de verdachte de brief waarmee hij een rechtsmiddel instelt binnen de termijn naar de verkeerde instantie heeft gezonden, die de brief heeft doorgestuurd aan het juiste orgaan, dat de brief echter na afloop van de termijn heeft ontvangen.19
De verdachte had zijn brief naar het OM gestuurd in plaats van naar de griffie van de rechtbank.20 Volgens het hof was de overschrijding van de appeltermijn niet verontschuldigbaar omdat niet bleek dat de brief binnen de termijn bij het OM was binnengekomen. De Hoge Raad achtte dat oordeel onbegrijpelijk gezien de stempelafdruk op een andere brief.
Heeft de advocaat van de verdachte de brief gestuurd, dan moet de rechtsmiddeltermijn strikt worden toegepast en is opsturen naar de verkeerde geen argument.21 Volgens de Hoge Raad is het geen ‘onredelijke eis’ dat een advocaat de regels kent.
Omdat de termijnen zien op rechtszekerheid, gelden er hoge eisen voor uitzonderingen.22 Illustratief is de opvatting in de literatuur dat het niet in behandeling nemen van het beroep ‘onaanvaardbaar’ moet zijn.23 Een verdachte mag zich er niet te gemakkelijk vanaf maken.
De verdachte had binnen de termijn aan de secretaresse van haar raadsman laten weten appel te willen instellen, maar de raadsman had dat vervolgens te laat gedaan.24 Volgens de Hoge Raad ontbraken voldoende bijzondere omstandigheden, omdat ‘de verdachte niet meer heeft gedaan dan haar wens om hoger beroep in te stellen aan de secretaresse van haar raadsman kenbaar te maken, zonder zich later ervan te vergewissen of haar raadsman aan deze wens gehoor heeft gegeven’.
De eisen waren nog zwaarder toen een verdachte zijn raadsman had verzocht hoger beroep in te stellen, en hem later was bevestigd dat dit was gebeurd – maar naar later bleek, ten onrechte.25 Ook hier moest de termijn worden toegepast: de wet verleent de verdachte ook de bevoegdheid om zelf een rechtsmiddel in te stellen, terwijl die het had overgelaten aan zijn raadsman.
De president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad wezen de wetgever erop dat het strafrecht geen wettelijke uitzonderingen bij rechtsmiddeltermijnen kent, anders dan het bestuursrecht.26 Ze zagen dan ook bezwaren tegen ‘zo’n algemene bepaling’: ‘vaagheid, onzekerheid en misbruik’.27 De toenmalige minister vond het ‘nogal complex’ of een dergelijke bepaling moest worden opgenomen. Enerzijds zou een dergelijke ‘ontsnappingsclausule’ een uitspraak mogelijk maken die ‘het rechtsgevoel meer bevredigt’, maar de rechtszekerheid van rechtsmiddeltermijnen was ook van belang.28 Tot op heden is er niet voorzien in wettelijke uitzonderingen. Dat hoeft volgens mij ook niet. De rechter heeft immers al zelfstandig een uitzonderingsbevoegdheid kunnen aannemen. Overigens noemt de wetgever niet dat ook voor die ongeschreven uitzonderingen de genoemde bezwaren tegen een hardheidsclausule gelden, terwijl een jurisprudentiële uitzondering daarom wellicht nog bezwaarlijker is dan een wettelijke. Zolang de termijnen echter bij uitzondering buiten toepassing worden gelaten, lijken de bezwaren mij een acceptabele prijs voor het verhinderen van evident onbillijke uitspraken.
b. Rechtsmiddelverboden
In de andere rechtsgebieden laat de rechter ook rechtsmiddelverboden buiten toepassing op ongeschreven gronden (en, als toepasselijk, krachtens artikel 6 EVRM).29 In het strafrecht is dat uiterst zeldzaam, en de gevallen waarin dat toch gebeurt behoren tot het bestuursstrafrecht.
Hoger beroep was ingesteld tegen een uitspraak waarin de rechtbank volgens de gemachtigde van de betrokkene een proceskostenregeling verkeerd had toegepast.30 Het Hof Leeuwarden overwoog zonder (grond)wettelijke grondslag dat volgens de wet geen hoger beroep openstaat tegen dergelijke beslissingen, maar ‘dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod is gewettigd’. In casu was dat niet het geval, omdat de rechtbank wel had beslist op het kostenverzoek van de gemachtigde, en onjuiste toepassing van de regeling geen uitzondering rechtvaardigde.
