Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/5.3.1
5.3.1 Strafuitsluitingsgronden
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS354739:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Eigenlijk sluiten de gronden niet (alleen) de straf uit, maar de strafrechtelijke aansprakelijkheid of strafbaarheid. Nu de term strafuitsluitingsgronden in literatuur en jurisprudentie gebruikelijk is, sluit ik daarbij aan. Alleen algemene strafuitsluitingsgronden worden behandeld: gronden die toegepast kunnen worden bij alle strafbepalingen (Bogert 2005, p. 1). Bijzondere strafuitsluitingsgronden, die alleen gelden voor een specifiek(e groep) delict(en) (bijvoorbeeld art. 300 lid 5 Sr: poging tot eenvoudige mishandeling is niet strafbaar), worden niet behandeld. Niet alleen vanwege hun beperktere bereik, maar ook omdat zij vaak meer strikt en feitelijk dan open zijn geformuleerd (hoofdstuk 1, par. 1.4, b en par. 1.5.5).
Schaffmeister & Heijder 1983, p. 444, 448, 449; Haentjens & Haffmans 1981, p. 818 (over overmacht); Dolman 2006, p. 324; Enschedé/Bosch 2008, p. 164.
Par. 6.2.3. Ook in die zin Van Veen 1978, p. 509; Van Veen 1980, p. 9: ‘Art. 1 Sr staat […] niet [in de weg] aan buitenwettelijke inkrimping van strafbaarheid’; Cleiren, in: T&C Sr 2014, art. 1 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2016), aant. 9: ‘Uit het [legaliteits]beginsel vloeien geen beperkingen voort wat betreft het toepassen van strafuitsluitingsgronden’, zo leidt zij af uit Melk en water; De Hullu 2015, p. 89.
De andere wettelijke strafuitsluitingsgronden (de artikelen 39, 41, 42, 43 Sr) vallen buiten dit onderzoek omdat zij meer strikt en feitelijk dan open zijn geformuleerd (hoofdstuk 1, par. 1.4, b en par. 1.5.5).
De drie vormen worden later uitgebreid behandeld.
Bronkhorst 1952, p. 211, 221, 297; Pompe 1959, p. 130, 297; Haentjens & Haffmans 1981, p. 818; Kelk/De Jong 2013, p. 357.
Pompe 1959, p. 297.
Pompe 1959, p. 298.
Pompe 1959, p. 299.
De Hullu 2015, p. 315.
De Hullu 2015, p. 309, ‘en dan vooral noodtoestand’.
Pompe 1959, p. 130.
Knoops 1998, p. 300.
Knoops 1998, p. 9, 54, 61-63, 301. Over de sprong van Scholten hoofdstuk 1, par. 1.1.3 en hoofdstuk 2, par. 2.2.
Hirsch Ballin 1988, p. 229, 230; Knoops 1998, p. 9, 54, 61-63, 301.
Smidt 1881, eerste deel, p. 375, 376.
Smidt 1881, eerste deel, p. 376, 377.
Smidt 1881, eerste deel, p. 376.
Smidt 1881, eerste deel, p. 376.
Smidt 1881, eerste deel, p. 376.
Smidt 1881, eerste deel, p. 376. Noodtoestand wordt nu in de jurisprudentie ruimer uitgelegd; daarover later meer.
Smidt 1881, eerste deel, p. 376.
Bronkhorst 1952, p. 184, 190-195 spreekt over ‘het onwerkelijke overmachtsbegrip dat de Raad aanhing’ en ‘de onmogelijke opvatting’ van de Hoge Raad; Dolman 2006, p. 227, 228; Ten Voorde, in: T&C Sr 2015, art. 40 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2016), aant. 3b; Kelk/De Jong 2013, p. 336; De Hullu 2015, p. 306.
Bronkhorst 1952, p. 184.
Bronkhorst 1952, p. 13, 185; Dolman 2006, p. 95; Ten Voorde, in: T&C Sr 2015, art. 40 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2016), aant. 3b. Gesproken wordt van contrainte morale hoewel deze term letterlijk ‘morele druk/dwang/verplichting’ betekent (Van Dale), en daarmee eerder lijkt te verwijzen naar (het huidige) noodtoestand.
Hierover gaat uitgebreid Bronkhorst 1952, p. 7-12 en 35-88.
Bronkhorst 1952, p. 13, 35; Dolman 2006, p. 95-100.
Kelk 2006.
HR 27 juni 1887, W 1887, afl. 5449, p. 1.
Vergelijkbaar is HR 16 juni 1913, NJ 1913, p. 1080: ‘dat die drang nu wel ontstaan kan door omstandigheden, die reeds vroeger bestonden, doch ter bepaling van zijnen invloed op het handelen van de dader alleen in aanmerking komen die omstandigheden, welke werkten op het ogenblik van het plegen van het strafbare feit’.
Bronkhorst 1952, p. 184; Kelk/De Jong 2013, p. 337, onder verwijzing naar Ktr. Onderdendam 30 januari 1893, W 1894, afl. 6540, p. 4; Ktr. Groningen 22 september 1894 (zonder vindplaats); HMG 18 september 1903, W 1903, afl. 7981, p. 3; Rb. Rotterdam 18 juli 1913, NJ 1913, p. 1133; Rb. Tiel 21 maart 1907, W 1908, afl. 8745, p. 3; Ktr. Bergum 8 juni 1915, NJ 1915, p. 720.
Rb. Rotterdam 18 juli 1913, NJ 1913, p. 1133.
De Arbeidswet 1919, waar onder andere voorschriften werden opgenomen over de arbeidstijden in fabrieken (Dolman 2006, p. 229).
Dolman 2006, p. 230, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1918/19, 408, 5, p. 72.
HR 15 oktober 1923, NJ 1923, p. 1329.
Bronkhorst 1952, p. 184; Dolman 2006, p. 232; Kelk/De Jong 2013, p. 351; Ten Voorde, in: T&C Sr 2015, art. 40 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2016), aant. 3b; De Hullu 2015, p. 306.
HR 15 oktober 1923, NJ 1923, p. 1329 (Opticien).
Bronkhorst 1952, p. 196 neemt aan dat de rechtbank de term ‘overmacht’ niet noemde omdat de Hoge Raad die zo beperkt uitlegde.
Bronkhorst 1952, p. 244; Kelk/De Jong 2013, p. 350; De Hullu 2015, p. 304.
Kelk/De Jong 2013, p. 350.
Kelk/De Jong 2013, p. 352.
BRvC 24 juni 1946, NJ 1947/149.
Hof Amsterdam 21 december 1945, ECLI:NL:GHAMS:1945:BG9450, NJ 1946/254.
Pompe 1959, p. 124, 125; Haentjens & Haffmans 1981, p. 820, 821; Dolman 2006, p. 317; Rozemond 2011, p. 88; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 128; De Hullu 2015, p. 300, 301.
Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 128; De Hullu 2015, p. 301.
HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5967, NJ 2011/578, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7938, NJ 2010/5, m.nt. Y. Buruma (Medicinale cannabis)
Haentjens & Haffmans 1981, p. 821, 822; Dolman 2006, p. 331.
Haentjens & Haffmans 1981, p. 822; Rozemond 2011, p. 95; De Hullu 2015, p. 307, 308.
HR 20 september 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB5415, NJ 1977/49. De verdachte werd overigens veroordeeld tot een geldboete van slechts 1 gulden.
Haentjens & Haffmans 1981, p. 824; Rozemond 2011, p. 95; De Hullu 2015, p. 308.
De uitdrukking doelt op degene die ‘er uit hoofde van zijn maatschappelijke rol voor moet instaan adequaat te reageren in situaties waarmee hij als zodanig geconfronteerd kan worden’ (Dolman 2006, p. 224).
Haentjens & Haffmans 1981, p. 824.
Haentjens & Haffmans 1981, p. 825, 826; Dolman 2006, p. 325; De Hullu 2015, p. 313.
HR 10 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC1276, NJ 1987/662, m.nt. A.C. ‘t Hart.
Ook in die zin De Hullu 2015, p. 306.
Daarover ook Enschedé 1985, p. 87; Dolman 2006, p. 325; Rozemond 2011, p. 95; De Hullu 2015, p. 310-312.
HR 27 november 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8615, NJ 1985/106, m.nt. Th.W. van Veen (Euthanasie Alkmaar). De zaak komt ook in de inleiding van dit hoofdstuk aan de orde.
HR 21 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2122, NJ 1994/656, m.nt. T.M. Schalken (Chabot). Een psychiater had een patiënte met een ernstige depressie (door de rechter gekwalificeerd als een aan de hand van de DSM geclassificeerde psychische stoornis), maar zonder lichamelijke aandoening, geholpen bij zelfdoding. Na gesprekken waaruit bleek dat de vrouw weigerde mee te werken aan behandeling van haar klachten, had de verdachte haar dodelijke middelen verstrekt.
HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:418 (Heringa).
HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7938, NJ 2010/5, m.nt. Y. Buruma (Medicinale cannabis). Vgl. HR 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2885, NJ 2010/289, waarin een beroep op noodtoestand van een verdachte van het bezit van hennep(-planten) werd afgewezen. Hij gebruikte de hennep voor pijn door tongkanker en bij het herstel na een openhartoperatie. Het hof achtte het niet aannemelijk dat verdachte verkeerde in een dusdanige toestand dat die noodtoestand zou kunnen rechtvaardigen; de Hoge Raad liet dat in stand.
Wellicht had ook in strijd met de wettekst een ontheffing gegeven kunnen worden vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval. Billijkheidsuitzonderingen van bestuursorganen worden in hoofdstuk 6 behandeld.
Rb. Amsterdam 10 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:529, NJ 2016/155.
Haentjens & Haffmans 1981, p. 828, 829.
O.a. HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2067, NJ 2005/94, m.nt. P.A.M. Mevis; HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6734, NJ 2012/594.
HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6734, NJ 2012/594.
Rozemond 2011, p. 88, 95; Kelk/De Jong 2013, p. 338; De Hullu 2015, p. 303.
Rozemond 2011, p. 88; De Hullu 2015, p. 303.
Dolman 2006, p. 320-323; Kelk 2006; Rozemond 2011, p. 89-93; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 136, 137; Kelk/De Jong 2013, p. 338-344, 357; De Hullu 2015, p. 303, 313.
Hof ‘s-Hertogenbosch 22 augustus 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:3961.
Kelk/De Jong 2013, p. 339; De Hullu 2015, p. 302, 304.
Conclusie A-G L.C.M. Meijers, ECLI:NL:PHR:1992:AD1686.
HR 26 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1686, NJ 1992/681; ook volgens De Hullu 2015, p. 302 stelde de Hoge Raad hier strenge eisen aan overmacht.
HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9394, NJ 2013/12, m.nt. P.A.M. Mevis.
Hoofdstuk 3.
Bronkhorst 1952, p. 213, onder verwijzing naar de conclusie voor HR 14 december 1948, NJ 1949/550: bij een ‘door de overheid voorzien’ conflict van algemene belangen kan overmacht ‘zelden of nooit’ worden aanvaard, omdat degene ‘wiens mening van die van de wetgever afwijkt, zich in dit geval bij de waardering, die in de wet is uitgedrukt, zal hebben neer te leggen’. Als de persoonlijke belangen van een verdachte ‘zo uitzonderlijk’ zijn dat ‘het redelijkerwijs niet […] te vergen was’ dat hij zich aan de wettelijke regeling hield, ‘en bovendien gebleken zou zijn, “dat zij, die de overtreden regeling hebben getroffen, niet geacht kunnen worden die omstandigheden in aanmerking genomen te hebben”‘, dan zou een beroep op art. 40 Sr aanvaard kunnen worden; Van Veen 1980, p. 19: noodtoestand mag in uitzonderlijke omstandigheden worden aangenomen, maar alleen bij ‘door de wetgever onvoorziene omstandigheden’. Als voorbeeld noemt hij een geval waarin een nieuwe wet het voortzetten van bepaalde activiteiten onmogelijk maakt; iemand die daardoor zijn activiteiten niet meer kan uitoefenen, kan zich niet op overmacht beroepen.
HR 20 maart 1939, NJ 1939/871, m.nt. W.P.J. Pompe.
En omw.
HR 11 januari 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1783, NJ 1977/458.
HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7938, NJ 2010/5, m.nt. Y. Buruma (Medicinale cannabis).
HR 17 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0311, NJ 1989/230.
HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:418 (Heringa).
Volgens de Van Dale (4 april 2017) betekent ‘gedrongen’ in ‘zich gedrongen voelen (om …, te …)’, ‘gedwongen’.
De derde betekenis van ‘overmacht’ volgens de Van Dale (4 april 2017): ‘niet-toerekenbare onmogelijkheid om zijn verplichting na te komen’.
Smidt 1881, eerste deel, p. 376.
Vgl. gekunstelde corrigerende interpretaties (par. 5.5.3).
