Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/5.3.3
5.3.3 Het taakstrafverbod van artikel 22b Sr
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS361968:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Hierover al Bakker 2016. Delen van dit artikel zijn in deze paragraaf overgenomen.
Par. 5.5.5.
Kamerstukken II 2009/10, 32169, 3 (MvT), p. 2-4, 7; Kamerstukken II 2009/10, 32169, 9; Handelingen II 2010/11, 65, item 10, p. 38, 43; Handelingen I 2011/12, 6, item 5, p. 37, 39. Op de wetsgeschiedenis wordt nader ingegaan in par. 5.5.5.
Kamerstukken II 2009/10, 32169, 3 (MvT), p. 5, 10.
Kamerstukken II 2009/10, 32169, 3 (MvT), p. 6, 7.
Ook in die zin America 2013, p. 35, die het van strafrechtadvocaten hoorde, en Anker 2014.
Diefstal met geweld en afpersing (art. 312 en 317 Sr), Rb. Noord-Nederland 14 februari 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ9574.
Uit het vonnis blijkt niet of de verdachte de taakstraf al had verricht of dat vervangende hechtenis was bevolen, hetgeen wel voorwaarden zijn voor toepasselijkheid van het taakstrafverbod (art. 22b lid 2). Toch achtte de rechtbank het verbod tekstueel van toepassing.
Respectievelijk art. 240b Sr en art. 246 Sr, Rb. Oost-Brabant 12 augustus 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4841.
De artikelen 300 en 302 Sr, Rb. Limburg 15 april 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:3148.
Par. 5.2.3.
Hoofdstuk 3, par. 3.1.
Hoofdstuk 3, par. 3.2.1 en 3.2.2.
Kamerstukken II 2009/10, 32169, 3 (MvT), p. 10.
Hoofdstuk 3, par. 3.2.
Bijlagen bij Kamerstukken II 2009/10, 32169, 3 (MvT).
Zembla, ‘Moord, doodslag, taakstraf’, 14 oktober 2007, te bekijken via http://zembla.vara.nl (bezocht 23 mei 2017).
Klijn e.a. 2008, p. 6, 7.
Klijn e.a. 2008, p. 7.
Kamerstukken II 2009/10, 32169, 3 (MvT), p. 6.
Kamerstukken II 2009/10, 32169, 3 (MvT), p. 6, 7.
Par. 5.5.5.
Dat gold in ieder geval voor een politierechter van de Rechtbank Amsterdam, die ondanks de toepasselijkheid van het taakstrafverbod toch een taakstraf oplegde voor onder andere een diefstal (nota bene) gepleegd tijdens de uitvoering van een eerdere taakstraf. Hij sprak ter zitting: ‘Als de wetgever het zo hard stelt, dan kan hij het krijgen’ (M. Thie, ‘Een celstraf opleggen? De rechter vertikt het’, NRC Handelsblad 27 maart 2017, www.nrc.nl; de uitspraak lijkt (nog) niet gepubliceerd).
Een derde categorie van strafrechtelijke billijkheidsuitzonderingen zijn uitzonderingen van feitenrechters op het taakstrafverbod van artikel 22b Sr.1 Zij lieten het verbod in verschillende gevallen op ongeschreven gronden buiten toepassing. Eerder kwam al aan de orde dat in vergelijkbare gevallen het taakstrafverbod ook wel eens creatief wordt uitgelegd; jurisprudentie hierover wordt later geanalyseerd.2
Volgens artikel 22b Sr mag de rechter geen taakstraf opleggen bij een veroordeling voor een misdrijf waarop zes jaar of meer gevangenisstraf staat en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad (lid 1 sub a) en bij veroordeling voor een in de bepaling genoemd misdrijf (waaronder zedendelicten met minderjarigen, sub b). Ook geldt een taakstrafverbod als de veroordeelde in de vijf jaar voorafgaand aan het gepleegde feit al een taakstraf heeft gekregen voor een soortgelijk misdrijf en hij deze heeft verricht, of daarvoor vervangende hechtenis heeft gehad (lid 2). Van het verbod kan volgens lid 3 worden afgeweken als naast de taakstraf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Verder kan de rechter vanwege de voorwaarde ‘ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit’ (lid 1) toch een taakstraf opleggen voor feiten die op zichzelf genomen ernstig zijn, maar in de praktijk niet zulke ernstige gevolgen hadden; die uitzonderingsmogelijkheid geldt echter niet voor de specifiek in artikel 22b Sr genoemde misdrijven en voor zaken waarin er vanwege recidive geen taakstraf meer kan worden opgelegd. Reden voor het taakstrafverbod was dat er volgens de wetgever in teveel ernstige gevallen taakstraffen werden opgelegd, terwijl dat niet passend werd geacht met het oog op vergelding en preventie. Taakstraffen behoren slechts voor ‘naar verhouding lichtere’ feiten te worden opgelegd.3 Een taakstraf is volgens de wetgever ook niet passend als die de veroordeelde er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw een soortgelijk feit te plegen.4 Verder achtte hij ‘het behouden van een maatschappelijk draagvlak voor de taakstraf’ en de ‘beleving van een straf in de maatschappij’ van belang.5