Dat het strafrecht slechts enkele voorbeelden geeft van uitzonderingen op rechtsmiddelverboden, komt mogelijk door het algemene karakter van het voornaamste strafrechtelijke rechtsmiddelverbod, namelijk dat in bagatelzaken (art. 404 en 427 Sv).31 Bij overtredingen kan de verdachte geen hoger beroep instellen als hij is veroordeeld zonder straf of maatregel (art. 9a Sr) of tot een geldboete van maximaal € 50, of hij geheel is vrijgesproken (art. 404 lid 2 Sv).32 Ook cassatiemogelijkheden in bagatelzaken zijn beperkt.33 Het rechtsmiddelverbod in bagatelzaken bestaat omdat verdachtes belang bij herstel van een uitspraak dan niet opweegt tegen het algemeen belang van een snelle berechting.34
De Hoge Raad heeft zich voor zover mij bekend niet uitgelaten over uitzonderingen op dit verbod. Door civielrechtelijke jurisprudentie kan worden verklaard dat uitzonderingen op het strafrechtelijke algemene rechtsmiddelverbod ontbreken. Ook het civiele recht kent een rechtsmiddelverbod voor bagatelzaken, namelijk als de oorspronkelijke vordering maximaal € 1750,- bedraagt (art. 332 Rv).35 Volgens de Hoge Raad mag dit vanwege zijn ratio niet in bijzondere gevallen buiten toepassing worden gelaten: de wetgever wilde geen hoger beroep wanneer ‘het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die gemoeid zijn met de behandeling van de zaak in hoger beroep’.36 Door alsnog in bagatelzaken een uitzondering te aanvaarden, zou wél een beroep openstaan op een ‘relatief te dure en tijdrovende nadere instantie’.37 De lasten voor het algemeen belang en voor (één van) de partijen wegen echter zwaarder dan het belang bij het rechtsmiddel: dat is in bagatelzaken haast per definitie immers gering. Er is daarmee minder reden voor een uitzondering. Daarvoor is slechts bij niet-verdisconteerde omstandigheden plaats, zoals wanneer een voor een relatief licht feit veroordeelde (en het rechtsmiddelverbod geldt omdat de ‘normale veroordeelde’ door zo’n veroordeling relatief beperkt is geschaad) hiervan zeer ernstige gevolgen ondervindt, bijvoorbeeld vanwege zijn beroep of andere bijzondere persoonlijke omstandigheden, terwijl zijn bezwaren tegen de veroordeling niet bij voorbaat onbeduidend of kansloos zijn. En als door toepassing van het verbod artikel 6 EVRM geschonden zou worden, bijvoorbeeld omdat in eerste aanleg fundamentele rechtsbeginselen geschonden zijn, verplicht artikel 94 Gw tot een uitzondering.38
Op de bijzondere rechtsmiddelverboden in het civiele recht en het bestuursrecht zijn wel uitzonderingen aanvaard. Deze verboden gelden afhankelijk van het onderwerp van de zaak (bijvoorbeeld bij uitspraken over de huurprijs van woonruimte, art. 7:262 BW, en over een visum voor een verblijf van negentig dagen of minder, art. 84 Vreemdelingenwet) of de processuele aard van de uitspraak (zoals bij rechterlijke beslissingen over de relatieve bevoegdheid, art. 110 lid 3 Rv, en beslissingen van de bestuursrechter om het onderzoek te sluiten voordat partijen zijn uitgenodigd te verschijnen omdat hij kennelijk onbevoegd is, art. 8:104 lid 2 Awb).39 Dergelijke uitzonderingen worden gemaakt als de rechter in eerste aanleg een (ongeschreven) fundamenteel rechtsbeginsel of een eis van goede procesorde heeft geschonden (die ook kan zijn neergelegd in art. 6 EVRM).
Hoewel ook het strafrecht bijzondere rechtsmiddelverboden kent, is er weinig strafrechtelijke jurisprudentie waarin uitzonderingen daarop worden genoemd. Een zeldzaam voorbeeld gaat over een bezwaarschrift krachtens de Wet DNA-onderzoek veroordeelden, waartegen volgens de jurisprudentie geen rechtsmiddel mogelijk is omdat er geen bepalingen zijn opgenomen waaruit dat blijkt.40
Ondanks het ontbreken van een wettelijke grondslag voor hoger beroep, had de moeder van een minderjarige dit ingesteld tegen een ongegrondverklaring van het bezwaarschrift tegen opname van het DNA-profiel van de minderjarige door de rechtbank.41 Haar argument was dat de rechtbank bij de voorbereiding van haar beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen had veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige zaaksbehandeling niet kon worden gesproken; ten onrechte was namelijk overwogen dat toepassing van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden niet valt binnen de reikwijdte van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het hof liet uitdrukkelijk in het midden of het rechtsmiddelverbod in bijzondere omstandigheden buiten toepassing kan worden gelaten,42 en oordeelde dat er in deze zaak ‘gelet op de motivering van de rechtbank’ geen fundamentele rechtsbeginselen waren veronachtzaamd.