Het verschil tussen bijzondere en algemene strafuitsluitingsgronden wordt behandeld in voetnoot 1012. Sommige bijzondere strafuitsluitingsgronden zijn concretiseringen van omw, zoals: toestemming van de persoon ten aanzien van wie het feit is gepleegd (Van Hamel/Van Dijck 1927, p. 260-262; Vos 1950, p. 176; Van Veen 1975, p. 282; Nieboer 1991, p. 259; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 354-357; Kelk/De Jong 2013, p. 188; De Hullu 2015, p. 356, 357); het beroepsrecht, oftewel verantwoord professioneel handelen (Van Hamel/Van Dijck 1927, p. 254-256; Vos 1950, p. 174-175; Van Veen 1975, p. 282; Van Veen 1978, p. 522, 523; Nieboer 1991, p. 258, 259; Wöretshofer 1992, p. 53-55; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 359-361; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 119, 120; Kelk/De Jong 2013, p. 195, 199; De Hullu 2015, p. 357); en het vroegere tuchtigingsrecht van ouders en onderwijzers (Van Hamel/Van Dijck 1927, p. 258; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 358, 359; De Hullu 2015, p. 357). Zoals vermeld worden de bijzondere strafuitsluitingsgronden verder buiten beschouwing gelaten.
Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 116, 117; Kelk/De Jong 2013, p. 167, 168; De Hullu 2015, p. 354.
HR 27 juni 1932, NJ 1933, p. 60, m.nt. W.P.J. Pompe en HR 29 februari 1933, NJ 1933, p. 918, m.nt. B.M. Taverne.
HR 27 juni 1932, NJ 1933, p. 60, m.nt. W.P.J. Pompe.
HR 29 februari 1933, NJ 1933, p. 918, m.nt. B.M. Taverne. De Hoge Raad overwoog dat de veearts ‘volgens in zijn wetenschap algemeen als juist erkende richtsnoeren’ handelde en daardoor ‘het heil van het [...] vee’ bevorderde. Daarin, en verder in de Veeartsarresten, lees ik niet dat de Hoge Raad voor het accepteren van een beroep op omw vereist dat ‘de gedraging hetzelfde belang dient als de strafbepaling’ (anders bijv. Mevis 2013, p. 848). Hierover ook voetnoot 1172.
Opmerking redactie NJ bij het arrest.
Annotatie B.M. Taverne, NJ 1933, p. 918.
Bijv. Hof ‘s-Hertogenbosch 27 augustus 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AI1508: ‘een verzamelbegrip voor een groot aantal verschillende verweren die niet onder het wettelijke begrip “overmacht” kunnen worden vervat, maar daarmee wel grote verwantschap vertonen’; Rb. Groningen 12 december 2007, ECLI:NL:RBGRO:2007:BC0001.
De Doelder & Strijards 1979, p. 247, 253.
Vos 1950, p. 135. In de jurisprudentie bijv. Hof Arnhem 3 februari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF3887; Hof Amsterdam 25 september 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ8864.
Bos 1978, p. 315; Wolswijk 1998, p. 244; Kelk/De Jong 2013, p. 171. In de jurisprudentie bijv. Hof Leeuwarden 3 april 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BI0284; Hof Arnhem 10 februari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL8115; Rb. Leeuwarden 9 maart 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BL6868; Rb. Den Haag 18 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:6985.
Schaffmeister & Heijder 1983, p. 457-464; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 350.
Conclusie G.E. Langemeijer voor HR 6 oktober 1949, NJ 1950/178, m.nt. W.P.J. Pompe; Nieboer 1991, p. 260. In de jurisprudentie bijv. Hof Arnhem 6 april 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BI1487; Rb. Leeuwarden 9 maart 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BL6868; Rb. Den Haag 18 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:6985; Rb. Overijssel 26 januari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:207.
De Waard 1985, p. 391, 392; Wolswijk 1998, p. 244. In de jurisprudentie bijv. Rb. Roermond 18 december 2009, ECLI:NL:RBROE:2009:BK7040; Rb. Rotterdam 15 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3348.
Annotatie C. Bronkhorst bij HR 2 februari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB3474, NJ 1971/ 385; De Waard 1985, p. 391; Kelk/De Jong 2013, p. 171; Mevis 2013, p. 848. In de jurisprudentie bijv. Hof Amsterdam 8 maart 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AS9143; Hof ’s-Hertogenbosch 5 februari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4022; Rb. Breda 6 april 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BM9452; Rb. Arnhem 20 juli 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BJ3015; Rb. Den Haag 20 december 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO8038; Hof Amsterdam 5 april 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6161; Rb. Haarlem 18 oktober 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BT9003.
Bijv. Hof Amsterdam 25 september 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ8864; Hof Arnhem 6 oktober 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BK0222; Rb. Zwolle 3 mei 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BM3925; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2015, ECLI:NL:GHARL: 2015:6567; Hof Arnhem-Leeuwarden 29 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8144.
Bijv. Rb. Leeuwarden 22 juni 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BM8947.
Bijv. HR 19 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9825, NJ 1988/141; HR 30 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8400, NJ 1990/445; HR 9 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1721, NJ 2000/145.
Zelfs niet op uitdrukkelijk voorstel van A-G J. Wortel, ECLI:NL:PHR:2007:BB5377; de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep op grond van art. 81 RO (HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5377).
Bijv. HR 27 november 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8615, NJ 1985/106, m.nt. Th.W. van Veen (Euthanasie Alkmaar), en de arresten verderop in dit hoofdstuk waaraan de aspecten zijn ontleend die de Hoge Raad bij de beoordeling van een beroep op omw van belang acht. Ook in die zin Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 350; Kelk/De Jong 2013, p. 174.
Niet zelden onder verwijzing naar art. 81 Wet RO, bijv. HR 15 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6228; HR 15 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8648; HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4151; HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3838.
Bijv. HR 3 juli 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB3635, NJ 1973/78, m.nt. Th.W. van Veen; HR 11 januari 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1783, NJ 1977/458; HR 22 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9051, NJ 1986/296, m.nt. Th.W. van Veen; HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9315, NJ 1997/668; HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6114. Ook in die zin Kelk/De Jong 2013, p. 168: ‘Van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid is sprake wanneer de wederrechtelijkheid van een daad ontbreekt op gronden die niet rechtstreeks door de wetgever zijn voorzien.’
Hoofdstuk 3, par. 3.2, en par. 5.3.1, a in het kader van overmacht.
Art. 280 Sr; HR 3 juli 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB3635, NJ 1973/78, m.nt. Th.W. van Veen.
Net zoals hij deed met noodtoestand; in dat verband komt dit arrest ook aan de orde (subpar. a).
HR 11 januari 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1783, NJ 1977/458.
HR 22 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9051, NJ 1986/296, m.nt. Th.W. van Veen. Strafbepalingen waren neergelegd in de toenmalige Antibioticawet en de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde.
Respectievelijk art. 248b Sr en art. 245 Sr, HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6114.
In de conclusie van A-G W.H. Vellinga (ECLI:NL:PHR:2007:AZ6114) wordt erop gewezen dat in de delictsomschrijving juist besloten ligt dat degene met wie ontucht wordt gepleegd, instemt met de seksuele handelingen.
HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9315, NJ 1997/668.
Bijv. HR 23 november 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB5759, NJ 1972/76; HR 27 november 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8615, NJ 1985/106, m.nt. Th.W. van Veen (Euthanasie Alkmaar); HR 18 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0712, NJ 1990/61. Ook in die zin Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 345. Vgl. De Hullu 2015, p. 359, in het kader van omw als exceptie voor bepaalde (typen) delicten.
Hoofdstuk 3, par. 3.2.3.
Art. 293 Sr; HR 27 november 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8615, NJ 1985/106, m.nt. Th.W. van Veen (Euthanasie Alkmaar).
HR 18 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0712, NJ 1990/61.
HR 22 januari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6795, NJ 1980/275.
HR 24 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9773, NJ 1987/705, m.nt. Th.W. van Veen.
HR 30 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8400, NJ 1990/445.
Bijv. HR 6 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD7925, NJ 1976/197, m.nt. G.E. Mulder; HR 13 december 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC3309, NJ 1978/164, m.nt. Th. W. van Veen; HR 16 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6455, NJ 1979/210; HR 19 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9825, NJ 1988/141; HR 3 juli 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8170, NJ 1990/121; HR 14 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8941, NJ 1992/380; HR 9 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1721, NJ 2000/145; HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6141, NJ 2010/673, m.nt. M.J. Borgers; HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5254, NJ 2011/108.
HR 6 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD7925, NJ 1976/197, m.nt. G.E. Mulder.
HR 13 december 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC3309, NJ 1978/164, m.nt. Th. W. van Veen. Ten laste gelegd was het toenmalige art. 139 Sr.
HR 16 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6455, NJ 1979/210.
HR 19 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9825, NJ 1988/141.
HR 9 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1721, NJ 2000/145.
Subpar. a.
Annotatie B.M. Taverne bij het tweede Veeartsarrest, NJ 1933, p. 918, die opmerkt dat omw en overmacht materieel beide buitenwettelijk zijn: ‘ook wat Pompe, volgens voormelde begripsomschrijving, onder overmacht rekent, is mijns inziens niets anders dan een zelfstandige constructie van het wederrechtelijkheidsbegrip op buitenwettelijke en buitenrechtelijke gronden althans met erkenning van zulke elementen. Naar mijn overtuiging is op dit gebied het juridisch instinct een sterk werkende factor, waarbij dan [...] a priori de richting naar de beslissing door het intuïtief rechtsgevoel sterk wordt beïnvloed.’
Bijgewerkt tot 4 april 2017. Deze periode is betrekkelijk willekeurig gekozen, met het argument dat het gaat om niet al te oude uitspraken en er voldoende jurisprudentie beschikbaar is.
Anders dan de Hoge Raad aanvaardt de feitenrechter namelijk nog wel eens beroepen op omw, hoewel slechts in een beperkt aantal zaken.
Rb. Alkmaar 10 mei 1983, ECLI:NL:RBALK:1983:AC1431, NJ 1983/407.
Hof Amsterdam 17 november 1983, ECLI:NL:GHAMS:1983:AC8176, NJ 1984/43.
HR 27 november 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8615, NJ 1985/106. Omw was daarmee niet meer relevant voor euthanasiezaken.
Rb. Amsterdam 3 november 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BG2638.
Hof Arnhem 6 april 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BI1487, NJ 2010/444, m.nt. J.M. Reijntjes.
Art. 341 en 343 Sr, Hof Arnhem 15 september 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ9391.
Art. 140 Wetboek van Militair Strafrecht, Hof Arnhem 10 februari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL8115.
Artikel 27 Wet militair tuchtrecht.
Rb. Leeuwarden 9 maart 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BL6868.
Rb. Leeuwarden 22 juni 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BM8947. Ten laste gelegd was art. 96 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Rb. Rotterdam 14 oktober 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BP2870. Vergelijkbaar zijn Rb. Rotterdam 9 mei 2005, NJ 2005/310 en Hof Den Haag 29 juli 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4550. Hoewel in deze zaken ook art. 42 grondslag zou kunnen zijn voor een uitzondering, is daarover niet geoordeeld. Oorzaak kan zijn dat art. 8 Politiewet 1993 geen wettelijke plicht oplegt, waarop art. 42 Sr ziet (volgens de MvT, Smidt 1881, p. 380: ‘bevolen waren door de wet’), maar een bevoegdheid toekent.
Ook als de verdachte zelf alleen een beroep op omw doet, kan de strafrechter noodtoestand aannemen (Corstens/Borgers 2014, p. 864, 865: de strafrechter heeft een zelfstandige onderzoeksplicht en mag zijn onderzoek naar een strafuitsluitingsgrond ‘niet geheel […] afhankelijk stellen van een al dan niet door de verdachte ter zake gevoerd verweer’).
Daargelaten dat in de gevallen 2, 3, 4, 6 en 7 naar mijn mening vervolging überhaupt niet voor de hand lag, omdat al bij voorbaat het ontbreken van strafwaardig handelen duidelijk moet zijn geweest. Nu toch werd vervolgd, had de rechter misschien de vervolgingsbeslissing van het OM kunnen toetsen, met als sanctie niet-ontvankelijkverklaring (ook in deze zin over dergelijke zaken: Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 121, 122; over het opportuniteitsbeginsel gaat par. 5.2.2, b).
HR 27 juni 1932, NJ 1933, p. 60, m.nt. W.P.J. Pompe en HR 29 februari 1933, NJ 1933, p. 918, m.nt. B.M. Taverne.
Vgl. annotatie W.P.J. Pompe bij het eerste Veeartsarrest, NJ 1933, p. 60, waarin hij erop wees dat ook art. 40 Sr uitkomst had kunnen bieden. De grenzen van overmacht zouden zo wel ‘ruim worden getrokken’, maar de Hoge Raad deed dit volgens Pompe sinds 1923 toch al, waardoor ‘de grenzen van dit begrip min of meer vaag geworden’ waren.
HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5971.
HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5967, NJ 2011/578, m.nt. P.A.M. Mevis; subpar. a.
Zoals ook in voetnoot 290 wordt opgemerkt, lees ik in de Veeartsarresten niet dat de Hoge Raad voor het accepteren van een beroep op omw vereist dat ‘de gedraging hetzelfde belang dient als de strafbepaling’ (zoals wel bijv. Mevis 2013, p. 848). De Hoge Raad definieert omw niet verder dan ‘dat de wederrechtelijkheid in de delictsomschrijving zelve geen uitdrukking heeft gevonden en niettemin geen veroordeling zal kunnen volgen op grond dat de onrechtmatigheid der gepleegde handeling in het gegeven geval blijkt te ontbreken en derhalve dan het betrokken wetsartikel op de letterlijk onder de delictsomschrijving vallende handeling niet van toepassing is’, terwijl in het specifieke geval hieraan voldaan zou kunnen zijn omdat de veearts handelde ‘volgens in zijn wetenschap algemeen als juist erkende richtsnoeren, en die daarbij, ook alweder volgens algemeen erkend deskundig inzicht, door voorkoming van ernstig lijden, het heil van het in verdachten toestand gebracht vee bevordert’. Dit brengt de Hoge Raad niet in verband met de ratio van de strafwet.
HR 27 november 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8615, NJ 1985/106, m.nt. Th.W. van Veen (Euthanasie Alkmaar). Het arrest komt eerder in deze paragraaf ter sprake.
Schuyt verkoos zelf voor gevallen van burgerlijke ongehoorzaamheid een nieuwe ongeschreven strafuitsluitingsgrond, afwezigheid van subsocialiteit, in lijn met Vrijs derde element, maar die grond is nooit jurisprudentieel aanvaard. Hij noemde ook omw als mogelijke grondslag voor een uitzondering (par. 5.2.4).
Hoofdstuk 3, par. 3.2.3.
Kamerstukken II 2000/01, 27745, 3, p. 5, 6.
Vgl. hoofdstuk 3, par. 3.2.2, scenario 3.
HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:213, NJ 2016/257, m.nt. N. Rozemond. Het arrest wordt besproken in par. 5.2.2, a.
Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6566.
Schuyt 1972, p. 308.
Kamerstukken II 2000/01, 27745, 3, p. 5, 6.
HR 14 februari 1916, ECLI:NL:HR:1916:BG9431, NJ 1916, p. 681. Zie bijv. al Van Hamel/ Van Dijck 1927, p. 275.
Dat was strafbaar op basis van de plaatselijke verordening, HR 14 februari 1916, ECLI: NL:HR:1916:BG9431, NJ 1916, p. 681 (Melk en water).
Bijv. De Hullu 2015, p. 361.
Subpar. a.
De Hullu 2015, p. 350, 351.
Hof ‘s-Hertogenbosch 20 januari 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AO4003.
Hoofdstuk 3, kort herhaald in de subparagrafen a en b.
De Hullu 2015, p. 362.
De artikelen 245 en 247 Sr, HR 20 januari 1959, NJ 1959/102, m.nt. W. Pompe (Leeftijd). Vergelijkbaar zijn bijv. Hof Leeuwarden 29 april 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BM3207 en Hof Den Haag 26 april 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW5115.
Van Veen 1976, p. 237; Van Veen 1978, p. 516; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 134; De Hullu 2015, p. 364.
De Hullu 2015, p. 364.
Van Veen 1976, p. 237; Van Veen 1978, p. 516; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 134, 135; De Hullu 2015, p. 365.
HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0898.
Van Veen 1976, p. 237; Van Veen 1978, p. 517; De Hullu 2015, p. 365. Die eis houdt verband met het legaliteitsbeginsel (par. 5.2.3).
HR 22 november 1949, NJ 1950/180, m.nt. B.V.A. Röling (Motorpapieren).
HR 23 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0052, NJ 1995/631.
De Hullu 2015, p. 369.
Strafbaar volgens de Leerplichtwet 1969, Hof Leeuwarden 6 september 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BT2044.
HR 25 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9242, NJ 1986/615. Vergelijkbaar zijn Hof Amsterdam 12 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4839; Hof ‘s-Hertogenbosch 11 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:844.
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad L.C.M. Meijers kwalificeerde het beroep zo (ECLI:NL:PHR:1986:AC9242).
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8632.
De Hullu 2015, p. 369.
Strafbaar volgens de Warenwet, HR 2 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AB7899, NJ 1993/476. A-G J.W. Fokkens overweegt in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:1993:AB7899) overigens dat avas hier overeenkomstig de bedoeling van de wetgever zou zijn, nu die zich ervan bewust was dat pinda’s wel eens een te hoog aflatoxinegehalte zouden kunnen bevatten, maar toch niet de verkoop geheel heeft verboden.
HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9611, NJ 2008/570. Het feit was strafbaar op grond van art. 197 Sr.
Subpar. b.
HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6734, NJ 2012/594, dat ook in deze paragraaf aan de orde komt (subpar. a).
HR 12 juli 2011, NJ 2011/578, m.nt. P.A.M. Mevis (subpar. a).
HR 27 november 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8615, NJ 1985/106, m.nt. Th.W. van Veen (Euthanasie Alkmaar) (subpar. b).
Hoofdstuk 3, par. 3.1.
Hoofdstuk 3.
Par. 5.2.3 over het legaliteitsbeginsel.
Vgl. De Hullu 2015, p. 382, die spreekt over ‘de brede, dynamische werking van noodtoestand en avas’.
De strafuitsluitingsgronden1 zijn de meest bekende, en in de rechtspraak en de literatuur algemeen geaccepteerde grond voor strafrechtelijke billijkheidsuitzonderingen. Is de tenlastelegging bewezen verklaard en is daardoor een strafbepaling overtreden, dan is het rechtsgevolg volgens de wettekst strafbaarheid. Dat rechtsgevolg kan achterwege blijven als het feit materieel niet wederrechtelijk of verwijtbaar was. Grondslag voor deze uitzondering is een rechtvaardigings- of een schulduitsluitingsgrond.
De strafuitsluitingsgronden worden ook in de literatuur beschouwd als correctiemogelijkheid voor de noodzakelijke algemeenheid van strafbepalingen waardoor toepassing ervan niet in alle individuele gevallen een billijke beslissing oplevert.2 Toepassing ervan is niet in strijd met het materiële legaliteitsbeginsel, want is ten voordele van verdachten.3
De ‘typische’ aristotelische billijkheidsuitzonderingen zijn de ongeschreven uitzonderingen, hier op basis van omw (subpar. b) en avas (subpar. c). Daarnaast heeft de wetgever de noodzakelijkheid van uitzonderingen vanwege overmacht ingezien: hij heeft overmacht daarom in artikel 40 Sr neergelegd. Dat formuleerde hij opzettelijk meer open dan de andere strafuitsluitingsgronden,4 opdat de rechter ruimte had voor een eigen belangenafweging (subpar. a). Deze drie strafuitsluitingsgronden komen hieronder aan de orde, waarbij ook wordt ingegaan op hun onderling verband.
a. Overmacht (art. 40 Sr)
In artikel 40 Sr heeft de wetgever de rechter bij overmacht een uitzonderingsbevoegdheid verleend. De Hoge Raad heeft de ruimte van artikel 40 Sr benut, en heeft het bereik van overmacht ten opzichte daarvan zelfs uitgebreid. Zodoende heeft artikel 40 Sr nu een met een ongeschreven rechtvaardigingsgrond vergelijkbare rol.5
Artikel 40 Sr bepaalt sinds 1886 dat degene die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen, niet strafbaar is. In de jurisprudentie en de literatuur worden drie vormen van overmacht onderscheiden: absolute overmacht (als schulduitsluitingsgrond), noodtoestand (rechtvaardigingsgrond) en psychische overmacht (schulduitsluitingsgrond).6 De wetgever noemde deze drie vormen niet (maar benoemde slechts de ‘noodtoestand’ als vorm van overmacht); ze worden hieronder waar relevant wel benoemd.
Artikel 40 Sr is open geformuleerd, hetgeen wordt geïllustreerd door hoe het in de doctrine wordt beschreven. Zo wordt het verondersteld oplossingen te bieden voor individuele gevallen waarin strafbepalingen door hun noodzakelijke algemeenheid geen rechtvaardige oplossing bieden.7 De wetgever zou ‘geheel aan de rechter overlaten’ te beoordelen wanneer sprake is van overmacht; de rechter is ‘geheel aangewezen op zijn eigen rechtsovertuiging’ om uit te maken ‘of er recht of onrecht geschiedde’.8 In artikel 40 Sr behoudt de wetgever ‘schijnbaar de leiding’: ‘de rechter “past een artikel toe”, namelijk artikel 40 Sr. Feitelijk erkent de wet evenwel haar wezenlijke ontoereikendheid, omdat zij haar algemene normen als abstract, en daarom in concreto niet juist, terzijde moet laten stellen.’9 Artikel 40 Sr schept ‘de mogelijkheid […] de tegenstelling tussen recht, dat altijd een werkelijk gebeuren is, [...] en de wet, die onvermijdelijk abstract en star is, op te lossen’.10 Het is van toepassing bij ‘een alleszins verantwoorde of begrijpelijke keuze’ van de verdachte11 en heeft een restfunctie in het stelsel van de strafuitsluitingsgronden.12 Artikel 40 Sr is ook een ‘veiligheidsklep’13 en ‘brug tussen (straf)recht en maatschappelijke werkelijkheid’14 genoemd en is in verband gebracht met de eerder besproken ‘sprong’ van Scholten: de beoordeling van een overmachtsverweer is een intuïtief, zedelijk oordeel omtrent de rechtvaardigheid in concreto.15 Het wordt dan ook wel vergeleken met de civielrechtelijke redelijkheid en billijkheid.16
De wetgever bakende bewust het bereik van artikel 40 Sr niet geheel af.17 Overmacht was ‘elke kracht, elke drang, elke dwang, waaraan men geen weerstand kan bieden’;18 ‘elke lichamelijke (fysieke) of zedelijke (psychische) drang’.19 Door die drang, en niet door ‘vrije wilsbepaling’, is een strafbaar feit gepleegd.20 De drang kan door derden uitgeoefend zijn, ‘met geweld, bedreiging of andere middelen’, of zijn gelegen ‘in de natuur der dingen’.21 Ook een noodtoestand begreep de wetgever onder artikel 40 Sr.22 Hieronder verstond hij dat een verdachte ‘door een onweerstaanbare zucht tot zelfbehoud of tot behoud van naaste betrekkingen gedreven, ook buiten het geval van noodweer een feit pleegt alleen ter afwering van dreigend ogenblikkelijk levensgevaar’.23 De omstandigheden van het geval zijn bepalend, en de wetgever vond het daarom ‘even gevaarlijk als onnodig het vrije oordeel van de rechter door wettelijke omschrijvingen te binden’.24
In de jurisprudentie zijn en worden zeer uiteenlopende gevallen gekwalificeerd als overmacht in de zin van artikel 40 Sr (waarover hierna meer). Dat is niet altijd zo geweest. Tot het Opticienarrest in 1923 legde de Hoge Raad artikel 40 Sr beperkt uit25 en verwierp hij alle beroepen op overmacht.26 Onder overmacht verstond hij slechts psychische dwang, toen genoemd con- trainte morale;27 noodtoestand (nog) niet. Dat kwam doordat tot 1886 in Nederland de Code Pénal had gegolden, op grond waarvan de Franse rechter onder overmacht slechts psychische dwang begreep28 en waardoor de Nederlandse rechter (méér dan de strafwetgever van 188629) sterk werd beïnvloed.30 De Hoge Raad eiste tot 1923 voor overmacht dat de verdachte ‘zedelijk gedwongen’ was tot het plegen van het feit, waarbij ‘zijn wilsvrijheid zozeer beperkt was dat zijn keuze de strafwet te overtreden hem niet kon worden toegerekend’.31
Zo nam de Hoge Raad geen overmacht aan toen een vrouw werd vervolgd voor bedelarij omdat zij ‘gebrekkig’ was en niet kon werken, en van het armbestuur vrijwel geen geld kreeg.32 Er was geen drang waaraan zij op het moment van bedelen geen weerstand kon bieden.33
Het kwam in die tijd wel voor dat feitenrechters beroepen op overmacht aanvaardden.34
Bijvoorbeeld toen een verdachte de merel van zijn buurman had gedood omdat die, fluitend in zijn kooi dichtbij het raam van de verdachte, diens vrouw iedere morgen vroeg wekte, terwijl zij ‘lijdende en zeer zenuwachtig’ was en van de arts lang moest slapen met geopende ramen.35 Verzoeken tot verplaatsing van de kooi waren vruchteloos geweest. Volgens de rechtbank hoefde de verdachte geen weerstand te bieden aan de drang van vrees voor zijn vrouws gezondheid.