Het komt voor dat feitenrechters het taakstrafverbod negeren terwijl het volgens de bewoordingen van artikel 22b Sr wel van toepassing is. Reden is dat zij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een te zware sanctie vinden gezien de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte.6
De Rechtbank Noord-Nederland veroordeelde voor medeplichtigheid aan een winkeloverval.7 De verdachte was eerder veroordeeld tot een taakstraf voor een soortgelijk feit, zodat volgens de wet een ‘kale taakstraf’ niet meer mogelijk was.8 De rechtbank besloot echter (in haar woorden) ‘af te wijken’ van artikel 22b Sr en toch een taakstraf op te leggen (plus een voorwaardelijke gevangenisstraf), niet gecombineerd met een onvoorwaardelijke gevange- nisstraf. Zij achtte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanwege verdachtes persoonlijke omstandigheden onaanvaardbaar, en zag maatschappelijk ongewenste gevolgen ervan aangezien dat ‘de in gang gezette positieve ontwikkeling zou doorbreken’. Het feit was ernstig, maar de rechtbank vond van belang dat verdachte nog jong was en een vaste baan en een eigen woning had.
De Rechtbank Oost-Brabant veroordeelde voor bezit, vervaardigen en verspreiden van kinderpornografische foto’s en een poging om een minderjarige te dwingen tot ontuchtige handelingen door te dreigen die foto’s van haar openbaar te maken.9 Bij kinderpornografie is volgens artikel 22b Sr geen plaats voor een kale taakstraf. De rechtbank noemde artikel 22b Sr echter niet en legde een taakstraf van 240 uur op (gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf). Hoewel het ‘ernstige feiten’ waren, woog de rechtbank (in het voordeel van de veroordeelde) mee dat hij niet eerder was veroordeeld en hij wel wilde meewerken aan behandeling voor zijn psychische problemen.
Ook de Rechtbank Limburg noemde artikel 22b Sr niet toen zij daarvoor gezien de feiten wel reden had: zij veroordeelde een verdachte voor drie mishandelingen, waarvan één zware.10 Op zware mishandeling staat acht jaar gevangenisstraf, en een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer kon worden aangenomen: door de schoppen in het gezicht had het slachtoffer ‘licht schedeltrauma met kaakfractuur’, waardoor hij bijna een jaar later nog posttraumatische hoofdpijn had. Volgens de tekst van artikel 22b Sr gold hier daarom het taakstrafverbod. Toch legde de rechtbank een kale taakstraf op, omdat het incident plaatsvond ‘na een geslaagde carnavalsoptocht waarbij de meeste deelnemers in meer of mindere mate alcoholhoudende drank hadden genuttigd’, en vanwege ‘de tijd die na het plegen van de feiten inmiddels is verstreken, het rapport van de reclassering en het feit dat het initiatief voor de confrontatie niet van de verdachte is uitgegaan’.
De billijkheidsuitzonderingen in deze gevallen zijn ten voordele van verdachten en zijn daarom niet in strijd met het materiële legaliteitsbeginsel.11 Wel acht ik ze problematisch gezien de constitutionele beperkingen van uitzonderingen. Betwijfeld kan ten eerste worden of de staatsrechtelijke hoofdregel in acht is genomen dat in een concreet geval tekstueel toepasselijke wettelijke voorschriften in beginsel daadwerkelijk behoren te worden toegepast.12 Ten tweede lijkt de beperking overschreden dat uitzonderingen bij formele wetsbepalingen slechts zijn toegestaan vanwege niet-verdisconteerde omstandigheden.13 Aangenomen mag worden dat de wetgever in zijn belangenafweging heeft betrokken dat verdachten voor wie het taakstrafverbod zou gelden gemotiveerd kunnen zijn te veranderen, een gezin, een eigen huis en werk kunnen hebben, een feit voor het eerst kunnen hebben gepleegd, beterschap kunnen beloven, of in behandeling kunnen zijn voor hun psychische problemen. De wetsgeschiedenis zwijgt daarover, maar dat is niet vreemd, aangezien dit de ‘normale omstandigheden’ zijn waaraan de wetgever zal hebben gedacht bij het opstellen van het taakstrafverbod. Er is geen reden om te veronderstellen dat de wetgever déze omstandigheden als zo uitzonderlijk zou hebben beschouwd dat hij het verbod er niet op richtte. Die indruk wordt versterkt doordat voor geen enkele bijzondere omstandigheid is voorzien in een uitzonderingsmogelijkheid. Voorbeelden van door de wetgever niet-verdisconteerde omstandigheden die duidelijk aanleiding zijn voor een uitzondering die voldoet aan de constitutionele eisen, zijn daarom lastig voorstelbaar. Wellicht kan worden gedacht aan een verdachte met extreme claustrofobie die geen moment in een kamer zonder een geopende deur kan zijn – terwijl de rechter hem veroordeelt voor het bezit van één kinderpornografische foto.