c. Misbruik van procesrecht
Waren de billijkheidsuitzonderingen in de voorgaande paragrafen ten voordele van verdachten, zij kunnen bij rechtsmisbruik43 ook ten nadele worden gemaakt. Misbruik van recht is afkomstig uit het civiele recht,44 wordt ook in het bestuursrecht toegepast45 en komt in het strafrecht voor in de vorm van misbruik van procesrecht.
Rechtsmisbruik is niet in de strafwet neergelegd. De strafrechter noemt dan ook bij uitzonderingen vanwege misbruik van procesrecht net als de civiele rechter46 geen wettelijke grondslag. Hij acht die blijkbaar niet nodig, ook niet als een uitzondering nadelig voor de verdachte is. Toch kan artikel 3:13 BW ook in het strafrecht worden beschouwd als grondslag. Rechtsmisbruik is dan wel in het BW opgenomen, maar de wetgever bedoelde het, zoals in een eerder hoofdstuk aan de orde kwam, niet uitsluitend voor vermogensrechtelijke verhoudingen.47 Artikel 3:13 BW was gericht op misbruik van (alle) ‘subjectieve, door de wet aan iemand toegekende bevoegdheden’, en de wetgever noemde al misbruik van procesrecht. Verder nam hij artikel 3:15 BW als schakelbepaling op. Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Lid 2 leest dat een bevoegdheid ‘onder meer’ kan worden misbruikt (1) door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden, (2) met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, of (3) in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Het verbod op rechtsmisbruik beoogt volgens de wetgever ‘om het de rechter mogelijk te maken uitzonderingen aan te brengen op veelal uit de wet voortvloeiende bevoegdheden die worden gehanteerd op een wijze die – kort gezegd – niet aanvaardbaar is’.48
Zowel het OM als de verdachte kunnen misbruik maken van procesrecht. Misbruik van procesrecht van het OM past in het algemene kader van het strafproces.49 Het OM heeft immers vanwege zijn publieke taak een machtspositie ten opzichte van de verdachte: het mag de grondrechten beperken. Daarom bindt het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel het OM aan de wettelijke voorwaarden voor de bevoegdheidsuitoefening, én moet het zich houden aan (ongeschreven) beginselen van behoorlijk strafprocesrecht, waardoor het moet handelen volgens de strekking van de wettelijke bevoegdheden.50 Om dat te verzekeren kan de rechter rechtsmisbruik van het OM aannemen, ten voordele van de verdachte. De Hoge Raad stelt hieraan wel zware eisen.
Volgens de feitenrechter had het OM de bevoegdheid om een gerechtelijk vooronderzoek (gvo) in te stellen misbruikt in een zaak tegen een onbekende verdachte van een moord en twee verkrachtingen.51 Het OM wilde namelijk niet daadwerkelijk onderzoek verrichten, waarop een gvo volgens de wet was gericht, maar uitsluitend de verjaring van het vervolgingsrecht stuiten om verdachtes identiteit te achterhalen. De Hoge Raad wees echter misbruik af: de vordering was niet van elk belang ontbloot. Bij de bekendwording van verdachtes personalia zouden onderzoekshandelingen verricht kunnen worden.
In een andere zaak had het OM volgens het hof geen rechtens te respecteren belang bij voortzetting van zijn appel, aangezien het bereid was geweest het appel in te trekken als de verdachte diens appel in de samenhangende ontnemingszaak zou staken.52 Het OM had het hoger beroep dus slechts gehandhaafd vanwege verdachtes proceshouding in een andere zaak. De Hoge Raad achtte het onvoldoende duidelijk dat het belang van het OM bij het appel was vervallen. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad achtte het belang van het OM ‘gegeven’, omdat het oordeel van de rechtbank niet overeenkwam met de eis van het OM. Het oordeel was anders geweest als het OM vanaf het begin slechts had geappelleerd met het oog op onderhandelingen in de ontnemingszaak.