De strenge uitleg van artikel 40 Sr van de Hoge Raad blijkt ook doordat de wetgever het noodzakelijk achtte elders36 expliciet te vermelden dat bepaalde feiten niet strafbaar waren als ze ‘onder de gegeven omstandigheden als gerechtvaardigd te beschouwen’ waren gezien het algemeen belang of belangen die het belang van naleving van de wet overtroffen, bijvoorbeeld ‘rampen, verkeersstoornissen, plotseling zich voordoende omvangrijke defecten aan fabrieksinrichtingen’. Die gevallen vielen niet onder de beperkte uitleg van artikel 40 Sr.37
Vanaf het Opticienarrest uit 1923 legt de Hoge Raad artikel 40 Sr ruimer uit.38 Het acute karakter van de overmacht, de ‘onweerstaanbaarheid’ van de drang en de uitschakeling van de vrije wil verloren hun belang. Hij accepteerde voor het eerst een beroep op artikel 40 Sr, waarbij hij ook noodtoestand als overmacht kwalificeerde.39
De verdachte, opticien, had ‘s avonds een klant met een beschadigde bril geholpen en daardoor een winkeltijdenbepaling uit de APV overtreden.40 De rechtbank oordeelde hem niet strafbaar door de maatschappelijke verplichting van een opticien om hulp te verlenen aan dergelijke klanten in een zeer hulpbehoevende toestand. Door deze verplichting was de opticien volgens de rechtbank ‘in zo sterke mate […] gedrongen […], dat zij zijn strafbaarheid ten aanzien van de noodzakelijk daaruit volgende overtreding […] opheft’.41 De Hoge Raad las hierin ‘een geval van overmacht in de zin van de wet’ en overwoog dat artikel 40 Sr ‘blijkens de geschiedenis der wet ook de toestand van nood omvat’. Hij liet het vonnis in stand. Dat dit een versoepeling is van de voorwaarden voor overmacht, blijkt uit de overweging van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad dat de verdachte misschien ook tot de volgende morgen had kunnen wachten, aangezien hij blijkbaar niet zo hulpbehoevend was dat hij niet meer in staat was om zelfstandig naar de winkel te komen.
Overmacht werd een belangrijke strafuitsluitingsgrond voor feiten gepleegd tijdens de Tweede Wereldoorlog.42 Het ging om gevallen waarin het feit hetzij door angst niet verwijtbaar was (psychische overmacht),43 hetzij gerechtvaardigd was omdat de verdachte had gekozen voor een belang dat zwaarder woog dan naleving van de strafwet (noodtoestand).44
Psychische overmacht werd aangenomen bij het verraden van medeverzetslieden.45 De verdachte stelde onder druk te zijn gezet, ‘eerst door op hem persoonlijk toegepaste mishandelingen, en toen dit niet direct hielp, door mishandeling van twee kinderen van vijf en vier jaar; in het bijzijn van hun joodse moeder, welke kinderen men op armen en benen sloeg en tenslotte dreigde armen en benen te breken’. Gezien zijn slechte lichamelijke en geestelijke gezondheid nam het hof aan dat de verdachte onder zodanige dwang had gehandeld dat hij zijn wil niet in vrijheid kon bepalen en dat hij uit overmacht het feit had gepleegd. De Bijzondere Raad van Cassatie liet dit in stand.
Noodtoestand werd aanvaard toen een verdachte zich gedwongen voelde tijdens de oorlog elektriciteit te stelen voor de onderduikers en het verzetscentrum in zijn huis.46 Volgens het hof had hij het landsbelang ‘terecht aanwezig […] geacht en […] alsmede terecht het dienen van dit belang […] gesteld boven zijn burgerplicht, de wet na te leven’.
In de jurisprudentie en de literatuur worden nu als gezegd drie vormen van overmacht onderscheiden. Bij absolute overmacht (vis absoluta) was het voor de verdachte feitelijk, fysiek, onmogelijk het strafbare feit niet te begaan, bijvoorbeeld als hij een raam vernielde (art. 350 Sr) doordat hij erdoorheen werd geduwd. In de praktijk speelt absolute overmacht een beperkte rol, omdat daardoor meestal geen strafrechtelijk relevante gedraging is verricht47 en er niet snel wordt vervolgd.48 Deze overmachtsvorm blijft daarom verder buiten beschouwing.
Van de tweede vorm, noodtoestand, is volgens actuele jurisprudentie sprake als ‘in het algemeen gesproken – de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren’.49 Er moeten exceptionele omstandigheden zijn.50 De verdachte moet de noodzaak hebben gehad te kiezen tussen enerzijds het verbod om een strafbepaling te overtreden, en anderzijds een daarmee onverenigbare (ongeschreven51) plicht of onverenigbaar belang, en moet de juiste keuze hebben gemaakt.52 Deze moet proportioneel zijn: het gespaarde belang moet meer waard zijn geweest dan het geschonden belang (dat de overtreden strafbepaling beschermt).53
Een verdachte opsporingsambtenaar had volgens de rechtbank en de Hoge Raad niet de juiste keuze gemaakt door een gesloten spoorwegovergang op te rijden, hetgeen strafbaar was conform een AMvB.54 Hij wilde hierdoor weliswaar hulp verlenen aan iemand die door verschillende jongens werd mishandeld, maar wist dat er een trein naderde. Hij had onvoldoende zorgvuldig gehandeld en te lichtvaardig de regels overtreden, want hij had ‘ook reeds bij een vluchtige waarneming’ moeten en kunnen weten dat hij riskeerde tussen de rails vast te blijven zitten.
Ook moet zijn voldaan aan de subsidiariteitseis: het moet onmogelijk zijn geweest op een andere, minder ingrijpende manier (dan door overtreding van een strafbepaling) het belang te behartigen.55 Bepalend is wat van een specifieke verdachte gevergd mocht worden (de Garantenstellung56); zo mag van een soldaat verwacht worden dat hij niet zijn post verlaat om zijn eigen leven te redden.57Culpa in causa (de verdachte heeft zichzelf verwijtbaar in de overmachtssituatie gebracht) kan in de weg staan aan noodtoestand.58 Verder moeten de relevante belangen voldoende grondig zijn afgewogen.
De directeur van een luchthaven werd verdacht van feitelijk leidinggeven aan het laten gebruiken van een landingsbaan toen dat niet was toegestaan.59 Hij beriep zich op noodtoestand omdat vele te vervoeren kuikens zouden sterven als het vliegtuig op de voorgeschreven tijd zou vertrekken, omdat zij dan op een warme bestemming zouden aankomen op een tijdstip waarop zij niet direct konden worden uitgeladen. De rechtbank verwierp het beroep omdat de verdachte zich onvoldoende had laten informeren over de feiten, en de Hoge Raad liet dit oordeel in stand.
Er hoeft bij een noodtoestand in de zin van artikel 40 Sr geen acuut conflict van plichten te zijn dat direct moet worden opgelost (anders dan de indruk die de term ‘noodtoestand’ wellicht wekt). Noodtoestand kan blijkens de jurisprudentie worden aangenomen bij een weloverwogen keuze waarvoor de tijd is genomen.60 Artikel 40 Sr heeft daarmee een ruim bereik, dat op grond van zijn formulering én de wetsgeschiedenis niet kan worden vermoed.
Dit ruime bereik blijkt ook in de volgende voorbeelden.
Noodtoestand is een mogelijke uitzonderingsgrond in gevallen van euthanasie (art. 293 Sr) en hulp bij zelfdoding (art. 294 Sr).61 Tot 2002 bestond er geen wettelijke bijzondere strafuitsluitingsgrond voor artsen bij euthanasie. De Hoge Raad oordeelde in 1984 dat zij zich wel onder bepaalde voorwaarden kunnen beroepen op noodtoestand.62 In 1994 overwoog hij dat ‘een arts […] in noodtoestand [kan] komen te verkeren, wanneer hij gesteld wordt voor de noodzaak te kiezen uit enerzijds de plicht tot behoud van het leven en anderzijds de plicht om als arts al het mogelijke te doen om ondraaglijk en uitzichtloos lijden van een aan zijn zorgen toevertrouwde patiënt te verlichten’.63 Dat kan ook buiten gevallen van lichamelijke ziekte en patiënten die in de stervensfase verkeren, hoewel dan de beoordeling van een beroep op noodtoestand wel met uitzonderlijk grote behoedzaamheid moet geschieden. De arts moet zijn inzicht dan toetsen aan dat van een onafhankelijke collega die de patiënt zelf heeft gezien en onderzocht.64 De Hoge Raad vraagt dus om een weloverwogen keuze. Waar artsen zich (inmiddels) kunnen beroepen een wettelijke bijzondere rechtvaardigingsgrond in gevallen als deze, kunnen niet-artsen zich ‘in uitzonderlijke omstandigheden’ beroepen op noodtoestand.65 Vanwege die wettelijke grond kunnen dergelijke beroepen van niet-artsen volgens de Hoge Raad echter slechts ‘bij hoge uitzondering’ worden aanvaard, mede in het licht van het maatschappelijk debat. Ook is noodtoestand aanvaard bij hennepteelt (art. 3B Opiumwet), welk delict over een langere periode wordt gepleegd, waardoor het acute karakter hier eveneens ontbreekt.66 De verdachte teelde voor haar echtgenoots ziekteverschijnselen van MS. Hij had geen baat bij hennep van de coffeeshop en de apotheek en had als particulier geen recht op een ontheffing. De Hoge Raad liet de aanvaarding van noodtoestand in stand: de verdachte had gestaan voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, en had de zwaarstwegende laten prevaleren. De situatie was voldoende uitzonderlijk en de verdachte had geen andere opties. De ontheffingsmogelijkheid stond aan het oordeel niet in de weg. De Hoge Raad overwoog dat wanneer ‘de wetgever een bijzondere regeling heeft getroffen voor de afweging van de aan de naleving van de wet verbonden nadelen – in casu in de vorm van de mogelijke verlening van een ontheffing in verband met een geneeskundige toepassing van cannabis – […] een beroep op noodtoestand niet zonder meer uitgesloten [is], maar een dergelijk beroep […] slechts bij hoge uitzondering [zal] kunnen worden aanvaard.’ Het hof had de ‘keuze van de wetgever […] tot uitgangspunt genomen en vervolgens onderzocht of zich in het concrete geval desalniettemin “bijzondere omstandigheden” hebben voorgedaan op grond waarvan de verdachte in het conflict van plichten en belangen een in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigde keuze heeft gemaakt.’67
Ook de Rechtbank Amsterdam aanvaardde noodtoestand bij hennepteelt (en -bezit).68 De verdachte gebruikte de hennep tegen misselijkheid als bijwerking van (andere) medicatie. Bij andere medicijnen noch gedoogde of legale hennep had hij baat. De rechtbank achtte de hennep nodig ter voorkoming van levensgevaar. Het belang van de verdachte woog zwaarder dan het maatschappelijk belang bij naleving van de Opiumwet.
De derde vorm van overmacht is psychische overmacht (schulduitsluitingsgrond). Daarbij stond de verdachte voor een belangenconflict, maar heeft hij daaruit niet de juiste keuze gemaakt (het handelen was niet proportioneel, of er was een minder vergaand middel), hetgeen is veroorzaakt door wilsonvrijheid en niet verwijtbaar is.69 Het criterium van de Hoge Raad is ‘een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden’.70
Een verdachte had iemand opgelicht vanuit een waanstoornis: hij dacht bezeten te zijn door de geest van zijn overleden vader, en had geld nodig om een medium te betalen om hem daarvanaf te helpen.71 De Hoge Raad keurde de verwerping van psychische overmacht goed: de stoornis was geen van buiten komende drang.72
Uit het criterium van de Hoge Raad blijken eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, hoewel die minder streng zijn dan bij noodtoestand: verdachtes keuze hoeft niet de juiste te zijn.73 Bij psychische overmacht moet de rechter normatief afwegen wat van de verdachte verwacht mocht worden gegeven zijn eigenschappen en capaciteiten.74 Bij een beroep of positie waardoor meer van de verdachte wordt verwacht, zijn de eisen zwaarder (de eerder genoemde Garantenstellung). Culpa in causa kan ook psychische overmacht uitsluiten.75
Een van belaging van zijn ex-partner verdachte beriep zich op psychische overmacht, omdat hij zich ernstig bedreigd voelde door haar netwerk.76 Volgens het hof had hij die bedreigingen zelf veroorzaakt, en waren zij vooraf voorzienbaar en vermijdbaar. Zijn beroep werd verworpen.