Uit de genoemde rechtspraak waarin feitenrechters artikel 22b Sr buiten toepassing lieten, valt niet af te leiden of er naar hun oordeel sprake was van niet-verdisconteerde omstandigheden. De feiten in de drie genoemde zaken wijzen, voor zover dat te beoordelen is, niet in die richting.
De omstandigheden van de eerste zaak (jeugdigheid, een vaste baan en een eigen woning) lijken niet zo sterk af te wijken van de ‘normale omstandigheden’ waarvoor artikel 22b Sr is opgesteld dat ze een uitzondering op de hoofdregel rechtvaardigen. In de tweede zaak bleef artikel 22b Sr buiten toepassing omdat de verdachte niet eerder een dergelijk feit had gepleegd en aan zijn behandeling wilde meewerken. Hij was veroordeeld voor het bezit van kinderpornografisch materiaal, dat de wetgever specifiek benoemde als feit waarvoor geen taakstraf mag worden opgelegd, vanuit ‘de wens om de ernst van deze misdrijven te onderstrepen en het belang te benadrukken van de bescherming die deze artikelen beogen te geven aan minderjarigen’.14 Er is geen reden om aan te nemen dat de bepaling niet is geschreven voor gevallen als dit. Voor de derde zaak mag worden aangenomen dat de wetgever de opvatting is toegedaan dat de strafwet en het taakstrafverbod ook gelden gedurende carnaval en voor verdachten die alcohol hebben gedronken, en dat ook een reclasseringsrapport geen verschil zou maken. Misschien is dat anders met de verstreken tijd tussen het feit en de berechting: zouden de ver- streken drie jaar kunnen worden beschouwd als niet-verdisconteerd? Helaas ging de rechtbank hierop niet in.
Ten derde benoemden feitenrechters niet waarom zij strikte wetstoepassing zozeer in strijd achtten met fundamentele of algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat toepassing achterwege moest blijven.15 Welk rechtsbeginsel of ander voorschrift van ongeschreven recht achtten zij geschonden, en was die schending voldoende erg?
Aan het vermoeden dat in zeker twee van de drie bovenstaande vonnissen de billijkheidsuitzondering een constitutionele beperking overschreed, draagt bij wat voorafging aan de invoering van het taakstrafverbod. Vanaf het begin was er veel kritiek op, van onder andere de Raad voor de rechtspraak en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak,16 terwijl de Raad van State adviseerde het wetsvoorstel niet in te dienen.17 Aanleiding voor het wetsvoorstel van de regering was een aflevering van het televisieprogramma Zembla in 2007 waarin werd gesignaleerd dat er in Nederland ook voor zware delicten taakstraffen werden opgelegd, terwijl daarover in de maatschappij niet zelden onrust ontstond.18 Uit daaropvolgend onderzoek van de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal bleken taakstraffen echter voor maar weinig ‘ernstige misdrijven’ te worden opgelegd, terwijl experts het overgrote deel van de toch opgelegde taakstraffen begrepen.19 De onderzoekers concludeerden ‘dat de praktijk van het opleggen van taakstraffen in zeer hoge mate verloopt volgens de voorgeschreven regels en de daarachter liggende bedoeling van de wetgever’, en dat ‘incidentele afwijkingen daarbij een inherent kenmerk [zijn] van elke praktijk’.20 Daarom vonden de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Orde van Advocaten artikel 22b Sr overbodig. Zij meenden daarnaast dat het zonder goede reden door de wetgever aanwijzen van feiten waarvoor geen taakstraf kan worden opgelegd, ‘een ongekende inbreuk pleegt op de straftoemetingsvrijheid van de rechter’.21 Toch is de wet er gekomen. Volgens de regering werden er nog steeds in teveel ernstige gevallen taakstraffen opgelegd.22 Bovenstaande uitspraken (en de later te bespreken niet voor de hand liggende interpretaties van art. 22b Sr23) doen vermoeden dat ook rechters het niet eens zijn met het verbod.24 Dat zij in hun uitspraken helemaal geen aandacht besteden aan de constitutionele eisen aan uitzonderingen, is echter in elk geval niet correct.