Voor misbruik van procesrecht door de verdachte zijn de eisen nog strikter. De verdachte heeft immers anders dan het OM geen publieke functie. Hij hoeft daarom bij de uitoefening van zijn bevoegdheden geen rekening te houden met de invloed daarvan op het OM als wederpartij of op (de voortgang van) het strafproces. Hij hoeft bijvoorbeeld niet mee te werken aan zijn eigen vervolging en is niet onderworpen aan beginselen van behoorlijke strafrechtspleging. De verdachte heeft namelijk vanzelfsprekend minder bevoegdheden dan het OM; hij heeft bijvoorbeeld geen zeggenschap over het starten van de procedure en is onderworpen aan de bevoegdheden van het OM. Deze ongelijkheid wordt gecompenseerd door verdachtes wettelijke bevoegdheden in het strafproces.53
De strenge eisen aan misbruik van procesrecht door de verdachte zijn ook aangewezen vanwege de beschermingsfunctie van het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel.54 Hoewel ook gesteld kan worden dat de verdachte door het oordeel dat hij zijn recht misbruikt niet wordt getroffen in zijn door het Wetboek van Strafvordering beschermde belangen (omdat hij dan zijn recht uitoefent met een ander doel dan waarvoor het is verleend), zal de verdachte de uitzondering ervaren als in zijn nadeel. Een uitzondering vanwege misbruik van procesrecht door de verdachte past wel binnen de tweede functie van het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel zorg te dragen voor een efficiënte strafvordering.
Daarnaast moet de rechter de belangenafweging van de wetgever bij de toekenning van rechten aan de verdachte waarborgen.55 Dat vergt volgens mij de constitutionele eis van de niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden.56Artikel 3:13 BW en de wijze waarop het wordt toegepast bewerkstelligen dat de rechten van de verdachte beperkt worden getroffen, en dat de afweging van de wetgever zo veel mogelijk wordt gerespecteerd.57 Heeft de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij de uitoefening van een bevoegdheid (criterium 1 van art. 3:13 BW), of oefent hij een recht uit met een ander doel dan waartoe het is verleend, bijvoorbeeld om het proces te vertragen (criterium 2), dan komt de rechter door de aanname van rechtsmisbruik niet in het vaarwater van de wetgever. De verdachte beoogde met uitoefening van zijn bevoegdheid dan immers niet het door de wettelijke bevoegdheid beschermde belang te dienen.58 Ook aan toepassing van het derde criterium uit artikel 3:13 BW, dat de verdachte naar redelijkheid niet tot de uitoefening van zijn bevoegdheid had kunnen komen, worden strikte eisen gesteld.59 Hoewel de strafrechter artikel 3:13 BW dus niet noemt, hanteert hij wel de criteria daarvan. De literatuur stelt de voorwaarde dat sprake is van ‘kennelijk chicaneus handelen dat volstrekt niet meer past of apert in strijd is met de strekking van de bevoegdheid en waarbij het belang van de verdachte niet meer een rechtens te beschermen belang kan worden genoemd’,60 of dat de verdachte ‘zand in de justitiële machine [wilde] gooien’.61
Het hof oordeelde het een schending van de goede strafprocesorde dat de raadsman pas aan het eind van zijn pleidooi een deskundigenrapport overlegde ter voeging in het dossier en stond dit in strijd met de wet niet toe.62 Volgens de Hoge Raad moest echter de wet worden toegepast, waarin geen moment voor het inbrengen van het rapport was uitgesloten. Het hof kon niet oordelen dat de verdachte misbruik maakte van zijn bevoegdheid.
In een andere zaak was de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn appel omdat hij zich niet wilde identificeren.63 Hoewel dat uit de wet niet volgde, was verdachtes gedrag volgens het hof ‘in strijd met een goede procesorde’. Identificatie van verdachten was in het algemeen belang ‘gelet op de wenselijkheid een betrouwbare justitiële documentatie bij te houden en de problemen die rijzen bij executie van een tegen een anonimus gewezen veroordelend vonnis’. Verder had de verdachte zijn naam niet opgegeven omdat ‘jullie er anders toch weer een nummer van maken’. Het hof vond dat een ‘nauwelijks serieus te nemen motief’, dat ‘niet [kan] worden aangemerkt als een in redelijkheid te respecteren belang bij die anonimiteit’. De Hoge Raad verwees (ook hier) naar de wet, overwoog dat ook de beginselen van behoorlijke procesorde zich niet verzetten tegen het anoniem instellen van hoger beroep, en vernietigde het arrest.64
Een andere reden voor hoge eisen aan misbruik door de verdachte van zijn recht op een rechtsmiddel, is het belang van dit recht, dat de wetgever van 1926 al benadrukte65 en dat ook blijkt uit verdragsbepalingen als (het weliswaar door de Hoge Raad niet eenieder verbindend verklaarde66) artikel 14 lid 5 IVBPR en artikel 2 van het (niet door Nederland geratificeerde) Zevende Protocol van het EVRM, waar de veroordeelde verdachte het recht ook is toegekend. Het belang van een rechtsmiddel is nog groter als de feitenrechter grondrechten van de verdachte heeft geschonden (bijvoorbeeld zijn recht op een eerlijk proces als in art. 6 EVRM).67
Ondanks de hoge eisen aan misbruik van procesrecht door de verdachte komt het een enkele keer voor.