Er moet volgens de literatuur sprake zijn van exceptionele, ‘zeer prangende omstandigheden’ waardoor de drang wordt uitgeoefend; de eisen aan psychische overmacht zijn streng. De rechter moet de omstandigheden ‘voldoende dwingend’ vinden.77
Zo liet de Hoge Raad de verwerping in stand van psychische overmacht van een vrouw in een problematische relatie78 die haar partner had gedood.79 De avond voorafgaand was zij verkracht en met de dood bedreigd en haar dochter bedreigd met verkrachting. Volgens het hof had de verdachte gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging, maar niet door een zodanige drang dat zij niet anders kon of behoorde te handelen. Zij had zich anderszins kunnen en moeten onttrekken aan haar partner. Op het moment van het feit was geen sprake van ‘een situatie waarin zij voor de beslissende en onvermijdelijke keus tussen haar eigen leven en dat van [haar partner] stond’; haar partner sliep.
Hoge eisen voor psychische overmacht golden ook bij een veroordeling voor mishandeling van en doodslag op een kind.80 De verdachte kwam uit India, sprak geen Nederlands en haar leefomgeving was beperkt tot het gezin waarvoor zij werkte. De ouders van het slachtoffer woonden net als de verdachte in bij het gezin. Deze ouders buitten de verdachte uit en mishandelden haar fysiek en mentaal. Volgens hen was het kind door een geest bezeten en moest de verdachte haar mishandelen en doden. Het hof verwierp verdachtes beroep op psychische overmacht omdat van haar in redelijkheid en in het bijzonder in de Nederlandse samenleving mocht worden gevergd dat zij het kind had proberen te redden. Ze had weerstand moeten bieden vanwege ‘de inbreuk op het (internationaal geldende) absolute recht op leven van de peuter’. De Hoge Raad liet dit in stand; terecht was tot uitdrukking gebracht dat psychische overmacht bij ‘mishandeling en levensberoving van een zeer jong kind, […] alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden aanvaard.’
De eerder omschreven constitutionele beperkingen van billijkheidsuitzonderingen81 komen niet expliciet voor in de jurisprudentie van de Hoge Raad over artikel 40 Sr (in de zin van noodtoestand of psychische overmacht). Ze worden echter ook niet overschreden. Ook in literatuur over artikel 40 Sr wordt doorgaans niet ingegaan op constitutionele eisen, maar ze blijken wel in de gestelde voorwaarden voor overmacht.82
De eerste staatsrechtelijke eis aan uitzonderingen dat toepassing van in een concreet geval tekstueel toepasselijke wettelijke voorschriften voorop staat en dat er slechts beperkte ruimte is voor uitzonderingen, blijkt uit de al genoemde strenge eisen van de Hoge Raad aan beide vormen van overmacht. Ten tweede is voor uitzonderingen op formele wetsbepalingen slechts plaats vanwege niet-verdisconteerde omstandigheden, zo leidde de Hoge Raad af uit artikel 120 Gw voor ongeschreven uitzonderingen én uitzonderingen krachtens artikel 6:2 lid 2 BW. Met dat voorschrift is artikel 40 Sr vergelijkbaar in die zin dat het een veelomvattende grondslag is voor uitzonderingen. Ten derde mag lagere wetgeving ook buiten toepassing worden gelaten vanwege reeds verdisconteerde omstandigheden, maar moet de rechter daarbij wel terughoudendheid betrachten. Hoewel ook die twee eisen zelden in de jurisprudentie over overmacht expliciet voorkomen, worden zij inhoudelijk gerespecteerd.
Een verdachte stelde dat hij door overmacht was gedwongen tot het zonder rijbewijs rijden op de openbare weg omdat er geen afgesloten terrein in de buurt was om te oefenen voor zijn reeds aangevraagde rijexamen.83 De Hoge Raad verwierp dit: door overmacht zou ‘een algemene uitzondering’ worden aanvaard voor alle bestuurders met een aangevraagd rijbewijs en een oproep voor een examen, hetgeen ‘de rechter [zou doen] treden op het terrein van de tot regeling bevoegde macht’.
Een handelaar in softdrugs beargumenteerde noodtoestand84 omdat zijn handel die in harddrugs zou bemoeilijken.85 De Hoge Raad wees dat af omdat de wetgever de mogelijkheid de handel in softdrugs straffeloos te laten onder ogen had gezien, de voor- en nadelen ervan had afgewogen, en tot strafbaarheid had besloten.
Bij de eerder besproken acceptatie van noodtoestand bij hennepteelt, bestond een ontheffingsmogelijkheid waarvoor de verdachte niet in aanmerking kwam.86 Daarom zag de Hoge Raad slechts ‘bij hoge uitzondering’ ruimte voor noodtoestand. Daaraan was voldaan omdat het hof de ‘keuze van de wetgever […] tot uitgangspunt [had] genomen en vervolgens [had] onderzocht of zich in het concrete geval desalniettemin “bijzondere omstandigheden” hebben voorgedaan op grond waarvan de verdachte in het conflict van plichten en belangen een in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigde keuze heeft gemaakt.’ Een soldaat werd vervolgd voor het niet gehoorzamen van een dienstbevel om een wapen in ontvangst te nemen.87 Hij beriep zich vanwege gewetensbezwaren op psychische overmacht. Het hof verwierp dit omdat gewetensbezwaarden op grond van de wet konden verzoeken om vrijstelling van militaire dienst, en verdachte dit niet had gedaan. De Hoge Raad achtte deze verwerping terecht vanwege de uitputtendheid van de wet.
De Hoge Raad zag geen plaats voor noodtoestand bij een niet-arts die zijn 99-jarige moeder die ‘klaar was met het leven’ was had geholpen te sterven.88 Hoewel voor niet-artsen de wettelijke bijzondere strafuitsluitingsgrond niet geldt, kunnen zij zich ‘in uitzonderlijke omstandigheden’ beroepen op noodtoestand. Dergelijke beroepen kunnen echter vanwege die wettelijke grond slechts ‘bij hoge uitzondering’ worden aanvaard, mede in het licht van het maatschappelijk debat.
Hoewel de rechter het gemakkelijker zal vinden om uitzonderingen op strafbepalingen te kwalificeren als overmacht in de zin van artikel 40 Sr dan als het ongeschreven omw, zie ik bezwaren tegen de extensieve uitleg van de Hoge Raad. Ten eerste spreekt deze gezien de tekst van artikel 40 Sr en zijn geschiedenis niet voor zich. De wettelijke uitdrukking ‘door overmacht gedrongen’ suggereert een bepaalde dwingende89 machteloosheid of onmogelijkheid.90 Ik vind het daarom gekunsteld om onder artikel 40 Sr ook het rustig overdenken van alle opties te begrijpen, zoals in het Opticienarrest. Mijns inziens is het, ten tweede, gelet op de wetsgeschiedenis ook onnatuurlijk om dit een ‘noodtoestand’ te noemen. De wetgever verstond onder noodtoestand als gezegd (slechts) gevallen waarin een verdachte ‘door een onweerstaanbare zucht tot zelfbehoud of tot behoud van naaste betrekkingen gedreven, ook buiten het geval van noodweer een feit pleegt alleen ter afwering van dreigend ogenblikkelijk levensgevaar’.91 De gekunstelde uitleg volgt dus niet de bedoeling van de wetgever, en is daarmee in mijn ogen niet de beste oplossing,92 zeker nu de Hoge Raad in de tijd van Opticien in dergelijke gevallen ook omw had kunnen aannemen. Die grond wordt nu zeer beperkt uitgelegd.
b. Het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid
Omw is een ongeschreven algemene93 rechtvaardigingsgrond. Deze houdt kort gezegd in dat een feit voldoet aan alle bestanddelen van een strafbepaling waardoor het formeel (tekstueel) wederrechtelijk is, maar het toch niet in strijd is met ‘het recht’ en daarmee niet materieel wederrechtelijk, waardoor de strafbaarheid achterwege blijft.94 De eerste en enige keer dat de Hoge Raad een uitzondering op die grond accepteerde was in Veearts uit 1933.95
Het in contact brengen van gezonde koeien met zieke door een veearts viel onder de tekst van een strafbepaling (‘opzettelijk vee in verdachte toestand brengen’). De veearts achtte de besmetting van de koeien op dat moment uit veeartsenijkundig oogpunt nodig omdat dan de ziekte sneller en beter zou verlopen en de koeien minder besmettelijk zouden zijn dan als zij de ziekte later zouden krijgen (wat waarschijnlijk was). De rechtbank sprak een veroordeling uit vanwege overtreding van de strafbepaling. De Hoge Raad overwoog dat als de verdachte gerechtigd was tot het feit omdat hij als veearts had gehandeld ter behartiging van de algemene gezondheidstoestand van het vee, geen veroordeling kon volgen, ‘hetzij op grond dat de strafbaarheid van verdachte is uitgesloten, hetzij op grond dat niet kan worden aangenomen, dat de Veewet […] op handelingen als [deze] het oog heeft gehad’.96 De feitenrechter veroordeelde opnieuw. De Hoge Raad overwoog toen dat weliswaar de wet was overtreden, maar ‘dat niet kan worden aan- genomen, dat [...] zou kunnen worden gestraft de veearts, die [...] handelt niet slechts volgens hetgeen naar eigen inzicht geoorloofd en wetenschappelijk aangewezen is, doch ook volgens in zijn wetenschap algemeen als juist erkende richtsnoeren, en die daarbij, ook alweer volgens algemeen erkend deskundig inzicht, door voorkoming van ernstig lijden, het heil van het in verdachte toestand gebracht vee bevordert; dat [...] niet [...] iemand, die een met straf bedreigde handeling verricht, in elk geval strafbaar is, wanneer niet de wet zelf met zoveel woorden een strafuitsluitingsgrond aanwijst; dat zich immers het geval kan voordoen, dat de wederrechtelijkheid in de delictsomschrijving zelf geen uitdrukking heeft gevonden en niettemin geen veroordeling zal kunnen volgen op grond dat de onrechtmatigheid van de gepleegde handeling in het gegeven geval blijkt te ontbreken en derhalve dan het betrokken wetsartikel op de letterlijk onder de delictsomschrijving vallende handeling niet van toepassing is; dat de strafwet zich wel in de delictsomschrijving van zodanige bewoordingen kan bedienen, dat voor dergelijke, buiten de tekst van de wet zelf liggende beschouwingen, geen ruimte wordt gelaten, doch zulks hier niet het geval is.’97 Ovar volgde.98 Taverne, lid van de kamer van de Hoge Raad die het arrest wees, stelde in zijn annotatie dat het er ‘zeer zeker heel veel op lijkt’ dat de Hoge Raad hier ‘het begrip materiele wederrechtelijkheid toepast’; dat was ‘een zelfstandige constructie van het wederrechtelijkheidsbegrip op buitenwettelijke en buitenrechtelijke gronden althans met erkenning van zulke elementen’.99
Hierna heeft de Hoge Raad nooit meer een beroep op omw aanvaard. Feitenrechters wel, waarbij zij het verschillend uitleggen, net als de doctrine:
omw is een restbegrip (specifieke eisen ontbreken);100
de verdachte heeft adequaat opgetreden;101
hij heeft maatschappelijk niet ongeoorloofd gehandeld;102
er was een redelijk middel tot een redelijk doel;103
de verdachte heeft volgens een (ongeschreven) contrariërende norm gehandeld, zoals een beginsel of een bepaling uit een ander rechtsgebied, die in een individueel geval zwaarder weegt dan het beginsel dat een strafbepaling moet worden toegepast;104
het feit heeft een voordeel (bijvoorbeeld voor de samenleving) opgeleverd dat zwaarder weegt dan het nadeel van het overtreden van de strafbepaling;105
door de strafbepaling te overtreden heeft de verdachte het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, niet geschonden;106
door de strafbepaling te overtreden heeft de verdachte gehandeld ten behoeve van het belang dat de bepaling beoogt te beschermen;107
de maatschappelijke opvatting over de strafbaarheid van de gedraging is gewijzigd in die zin dat zij geen reden meer ziet voor strafbaarheid;108
de opvatting van de wetgever is in voornoemde zin gewijzigd.109
De jurisprudentie van de Hoge Raad is consequenter. Hoewel hij als gezegd slechts éénmaal een beroep op omw aanvaardde, gebruikt hij het begrip ‘ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid’ in latere arresten wel110 en heeft hij het leerstuk nooit herroepen.111 Hij houdt daarmee de mogelijkheid open dat hij een beroep erop wederom zal aanvaarden.112 De Hoge Raad heeft nooit de voorwaarden voor een geslaagd beroep op omw op een rij gezet. Deze kunnen wel worden afgeleid uit arresten waarin hij een aanvaarding van een beroep erop door de feitenrechter vernietigde en uitspraken waarin hij oordeelde dat een klacht over het afwijzen van een dergelijk beroep niet tot cassatie kan leiden.113 Redenen voor de Hoge Raad om beroepen op omw af te wijzen, zijn de volgende.
De eerste is dat de omstandigheden waarom het beroep wordt gedaan, door de wetgever reeds zijn verdisconteerd.114 Dat is als gezegd een algemene constitutionele voorwaarde voor billijkheidsuitzonderingen op formele wetsbepalingen, die de Hoge Raad ontleende aan artikel 120 Gw.115 De Hoge Raad brengt deze grens van omw echter niet in verband met constitutionele uitgangspunten (en zeker niet met artikel 120 Gw).
Een hulpverlener werd verdacht van het ‘aan de nasporingen van politie en justitie onttrekken’ van een weggelopen minderjarige.116 Volgens hem ontbrak de materiële wederrechtelijkheid omdat hij de minderjarige en de ouders alleen zo adequate hulp kon verlenen. De Hoge Raad overwoog dat de nasporingen in de strafbepaling ertoe strekten om juist de politie hulp te laten verlenen, en dat de verdachte ‘wel kon menen, dat de belangen bij hem toen in betere handen waren, doch, indien dit al het geval was, zulks niet een omstandigheid opleverde welke hem gerechtigd deed zijn om eigenmachtig, op de wijze als bewezenverklaard, de behartiging van die belangen aan zich te trekken’.
In een reeds genoemde zaak verwierp de Hoge Raad ook een beroep op omw117 van een verdachte die met zijn handel in softdrugs de handel in harddrugs wilde bemoeilijken.118 De wetgever had de straffeloosheid van softdrugs onder ogen gezien, de voor- en nadelen ervan afgewogen en tot strafbaarheid besloten.
Een verdachte was veroordeeld voor het aanwezig hebben van verboden diergeneesmiddelen.119 Hij vond de strafbepalingen ‘in de praktijk onwerkbaar’, waarin de Hoge Raad las dat hij de wet onvoldoende op de praktijk afgestemd vond en daardoor moeilijk naleefbaar. De rechtbank had terecht overwogen ‘dat zulks [...] niet afdoet aan het overtreden door verdachte van de hierbedoelde strafbepaling, waarvan de innerlijke waarde niet ter beoordeling aan de rechter staat’.
Vervolgd werd voor ontucht met minderjarige prostitués en seks met minderjarigen.120 De verdachte beriep zich op omw vanwege instemming van de minderjarigen. Het hof kende ‘bijzondere betekenis toe aan de aard van het feit zoals dat is bewezenverklaard, en meer in het bijzonder aan het doel dat de wetgever met de strafbaarstelling van dat feit heeft beoogd te dienen’. De wetgever wilde minderjarigen beschermen tegen seksuele handelingen en niet aannemelijk was dat hij instemming relevant achtte voor de strafbaarheid. Het hof verwierp het beroep en de Hoge Raad liet dat in stand.121 Een rijinstructeur werd vervolgd voor een snelheidsovertreding van een leerling.122 Hij pleitte voor omw omdat hij de weg had opgezocht in het leertraject van de leerling, waarbij hij de verkeersveiligheid in het oog had gehouden. De Hoge Raad achtte de verwerping van het beroep terecht omdat de wetgever de vrijstellingsmogelijkheden bij de verkeersregels uitputtend had geregeld en deze niet van toepassing waren.
Bij deze constitutionele voorwaarde van de reeds verdisconteerde omstandigheden hoort dat de Hoge Raad omw afwijst als de overtreding van de strafbepaling maatschappelijk niet als juist wordt aanvaard.123 Dat speelt bijvoorbeeld als een verdachte bezwaren tegen een strafbepaling aanvoert als reden voor overtreding ervan. De strafwet wordt in zulke gevallen doorgaans overtreden wegens reeds verdisconteerde omstandigheden: de wetgever oordeelde immers anders dan de verdachte over de wenselijkheid van strafbaarheid. De eis dat er alleen ruimte is voor een uitzondering vanwege niet-verdisconteerde omstandigheden kan worden vervuld doordat de bezwaren van de verdachte tegen de strafwet in lijn zijn met gewijzigde maatschappelijke opvattingen. Met die opvattingen heeft de wetgever geen rekening kunnen houden en zij kunnen daarom worden beschouwd als niet-verdisconteerd. Had de wetgever de gewijzigde opvattingen voorzien, dan had hij mogelijk niet tot strafbaarheid besloten. Een andere vorm van niet-verdisconteerde omstandigheden is dat een feit weliswaar past binnen de maatschappelijke opvattingen dat het niet strafbaar behoort te zijn, maar dat die opvattingen niet zijn gewijzigd (de opvatting was nooit dat het feit strafbaar behoorde te zijn), maar dat andere omstandigheden van het geval niet zijn verdisconteerd. In dergelijke gevallen velt de rechter door het oordeel omw geen oordeel over de strafbepaling en de afweging die daaraan ten grondslag ligt. Ook is dit oordeel niet in strijd met de democratiegedachte, aangezien de strafbepaling geen uitdrukking (meer) is van de wil van de volksvertegenwoordiging.124
In 1984, dus ruim voor de invoering van de wettelijke bijzondere strafuitsluitingsgrond voor artsen bij euthanasie in 2002, oordeelde de Hoge Raad over een huisarts die een 95-jarige patiënte door euthanasie om het leven had laten komen.125 De verdachte beriep zich op omw ‘omdat het belang dat de door verdachte overtreden norm [...] beoogt te beschermen niet opweegt tegen het belang dat verdachte met overtreding van dat artikel heeft nagestreefd’, namelijk eerbiediging van het zelfbeschikkingsrecht en het verlenen van hulp aan de mens in nood. Het hof wilde wel aannemen dat de maatschappelijke overwegingen over euthanasie waren gewijzigd, maar verwierp omw, omdat, ‘zo het de rechter al vrij zou staan tot de hiervoor omschreven belangenafweging over te gaan’, de opvattingen onvoldoende uitgekristalliseerd waren.126 Volgens de Hoge Raad wilde het hof tot uitdrukking brengen dat verdachtes opvatting dat hij de juiste keuze had gemaakt ‘niet kan worden beschouwd als een maatschappelijk zo algemeen als juist aanvaarde opvatting’ dat euthanasie in dit geval rechtens toelaatbaar was. Met andere woorden: bij voldoende uitgekristalliseerde maatschappelijke omstandigheden is er ruimte voor omw.
Een andere verdachte werd veroordeeld voor het zich tijdens een protestactie tegen kruisraketten onbevoegd op het terrein van een Amerikaanse basis bevinden.127 De rechtbank verwierp omw met instemming van de Hoge Raad omdat verdachtes motieven een uiterst controversiële politieke kwestie betroffen, ‘zodat in elk geval niet gezegd kan worden dat hij op grond van de heersende maatschappelijke opvattingen rechtmatig gehandeld heeft’.
Een tweede reden voor afwijzing van omw is dat de verhouding tussen het door het feit geschonden belang (dat de strafbepaling beschermt) en het gediende belang niet als juist kan worden beoordeeld (de proportionaliteitseis); als het feit geen redelijk middel is tot een redelijk doel.
Een verdachte had een automobilist mishandeld die wilde vluchten van de plaats van het door hem veroorzaakte ongeval.128 De Hoge Raad liet de afwijzing van omw in stand omdat niet aannemelijk was dat het feit een ‘redelijk middel’ opleverde ‘tot het bewerkstelligen van het gestelde doel’.
De verdachte moet ervan overtuigd zijn geweest dat hij door het strafbare feit zijn doel kon bereiken.
Een verdachte was veroordeeld voor het onbevoegd betreden van een bedrijfsterrein.129 Hij beriep zich op omw omdat hij een volgens hem onrechtmatige situatie had willen beëindigen, namelijk het door het bedrijf ‘opwerken van uranium uit Namibië’. De Hoge Raad vond zijn beroep terecht verworpen omdat hij ‘niet meende [...] met [zijn] ageren in staat te zijn aan de door [hem] onrechtmatig geachte situatie een einde te maken’.
Omw werd bij een verkeersbelemmering afgewezen omdat de verdachte er niet van overtuigd was geweest dat zijn protestactie echt een eind kon maken aan de plaatsing van kruisraketten.130
Een derde en laatste reden voor afwijzing van omw is dat er een andere, minder ingrijpende optie was om het doel te bereiken (de subsidiariteitseis).131
Een verdachte had plaatsnaam- en wegwijzerborden met verf besmeurd omdat hij vond dat plaatsaanduidingen in het Fries moesten zijn in plaats van in het Nederlands.132 Van de Hoge Raad had hij moeten kiezen voor ‘wettige wegen’ om zijn doel te bereiken, zelfs als hij die al verschillende malen tevergeefs had bewandeld, aangezien het niet per se opnieuw vruchteloos zou zijn.
Bij een lokaalvredebreuk om een staatssecretaris te bewegen een gesprek voort te zetten, wees het hof omw af omdat de verdachte langs ‘de normale staatsrechtelijke weg’, via de Staten-Generaal, kon proberen de staatssecretaris zijn beleid te doen herzien.133 De Hoge Raad overwoog dat dit oordeel geen blijk gaf van een onjuiste opvatting omtrent omw.
Een rijinstructeur stelde dat hij niet de wettelijk verplichte autogordel kon dragen omdat die direct ingrijpen in gevaarlijke situaties verhinderde.134 Volgens de Hoge Raad was het nalaten een ontheffing aan te vragen ‘op zichzelf reeds voldoende grond’ voor de verwerping van omw.
Volgens een verdachte die was veroordeeld voor het niet vervullen van de vervangende dienstplicht op grond van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst, ontbrak de materiële wederrechtelijkheid omdat deze wet ‘een onrechtvaardige wet is, een wet die gewetensbezwaren slechts accepteert, maar niet respecteert’.135 Volgens het hof had de verdachte echter gebruik moeten maken van de wettelijke mogelijkheden voor personen met antimilitaristi- sche opvattingen, en waren verdachtes redenen om dat niet te doen ‘juridisch onaanvaardbaar’. De Hoge Raad liet dit in stand.
Door het verboden niet-emissiearm gebruiken van dierlijke meststoffen op grasland werd het doel en/of de handhaafbaarheid van de overtreden strafbepaling volgens de verdachte beter gediend dan door naleving ervan.136 De Hoge Raad vond dat hij een vrijstellingsverzoek had moeten doen.
Kortom: voor het slagen van een beroep op omw is vereist dat de rechter niet oordeelt over een strafbepaling, maar er door de wetgever niet-verdisconteerde omstandigheden zijn, en dat het feit voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dezelfde voorwaarden gelden voor noodtoestand in de zin van artikel 40 Sr.137 Omw en noodtoestand lijken dus op elkaar. Ze bieden een vergelijkbare grondslag voor uitzonderingen ten voordele van verdachten. Beide geven de rechter ruimte voor eigen belangenafwegingen – dat de één ongeschreven is, en de ander niet, maakt voor de rechterlijke afweging weinig verschil, zo is ook al lang geleden in de literatuur opgemerkt.138
Dit verklaart dat in de meeste zaken waarin is voldaan aan de eisen voor omw ook noodtoestand kan worden aangenomen. Dat blijkt uit gevallen waarin de feitenrechter in de periode van 1980 tot heden139 een beroep op omw accepteerde;140 daarin lijkt ook sprake van noodtoestand.
Feitenrechters aanvaardden omw in de volgende zaken (terwijl dat dus ook noodtoestand had kunnen zijn).
1. Een huisarts werd vervolgd voor hulp bij zelfdoding141 omdat hij een 96-jarige patiënte had geholpen te sterven. De rechtbank oordeelde dat zijn handelingen de toets aan de eisen van de allergrootste zorgvuldigheid konden doorstaan en accepteerde omw.142 In hoger beroep werd veroordeeld zonder strafoplegging,143 maar volgens de Hoge Raad had noodtoestand moeten worden onderzocht.144
2. Een rechtbank accepteerde omw van een verdachte van wapenbezit: de wapens behoorden niet toe aan verdachte en hij had ze slechts ontladen om in het belang van de aanwezige kinderen een gevaarlijke situatie te beëindigen.145
3. Een verdachte van heling vanwege het bezit van een gestolen rijbewijs en paspoort ging vrijuit omdat hij de voorwerpen slechts wilde teruggeven aan de rechtmatige eigenaar.146
4. Een moeder werd verdacht van heling omdat zij een mobiele telefoon voorhanden had gehad wetende dat haar zoon die had gestolen.147 Ze had de telefoon naar de politie gebracht. Volgens het hof had ze ‘vanuit pedagogisch, maatschappelijk en juridisch oogpunt gehandeld zoals van een goede moeder en burger verlangd mag worden’. De strafbepaling moest voorkomen dat iemand profiteert van het misdrijf van een ander of soortgelijke misdrijven uitlokt; beide had de moeder niet gedaan.