Het hof had tijdens een eerste zitting de dagvaarding nietig verklaard, en het OM dagvaardde vervolgens opnieuw. Vlak voor de tweede zitting stelde de verdachte cassatie in tegen de eerdere nietigverklaring, waardoor het hof tijdens de tweede zitting moest wachten op de beslissing van de Hoge Raad en daarom het OM niet-ontvankelijk verklaarde. Behalve dit uitstel bereikte de verdachte niets met zijn cassatieberoep; de Hoge Raad verwierp het.68 Een derde dagvaarding volgde. Wederom stelde de verdachte vlak voor de zitting cassatieberoep in, nu tegen het arrest waarin het hof op de tweede zitting het OM niet-ontvankelijk verklaarde. De Hoge Raad oordeelde de verdachte niet-ontvankelijk in dit cassatieberoep: niet bleek ‘van enig in rechte te respecteren belang van de verdachte’. Ondertussen had ook het hof de zaak behandeld, hoewel het volgens de wet weer moest wachten op de Hoge Raad. Volgens het hof maakte verdachte ‘onmiskenbaar’ misbruik van zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen, nu het cassatieberoep geen ander doel diende ‘dan te trachten te voorkomen dat het hof aan beoordeling van de zaak in hoger beroep toekomt’.69
Een demonstrant werd vervolgd voor de bezetting van een vliegbasis.70 Het hof had het OM niet-ontvankelijk verklaard vanwege schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de andere demonstranten niet vervolgd waren. De verdachte stelde cassatie in omdat hij een verdere inhoudelijke behandeling van de zaak wenste, opdat hij de rechtszaal kon benutten als podium voor zijn gedachtegoed.71 De Hoge Raad verklaarde hem echter niet-ontvankelijk omdat hij geen veroordeling hoefde te vrezen, en hij ‘ook overigens’ geen rechtens te beschermen belang had bij het beroep.
Een rechtbank had twee zaken tegen de verdachte ambtshalve gevoegd.72 Het OM stelde in beide zaken hoger beroep in, maar dagvaardde de verdachte slechts in één ervan. Het hof verklaarde het OM niet-ontvankelijk omdat beide zaken door de voeging samen behandeld moesten worden. De verdachte ging in cassatie. De Hoge Raad zag zijn belang daarbij niet in. Bij cassatie zou de verdachte namelijk tweemaal terecht moeten staan, hetgeen ‘eerder een nadeel dan een voordeel’ was, omdat hij bij verwerping van zijn beroep slechts eenmaal voor de rechter hoefde te komen.73 De verdachte was niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
d. Het slachtofferspreekrecht (artikel 51e Sv)
Artikel 51e Sv bepaalt kort gezegd dat slachtoffers en een beperkte groep nabestaanden ter zitting in het strafproces spreekrecht hebben. Feitenrechters verleenden personen buiten die kring spreekrecht.