5. Bij het onttrekken van een goed aan een boedel ontbrak de materiële wederrechtelijkheid omdat ‘bij de huidige stand van wetgeving en jurisprudentie de toepasselijke faillissementsnormen niet zijn geschonden’.148
6. Een militair werd ervan verdacht een andere militair opzettelijk te hebben aangerand.149 Verdachte had die ander een dienstbevel gegeven om de kamer te verlaten. Hieraan was tot driemaal toe geen gehoor gegeven, waarna de verdachte hem had vastgepakt en de kamer uit geduwd. Hij beriep zich hierbij op een wettelijk voorschrift dat bepaalt dat degene die weet dat een mindere een gedragsregel overtreedt maar geen maatregelen neemt, in strijd met de militaire tucht handelt.150 Het hof oordeelde het feit niet disproportioneel en zodanig passend dat de materiële wederrechtelijkheid ontbrak.
7. Een verkeersregelaar werd verdacht van vernieling omdat hij met een vlaggenstok tegen een auto had geslagen ter voorkoming van het inrijden op overstekende skeeleraars.151 Volgens de rechtbank werd ‘een (veel) hoger belang’ gediend dan het belang van de strafbepaling, en had verdachte geen andere keuze dan die te overtreden.
8. De verdachte had zijn lammeren te laat geoormerkt omdat ze eerder waarschijnlijk ziek waren geworden.152 Ook was in de periode tussen het feit en de zitting de toepasselijke regeling gewijzigd (de termijn was verlengd), en was het feit volgens de nieuwe regeling niet strafbaar. De rechter zag hierin de bedoeling van de wetgever om de verdachte straffeloos te laten en accepteerde omw.
9. Een politieambtenaar werd verdacht van mishandeling omdat hij iemand die geen bedreiging meer vormde met een wapenstok had geslagen.153 De rechtbank aanvaardde omw omdat de verdachte ‘ter handhaving van de openbare orde in redelijkheid [had] kunnen besluiten de wapenstok ter hand te nemen teneinde zich te verdedigen tegen de belaging door aangever en om verdere escalatie te voorkomen’. Hij had gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
In deze zaken lijkt dus ook voldaan aan de voorwaarden voor noodtoestand.154 Overigens was het in verschillende gevallen ook mogelijk de strafbaarheidsuitsluiting op een ander wettelijk voorschrift te baseren.155 In geval 8 lijkt toepassing van het lex mitior-beginsel (art. 1 lid 2 Sr) aangewezen nu de regelgeving ten gunste van de verdachte was aangepast door een verandering van inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van het feit. In 6 en 9 had de rechter ook conform artikel 42 Sr straffeloosheid kunnen aanne- men omdat verdachten hadden gehandeld ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. In geval 5 had de rechter zijn vrijspraak kunnen motiveren met het niet bewezen zijn van het bestanddeel wederrechtelijkheid (dat hij nu inlas in ‘onttrekken’).
Als de Hoge Raad nu moest oordelen in het Veeartsarrest,156 had hij mogelijk ook noodtoestand aangenomen.157
Illustratief is een actuele zaak die inhoudelijk erop lijkt, maar waarin noodtoestand werd aanvaard.158 Verdachte was als één van de weinige dierenartsen ter wereld gespecialiseerd in duivengeneeskunde. Bewezen verklaard was dat hij niet-geregistreerde geneesmiddelen had afgeleverd.159 Volgens de Hoge Raad had het hof noodtoestand kunnen aannemen als met de in Nederland verkrijgbare geregistreerde geneesmiddelen de onder duiven veelvuldig voorkomende ziekten onvoldoende effectief konden worden bestreden.
Niet élk geval van noodtoestand voldoet echter ook aan de voorwaarden voor omw van de Hoge Raad. Momenteel definieert de Hoge Raad noodtoestand als gezegd zo dat ‘de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren’.160 Een zo duidelijke definitie gaf hij niet van omw.161 Uit het eerder beschreven arrest uit 1984 kan wél worden afgeleid waarin omw zich volgens de Hoge Raad onderscheidt van noodtoestand.162
De verdachte werd beschuldigd van verboden euthanasie op grond van artikel 293 Sr. Volgens de Hoge Raad kon het hof omw verwerpen omdat de opvatting van de verdachte ‘niet kan worden beschouwd als een maatschappelijk zo algemeen als juist aanvaarde opvatting, dat op grond daarvan euthanasie, toegepast op een wijze en onder omstandigheden als te dezen is geschied, reeds op zich zelf rechtens toelaatbaar zou zijn en mitsdien van een strafbaar handelen als in artikel 293 Sr omschreven geen sprake zou kunnen zijn’ (cursief FB). Dat sloot niet uit dat er wél sprake was van noodtoestand in de zin van artikel 40, als ‘de verdachte de plichten en belangen welke in het onderhavige geval tegenover elkaar stonden zorgvuldig — in het bijzonder volgens normen van medische ethiek en met de kennis van zaken waarover hij uit hoofde van zijn beroep als medicus geacht moet worden te beschikken — tegen elkaar heeft afgewogen en daarbij een keuze heeft gemaakt welke — objectief beschouwd en gelet op de zich te dezen voordoende bijzondere omstandigheden — gerechtvaardigd was.’
Omw verschilt dus blijkens dit arrest van noodtoestand doordat voor omw een feit volgens de maatschappelijke opvattingen rechtens toelaatbaar moet zijn. De meeste beroepen op omw voldoen aan het criterium voor noodtoestand dat ‘de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren’. In dergelijke gevallen zal de rechter noodtoestand aannemen – waardoor de mogelijkheid van uitzonderingen op grond van omw voor die gevallen geen toegevoegde waarde heeft. Dat is slechts anders als een beroep op omw geen noodtoestand oplevert. Die gevallen zijn vanwege de extensieve uitleg van artikel 40 Sr beperkt in aantal. Verder mag omw bij een strafbepaling in een formele wet slechts worden aanvaard bij niet-verdisconteerde omstandigheden.
Gevallen die voldoen aan de eisen van omw zijn zodoende onder te verdelen in (minimaal) drie categorieën.
Te denken valt ten eerste aan feiten gepleegd vanuit bezwaren tegen een strafbepaling. Het is onnatuurlijk dat de bezwaren van de verdachte de voor overmacht vereiste ‘plichten of belangen’ zouden zijn, en dat de verdachte stond voor de ‘noodzaak’ daaruit te kiezen. In deze categorie valt de theorie over de burgerlijke ongehoorzaamheid van Schuyt op haar plaats: ze kan re- den zijn voor de aanvaarding van omw.163 Burgerlijke ongehoorzaamheid komt immers vaak neer op het ter discussie stellen van een strafbepaling. Voor een succesvol beroep op omw moeten verdachtes bezwaren overeenstemmen met de maatschappelijke opvattingen over de gewenste straffeloosheid van het feit. Die opvattingen impliceren meestal dat zij zijn gewijzigd ten opzichte van het moment van invoering van de strafbepaling, en dat levert niet-verdisconteerde omstandigheden op.164
Ten tweede komt voor omw in aanmerking overtreding van een strafbepaling niet uit protest daartegen, maar terwijl wel de maatschappelijke opvatting over dat feit óf over de strafbepaling zodanig is gewijzigd dat het feit rechtens toelaatbaar behoort te zijn. Een voorbeeld is het dragen van een T-shirt van Che Guevara door een verdachte die dat mooi vindt, terwijl het hem niet uitmaakt dat de afbeelding een bepaald staatkundig streven uitdrukt. Hij blijkt echter strafbaar volgens de tekst van art. 435a Sr (‘hij die in het openbaar kledingstukken of opzichtige onderscheidingstekens draagt of voert, welke uitdrukking zijn van een bepaald staatkundig streven’). Dat werd in 1936 ingevoerd vanwege omstandigheden van die tijd: getracht werd het geüniformeerd optreden van de NSB tegen te gaan.
Ten derde zijn geschikt voor omw feiten waarvan de maatschappelijke opvatting nooit is geweest dat zij strafbaar behoorden te zijn, hoewel ze volgens de wettekst strafbaar zijn, en ze beschouwd kunnen worden als door de wetgever niet-verdisconteerd. Een voorbeeld is een 17-jarige die wordt verdacht van vervaardiging en bezit van afbeeldingen van seksuele gedragingen met een andere 17-jarige die daarmee instemde, voor hun eigen gebruik. Tekstueel valt dit onder artikel 240b Sr, maar de wetgever wilde dergelijke feiten niet strafbaar stellen: hij koos enkel voor deze formulering vanwege gewenste eenduidigheid en meende dat ‘het opportuniteitsbeginsel kan waarborgen dat deze bepaling in de praktijk op juiste en verantwoorde wijze wordt toegepast’.165 Reden om hier omw aan te nemen zijn aldus de niet-verdisconteerde omstandigheden van het geval, waarvoor de wetgever de strafbepaling (juist) niet heeft geschreven.166 Overigens oordeelde de Hoge Raad weliswaar dat dergelijke gedragingen inderdaad straffeloos kunnen zijn, maar deed hij dit door interpretatie van de delictsomschrijving.167 Aangezien dat gekunsteld is, vind ik omw te verkiezen.
Dat in een concreet geval aan al deze voorwaarden voor omw is voldaan, kan lastig aantoonbaar zijn.
Ten eerste is niet altijd hard te maken dat de opvatting van de verdachte maatschappelijk algemeen als juist is aanvaard. Niet alleen is de maatschappelijke opvatting lastig aantoonbaar, maar ook is slechts in bijzondere gevallen algemeen aanvaard dat een strafbaar gesteld feit niet strafbaar behoort te zijn.
Iemand werd verdacht van het bedrijfsmatig telen van hennep. Hij beriep zich op omw en stelde dat de ‘brede maatschappelijke discussie thans zo ver is gevorderd dat het telen van hennep niet langer strafbaar geacht moet worden’ als bij die teelt wordt voldaan aan een aantal voorwaarden waarbij ‘wordt aangesloten bij een gedoogregeling gelijkend op die geldt voor de verkoop van hennepproducten’.168 Het hof vond dat het ‘grote terughoudendheid’ moest betrachten bij de toepassing van omw, en dat een dergelijk beroep ‘slechts in zeer bijzondere gevallen’ kans van slagen heeft. In deze zaak zou ‘in de eerste plaats onomstotelijk vast moeten komen te staan dat de voorwaarden, waaronder de hennepteelt gedoogd zou kunnen worden, het resultaat zijn van een breed gevoerd en uitgekristalliseerd maatschappelijk debat, anders gezegd, er moet vast staan dat er een hoge mate van maatschappelijke consensus is over de voorwaarden waaronder de hennepteelt gedoogd zou kunnen worden. Verdachte is er niet in geslaagd het hof er van te overtuigen dat de voorwaarden waar hij zich aan heeft gehouden het resultaat zijn geweest van een zodanig debat en ook overigens is het hof daarvan niet gebleken, zodat het verweer van verdachte hierom wordt verworpen’.
Specifiek bij gevallen van burgerlijke ongehoorzaamheid gaat het doorgaans om de verkondiging van een minderheidsstandpunt,169 waardoor niet voldaan kan worden aan de eis van de maatschappelijk algemeen als juist aanvaarde opvatting.
Ten tweede mogen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit niet zijn overschreden – en ook daaraan wordt blijkens de eerder besproken jurisprudentie streng de hand gehouden. Ook dat kan zeker bij burgerlijke ongehoorzaamheid problematisch zijn: wanneer staat een strafbaar feit in verhouding tot het belang van het uiten van bezwaren tegen de strafbaarheid, en wanneer had de verdachte geen lichtere optie?
Ook zal in de zeldzame gevallen waarin aan de voorwaarden is voldaan, meestal niet worden vervolgd, waardoor rechters geen kans krijgen voor het uitspreken van omw.
Voor het dragen van T-shirts met Che Guevara wordt eigenlijk niet vervolgd, en de wetgever van het kinderpornografie-artikel verwachtte als gezegd al geen vervolging van het uitwisselen van afbeeldingen tussen oudere minderjarigen.170
Conclusie is dat omw pas in aanmerking komt als een uitzondering niet past binnen de nu gebruikelijke extensieve uitleg van artikel 40 Sr. Maatschappelijk algemeen als juist moet zijn aanvaard dat het feit niet strafbaar behoort te zijn, en aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit moet zijn voldaan. Er moet ook sprake zijn van niet-verdisconteerde omstandigheden. Dit alles maakt de ongeschreven rechtvaardigingsgrond beperkt toepasbaar – maar niet overbodig.171
De extensieve uitleg van artikel 40 Sr toont dat het de strafwetgever niet is gelukt om alle mogelijke uitzonderingsbevoegdheden bij strafbepalingen in wetgeving neer te leggen. Het is dan ook onmogelijk alle gevallen waarin een uitzondering aangewezen zal zijn te voorzien en wetgeving daarop toe te spitsen, tenzij een wettelijke uitzondering zo ruim wordt geformuleerd dat de beslissing erover in concrete gevallen alsnog bij de toepasser ligt. Illustratief is dat de Awb-wetgever slechts heeft bepaald dat bestuursorganen geen bestuurlijke sanctie opleggen ‘voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond’ (art. 5:5).