Artikel 51e lid 1 Sv bepaalde op het moment van de uitspraken hieronder dat ‘[h]et slachtoffer of een nabestaande […] op de terechtzitting een verklaring kan afleggen over de gevolgen die de strafbare feiten genoemd in het vierde lid bij hem teweeg hebben gebracht’. Dat zijn feiten waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en specifiek aangeduide feiten (lid 4, zoals kinderpornografie en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel of de dood als gevolg). ‘Slachtoffer’ is ‘degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden’ (art. 51a lid 1 Sv). Het spreekrecht is ingevoerd ter versterking van de positie van slachtoffers.74 De wetgever gaf hen de kans om de inbreuk toe te lichten die het feit heeft gemaakt op hun leven, opdat de rechter dat in zijn beoordeling kan betrekken, de verdachte beter beseft wat hem wordt verweten (wat recidive zou kunnen voorkomen), slachtoffers worden geholpen bij het verwerken van het misdrijf, en hun zichtbaarheid wordt vergroot (hetgeen kan resulteren in algemene preventie).75
Artikel 51e Sv is strikt en feitelijk geformuleerd: alleen slachtoffers en bepaalde nabestaanden hebben spreekrecht. De Rechtbank Amsterdam kende dit echter tweemaal ook toe aan ouders van (niet-overleden) slachtoffers; de Rechtbank Den Haag gaf het een ver familielid buiten de wettelijke kring nabestaanden.76
De Rechtbank Den Haag oordeelde over een Rwandese verdachte van foltering.77 Ze overwoog dat een familielid in de vijfde graad van het gedode slachtoffer niet viel ‘binnen de groep van nabestaanden die een afdwingbaar spreekrecht hebben’. In Rwanda werd een dergelijke familieband echter ge- zien als directe relatie, en er was binnen de wettelijke kring van spreekgerechtigden geen familielid van het slachtoffer meer in leven. Dit achtte de rechtbank ‘een omstandigheid, waarin de wetgever niet heeft voorzien’. Daarom verleende zij spreekrecht, ‘te meer nu er ook geen wettelijke bepaling is die zich daartegen verzet’. De verdediging maakte geen bezwaar.78
Soms doet de verdediging dat wel.79
Robert M. werd in de Amsterdamse zedenzaak beschuldigd van seksueel misbruik van minderjarigen die te jong waren voor de uitoefening van hun spreekrecht. Volgens de rechtbank waren de wettekst en de wetsgeschiedenis ‘zo duidelijk’ dat er geen ruimte was om hun ouders als slachtoffer in de zin van artikel 51a Sv aan te merken, waardoor zij niet vanuit deze hoedanigheid spreekrecht hadden. Bij de totstandkoming van de wet was ook besproken of slachtoffers zich kunnen laten vertegenwoordigen als zij fysiek of emotioneel onmachtig zijn tot spreken; daarop was afwijzend gereageerd. Toch liet de rechtbank de kinderen ‘voor zover zij fysiek niet in staat zijn te spreken, […] vertegenwoordigen door één van de ouders’. Dit zou liggen ‘binnen het leidend beginsel van de wet’. Daarbij was van belang dat er (volgens de rechtbank80) ‘een wetsontwerp aanhangig’ was om dit mogelijk te maken, en de ‘aard en de omvang van de strafzaak [waren] zo buitengewoon […], alsmede de mogelijke impact op de direct betrokkenen, dat het ervoor mag worden gehouden dat de wetgever, destijds bij de totstandkoming van de wet, deze niet in al hun aspecten voor ogen heeft gehad’. Verder breidde de rechtbank de mogelijke inhoud van het spreekrecht uit ten opzichte van wat de wet toestond: ‘in strikte zin’ was het beperkt tot de directe gevolgen van het feit voor het jonge slachtoffer, maar dat was ‘gezien de intense afhankelijkheid van het kind van zijn omgeving, niet acceptabel’. Een ouder mocht ook ‘de gevolgen voor hemzelf, de partner en de rest van het gezin’ vertellen.81
Niet duidelijk blijkt of de rechtbanken hun beslissingen beschouwden als interpretatie van artikel 51e Sv82 of als een uitzondering daarop.83
Het wetsvoorstel waarnaar de Rechtbank Amsterdam verwees, dat ook aan ouders van slachtoffers spreekrecht toekende, was op het moment van de uitspraak nog niet ingediend bij de Tweede Kamer; er was slechts een voorontwerp voor advies aan verschillende instanties voorgelegd.84 Vanwege het prille stadium van het ontwerp sprak het niet voor zich dat de rechtbank vooruitliep op de invoering ervan. Na de uitspraak is het voorstel ingediend bij en aangenomen door de Tweede Kamer.85 Kort daarna kwam dezelfde rechtbank tot een vergelijkbare uitspraak, nu expliciet door interpretatie van artikel 51e Sv.86
Ook in de Amstelveense zedenzaak stonden verdachten terecht voor seksuele misdrijven met zeer jonge minderjarigen, en wensten de ouders het spreekrecht uit te oefenen. De rechtbank overwoog dat de ouders niet konden worden beschouwd als slachtoffers in de zin van artikel 51a Sv, en dat ‘de wet niets uitdrukkelijk regelt over de leeftijdsgroep [van] de allerjongsten die niet in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen en niet in staat zijn te spreken’.87 Zij stelde artikel 51e Sv extensief te interpreteren88 en gaf zo de ouders spreekrecht, waarbij zij net als de ouders in de vorige zaak ook mochten vertellen over de gevolgen van het feit voor henzelf, de partner en de rest van het gezin. De rechtbank ‘liet zich leiden door’ de ontwikkeling van de versterking van de positie van slachtoffers en de genoemde doelstellingen van het slachtofferspreekrecht. Ze overwoog dat de wetgever ‘kenne- lijk steeds is uitgegaan van een slachtoffer dat in beginsel zelf kon spreken en dat er [blijkens de wetsgeschiedenis] geen aandacht is geweest voor de situatie waarin een baby of peuter slachtoffer is’. Haar extensieve interpretatie achtte zij gezien ‘de grote verbondenheid’ tussen ouders en de jonge kinderen niet strijdig met de gedachte van de wetgever ‘dat het moet gaan om de eigen ervaringen van het slachtoffers’. De rechtbank stelde geen argumenten tegen haar beslissing te zien. Toekenning en uitoefening van spreekrecht waren ‘processuele handelingen die geen afbreuk doen aan de rechtspositie van de verdachte in het strafproces’. Ook was de beslissing in lijn met het voornoemde wetsvoorstel, dat als gezegd inmiddels door de Tweede Kamer was aanvaard.89
Getwijfeld kan worden aan de juistheid van de overweging dat het toekennen van spreekrecht aan ouders geen afbreuk doet aan de rechtspositie van de verdachte. Het is veelzeggend dat de verdediging bezwaar maakte tegen de uitbreidingen van spreekrecht door de Rechtbank Amsterdam. In de Amsterdamse zedenzaak deed zij zelfs om die reden een wrakingsverzoek.90 Het is inderdaad niet onaannemelijk dat een rechter die de verklaringen van (meer) nabestaanden of ouders van een slachtoffer in zijn vonnis betrekt, een zwaardere straf oplegt dan hij had gedaan zonder deze verklaring.
Deze uitspraken staan daarom volgens mij op gespannen voet met het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel. Dat zij ten dienste staan van een doelmatig strafproces, hetgeen wordt beschouwd als de tweede functie van het beginsel, en passen bij de eerder beschreven accentveranderingen in het strafrecht, doet daaraan niet af. Zij zijn namelijk ten nadele van verdachten, en dat is strijdig met de eerste en belangrijke rechtsbeschermingsfunctie van het legaliteitsbeginsel.91 De belangen van de ouders bij de uitbreiding van het spreekrecht vind ik niet zwaarder wegen dan die bescherming van de verdachte door wetstoepassing. Of de beslissingen interpretatie van artikel 51e Sv waren of een uitzondering erop, maakt weinig verschil; interpretatie en uitzonderingen kunnen in dezelfde mate op gespannen voet staan met het legaliteitsbeginsel.92 In elk geval weken de feitenrechters af van de betekenis die de bewoordingen van de bepaling in het normale spraakgebruik heb- ben.93 Dat de uitspraken gezien het legaliteitsbeginsel te ver gaan, wordt ook ondersteund door de vraag in de literatuur naar aanleiding van de eerste beslissing van de Rechtbank Amsterdam of de rechter daarin niet teveel nadruk legt op de ‘maatschappelijk gezien meest wenselijke’ beslissing,94 en door een arrest van de Hoge Raad in een andere zaak.95
Het hof had een vriendin van het 85-jarige slachtoffer voor wier dood de verdachte terecht stond spreekrecht gegeven, en had haar verklaring meegewogen bij de strafoplegging.96 De Hoge Raad overwoog dat de vriendin niet behoorde tot de in de wet ‘nader omschreven kring van spreekgerechtigden’. De wetgever had de voor- en nadelen van het spreekrecht van slachtoffers zorgvuldig onder ogen gezien en slechts aan een beperkte categorie van nauw betrokkenen spreekrecht toegekend. De rechter behoort volgens de Hoge Raad dan ook ‘het verzoek van een persoon die niet tot de wettelijke categorie spreekgerechtigden behoort ter terechtzitting een verklaring af te leggen, […] af te wijzen’. Een uitbreiding van deze categorie ‘behoort tot de taak van de wetgever en gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten’. De Hoge Raad overwoog dat ‘[s]trikte toepassing van deze wettelijke regeling [...] het voordeel [biedt] dat omtrent de bijzondere status van de spreekgerechtigde geen onzekerheid bestaat. Het verschaft de slachtoffers, het openbaar ministerie, de verdediging en de rechter duidelijkheid en voorkomt discussie of en aan de hand van welke maatstaven iemand spreekrecht moet worden verleend en wat de gevolgen daarvan zijn.’ Ten tijde van dit arrest was overigens het wetsvoorstel waarbij aan ouders van slachtoffers spreekrecht werd verleend, al ingediend bij de Tweede Kamer.97 Voor de Hoge Raad was dat blijkbaar geen reden voor een minder strikte uitleg van de wet in deze algemene overweging.
Dat de rechtbank in de Amstelveense zedenzaak uitdrukkelijk koos voor extensieve interpretatie in plaats van voor buiten toepassing laten of aanvulling van de wettelijke regeling, is wellicht (volgens mij op onjuiste wijze) ingegeven door dit arrest van de Hoge Raad. De rechtbank stelde namelijk dat de Hoge Raad alleen een uitbreiding van de wettelijke categorie spreekgerechtigden had afgekeurd, die niet hetzelfde was als een beslissing door interpretatie dat de ouders volgens de wet spreekrecht hadden.98 Dat is in mijn ogen geen goed argument. Door de interpretatie van de rechtbank wordt het spreekrecht evenzeer uitgebreid als door aanvulling of het buiten toepassing laten van de wet. Net als in de zaak van de Hoge Raad was er bij de rechtbank volgens de wettekst geen spreekrecht. Inhoudelijk komt de rechtbank dan ook tot een vergelijkbaar oordeel als het hof in de zaak van de Hoge Raad. De keuze voor interpretatie is naar mijn oordeel even problematisch gezien het legaliteitsbeginsel als een uitzondering (én gezien de tekst van artikel 51e Sv gekunsteld, hetgeen een contra-indicatie is voor interpretaties99).
Een ander verschil met de zaak van de Hoge Raad vond de rechtbank de relatie tussen het slachtoffer en degene die spreekrecht wilde uitoefenen: in ‘haar’ zaak tussen slachtoffer en ouders, in de zaak van de Hoge Raad tussen slachtoffer en een vriendin. Dit verschil lijkt in zoverre relevant dat waar volgens de rechtbank de wetgever niet was uitgegaan van slachtoffers die door hun leeftijd niet kunnen spreken, voorstelbaar is dat de wetgever wel rekening heeft gehouden met slachtoffers die geen familie of partner meer hebben met een wettelijk spreekrecht, zoals in de zaak bij de Hoge Raad. Dergelijke reeds verdisconteerde omstandigheden dienen reden te zijn om buitenwettelijke uitbreidingen van het spreekrecht te verwerpen.100 Ook de Rechtbank Den Haag voerde niet-verdisconteerde omstandigheden aan: ze gaf spreekrecht aan het verre familielid omdat het feit dat ‘binnen de wettelijke vastgestelde kring van spreekgerechtigde personen geen familielid meer in leven is dat van het spreekrecht gebruik kan maken, een omstandigheid [was], waarin de wetgever niet heeft voorzien’. In de Amsterdamse zedenzaak werd overwogen dat de wetgever de buitengewone aard en omvang van de strafzaak en de mogelijke impact op de direct betrokkenen niet voor ogen had gehad; in de Amstelveense zedenzaak dat de wetgever uitging van slachtoffers die zelf konden spreken en dat uit de wetsgeschiedenis niet bleek van aandacht voor baby’s of peuters als slachtoffers.
Niet lang na de beslissing in de Amstelveense zedenzaak is overigens het wetsvoorstel waarbij ook aan ouders spreekrecht is verleend door de Eerste Kamer aangenomen en in werking getreden.101 Wellicht is de Hoge Raad (mede) daardoor niet toegekomen aan een oordeel over bovenstaande beslis- singen van feitenrechters.102 Men kan zich afvragen of ook de Hoge Raad in deze drie zaken niet-verdisconteerde omstandigheden had gezien. Hij overwoog namelijk dat de voor- en nadelen van het spreekrecht van slachtoffers zorgvuldig onder ogen waren gezien, en dat vervolgens slechts aan een beperkte categorie van nauw betrokkenen spreekrecht was toegekend. Het valt te betwijfelen of deze overweging anders zou zijn uitgevallen als zij zou zijn gericht op de relatie tussen slachtoffer en ouders zoals in de Amsterdamse zaken, of op een familielid in de vijfde graad zoals bij de Rechtbank Den Haag. Zelfs wanneer er in deze zaken inderdaad niet-verdisconteerde omstandigheden zouden mogen worden aangenomen (wat ik dus betwijfel), acht ik echter de inbreuken op het legaliteitsbeginsel niet minder onwenselijk.