Daarnaast is de extensieve wijze waarop artikel 40 Sr in de loop der tijd in de rechtspraak is uitgelegd als gezegd niet vanzelfsprekend gezien de tekst en geschiedenis van de bepaling, en wellicht zelfs gekunsteld. De strafrechtspraak had in plaats daarvan ook omw (vaker) kunnen aannemen. Bij een beperktere uitleg van artikel 40 Sr had omw een ‘echte’ restfunctie kunnen hebben, waar zijn toepassingsbereik nu is beperkt door de eis dat de maatschappelijk algemeen als juist aanvaarde opvatting was dat het strafbare feit rechtens toelaatbaar was. Dat een ongeschreven rechtvaardigingsgrond een restfunctie heeft, acht ik natuurlijker en daarom wenselijker dan dat een niet geheel open omschreven wetsbepaling als artikel 40 Sr deze krijgt toebedeeld. Daar staat overigens tegenover dat de restfunctie van artikel 40 Sr in de jurisprudentie en literatuur algemeen geaccepteerd is, en niet blijkt dat deze en het veelvuldig afwijzen door de Hoge Raad van beroepen op omw onbevredigende veroordelingen opleveren.
c. Afwezigheid van alle schuld
Een derde strafuitsluitingsgrond op basis waarvan een billijkheidsuitzondering gemaakt kan worden, is de ongeschreven schulduitsluitingsgrond avas. Deze is geaccepteerd in de literatuur en de rechtspraak sinds het Melk-en-waterarrest.172
Een boer stond terecht voor het doen plegen van het afleveren van met water aangelengde melk, terwijl hij die verkocht als ‘volle melk’.173 Hij stelde dat niet hij strafbaar was, maar zijn knecht, die de melk had afgeleverd, onwetend dat deze was aangelengd. Schuld was in de strafbepaling geen voorwaarde voor strafbaarheid. Desalniettemin overwoog de Hoge Raad dat iemand wiens schuld geheel ontbreekt niet strafbaar is. Niets, ‘bepaaldelijk niet de geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht’, dwingt ertoe dat ongeschreven schulduitsluitingsgronden niet mogen worden aanvaard. Een veroordeling zonder verwijtbaarheid zou indruisen tegen het rechtsgevoel en het ‘ook in ons strafrecht gehuldigde’ beginsel ‘geen straf zonder schuld’. De rechtbank had terecht beslist dat de knecht ‘willoos werktuig’ was, en de boer schuldig.
Avas wordt aanvaard onder uiteenlopende omstandigheden. Net als overmacht en omw wordt ze in de literatuur ‘een verzamelbegrip, een restcategorie’ genoemd.174 Doet de verdachte een beroep erop, dan beoordeelt de rechter (slechts) of hij heeft mogen handelen zoals hij heeft gedaan (een normatieve toets). Een Garantenstellung en culpa in causa kunnen (net als bij overmacht175) strengere eisen doen stellen.176
De Garantenstellung was herkenbaar toen het hof de hoedanigheid van de verdachte als huurster en onderverhuurster van een gedeelte van een opslagruimte voor handelsgoederen betrok bij de beoordeling van avas.177 Een onderhuurder had gevaarlijke stoffen opgeslagen, waarvoor de verdachte als huurster werd vervolgd. Het hof verwierp avas. Vanwege haar feitelijke zeggenschap over de ruimte had verdachte de opslag kunnen weigeren.
Dezelfde constitutionele eisen gelden bij toepassing van avas als bij artikel 40 Sr en omw.178 Hoewel ze in rechtspraak en literatuur over (ook) avas niet zo expliciet ter sprake komen, is wel gesteld dat de tekstueel toepasselijke strafbepaling ‘mede de normatieve ruimte [bepaalt] die er voor aanvaarding van een beroep op avas bestaat’.179
Een verdachte die terechtstond wegens seksuele gemeenschap en ontucht met minderjarigen beriep zich op avas omdat hij meerderjarigheid aannam; hij had naar hun leeftijd gevraagd.180 Volgens de Hoge Raad moet een beroep op avas worden beoordeeld ‘in verband met de aard en de strekking’ van de strafbepalingen. Deze beoogden juist jeugdige personen te beschermen tegen verleiding die mede van hen zelf kan uitgaan, die volgens de Hoge Raad zou worden gemist door het beroep te honoreren.
In de doctrine worden op basis van de jurisprudentie verschillende vormen van avas onderscheiden; ten eerste, verontschuldigbare feitelijke dwaling,181 zoals in de hiervóór genoemde arresten. De verdachte heeft een strafbepaling dan overtreden door niet-verwijtbare onbewustheid van omstandigheden. Onder feitelijke dwaling vallen ook putatieve overmacht en putatieve noodweer: als de verdachte een overmachts- of noodweersituatie aannam en mocht aannemen waardoor hij een strafbepaling mocht overtreden, terwijl deze veronderstelling later onterecht blijkt.182
De tweede vorm van avas is verontschuldigbare rechtsdwaling:183 als een verdachte ‘heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging, waarvan sprake kan zijn indien hij is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat hij in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen’.184 De eisen hiervoor zijn streng; hoofdregel is dat iedereen de wet behoort te kennen.185
Een motorrijder overtrad de wet doordat hij de politie geen nationaliteitsbewijs kon tonen.186 Hij beriep zich op avas omdat hij de Opperwachtmeester der Rijkspolitie advies had gevraagd, en die (naar later bleek ten onrechte) had gezegd dat zijn papieren voldeden. Volgens de Hoge Raad mocht het hof ‘een verontschuldigbare onbewustheid van het verboden zijn der handeling’ aannemen en daarom avas. Verdachte hoefde geen specifieke vraag over een nationaliteitsbewijs te hebben gesteld.
Een ander beriep zich op verontschuldigbare rechtsdwaling voor het bezit van een verboden wapen omdat een publicatiefolder van het Ministerie van Justitie en twee opsporingsambtenaren onafhankelijk van elkaar bij hem het vertrouwen van geoorloofdheid hadden gewekt.187 Volgens de Hoge Raad kon aan de folder een zodanig gewicht worden toegekend dat sprake kan zijn van verontschuldigbare rechtsdwaling als de verdachte tijdens het feit door stellige en duidelijke informatie in de overtuiging verkeerde en mocht verkeren dat zijn gedraging straffeloos was.
De derde vorm van avas is verontschuldigbare onmacht: een verdachte kon er niets aan doen dat hij het feit pleegde.188
Een verdachte had zijn verplichte onderwijs niet gevolgd.189 Volgens het hof trof hem onder de specifieke omstandigheden van het geval ‘geen enkel verwijt’. Met verdachtes zodanig complexe geestelijke en lichamelijke problemen wisten hulpverlenende instanties niet om te gaan. Ten onrechte had hij ook geen medicijnen gehad.
Een spookrijder stelde na een eerdere botsing ‘een soort black-out’ te hebben gehad, niet te weten waarom hij was gaan spookrijden, en ‘geheel in de war’ te zijn geweest.190 De rechtbank had de verwerping van avas191 voor de Hoge Raad onvoldoende (want niet) gemotiveerd.
Het hof nam avas aan omdat ‘verdachte van het aanwezig hebben van de bewezen verklaarde hennepplanten geen verwijt [kon] worden gemaakt’.192 Zij was net aangekomen in het haar onbekende Nederland, en moest verblijven in haar echtgenoots woning waar werd geteeld. Ze had zich aan het feit redelijkerwijs niet kunnen onttrekken.
De vierde vorm van avas is het betrachten van voldoende zorg: als de verdachte redelijkerwijs genoeg heeft gedaan om het strafbare feit te voorkomen.193
Een handelaar werd verdacht van verkoop van pinda’s met teveel van het giftige aflatoxine B1.194 Hij had bij de inkoop geselecteerd op het land van oorsprong afhankelijk van controles daar op de stof, en de pinda’s zorgvuldig getransporteerd, door een betrouwbare instantie laten controleren, correct opgeslagen en van vreemde bestanddelen geschoond. Volgens de rechtbank had hij daarmee weliswaar de maximale zorgvuldigheid betracht, maar was hij strafbaar omdat hij zich ervan bewust was dat hij de strafbepaling zou kunnen overtreden. De Hoge Raad vond dat redelijkerwijze geen verwijt kon worden gemaakt en niet veroordeeld kon worden voor alleen het nemen van een risico.
Iemand die in Nederland was geweest wetende dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard, had volgens de Hoge Raad onvoldoende zorg betracht.195 Hij had papieren voor de aanvraag van een reisdocument moeten proberen te krijgen door bijvoorbeeld familie of zijn vorige gemeente aan te schrijven.
Avas heeft – meer dan omw196 – een functie naast de andere strafuitsluitingsgronden. Ze biedt de rechter een grondslag voor straffeloosheid voor een ruim aantal gevallen waarin geen andere grond van toepassing is. Avas onderscheidt zich van psychische overmacht doordat er volgens de jurisprudentie geen ‘van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden’197 hoeft te zijn. Ook hoeft er niet zoals bij noodtoestand een noodzaak te zijn geweest om te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, waarbij de juiste keuze is gemaakt om de zwaarstwegende te laten prevaleren.198 Anders dan voor omw hoeft het feit volgens de maatschappelijke opvattingen niet straffeloos te zijn.199 Bij avas blijft het gepleegde feit wederrechtelijk; het is alleen niet verwijtbaar. Dat rechtvaardigt minder zware eisen dan aan rechtvaardigingsgronden.
d. Conclusie over de strafuitsluitingsgronden als grondslag voor billijkheidsuitzonderingen
In deze paragraaf zijn verschillende strafuitsluitingsgronden aan de orde geweest, die grondslag zijn voor billijkheidsuitzonderingen op strafbepalingen: overmacht (art. 40 Sr) onderverdeeld in noodtoestand en psychische overmacht, gevolgd door het (ongeschreven) omw, en de (eveneens ongeschreven) avas. Deze gronden bieden de rechter de gelegenheid om het rechtsgevolg strafbaarheid van een tekstueel overtreden strafbepaling buiten toepassing te laten. De wetgever heeft niet bepaald welke belangen de rechter hierbij dient mee te wegen, en hoe. De ongeschreven strafuitsluitingsgronden zijn in de jurisprudentie aanvaard; overmacht is weliswaar in de wet neergelegd, maar is ruim omschreven, en nog ruimer uitgelegd in de rechtspraak (zelfs extensiever dan de wetgever heeft bedoeld).
In de jurisprudentie is dus beslist wat de strafuitsluitingsgronden inhouden. Omw onderscheidt zich van de andere gronden doordat de maatschappelijk algemeen als juist aanvaarde opvatting is dat de overtreding van de strafbepaling niet strafbaar behoort te zijn. Noodtoestand vereist een juiste keuze tussen conflicten en belangen die de verdachte genoodzaakt was te maken. Voor psychische overmacht moet er een van buiten komende drang zijn geweest waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Voor avas hoeft alleen aannemelijk te zijn dat de verdachte niet verwijtbaar heeft gehandeld.
De gronden hebben gemeen dat de rechter hoge eisen eraan stelt, hetgeen past binnen de eerste constitutionele eis van de daadwerkelijke uitzonderlijkheid van uitzonderingen.200 Het feit moet ook in verhouding staan tot de erdoor geschonden belangen (proportionaliteit) en de verdachte mag geen andere, minder ingrijpende mogelijkheden hebben gehad (subsidiariteit). De rechter weegt mee wat van een specifieke verdachte gevergd mocht worden (Garantenstellung) en of hij zichzelf verwijtbaar in de situatie heeft gebracht waarin hij het strafbare feit pleegde (culpa in causa). Aan rechtvaardigingsgronden worden strengere eisen gesteld dan aan schulduitsluitingsgronden. Geen van de gronden vereist een acuut probleem; de verdachte mag de tijd hebben genomen om te overwegen of hij het strafbare feit wilde plegen (anders dan bijvoorbeeld de term ‘noodtoestand’ kan doen vermoeden). Verder mag de rechter strafuitsluitingsgronden bij strafbepalingen in formele zin slechts vanwege door de wetgever niet-verdisconteerde omstandigheden aannemen; bij strafbepalingen in lagere wetgeving moet hij bij reeds verdisconteerde omstandigheden in elk geval terughoudendheid betrachten. Ook dit zijn constitutionele beperkingen van uitzonderingen.201 Deze komen in de jurisprudentie over de strafuitsluitingsgronden niet expliciet aan de orde, maar de Hoge Raad overschrijdt ze niet, en ze komen meer impliciet geregeld wel tot uitdrukking. Bij toepassing van strafuitsluitingsgronden riskeert de rechter geen spanning met het legaliteitsbeginsel – deze uitzonderingen zijn ten voordele van verdachten.202
Avas en noodtoestand hebben van de genoemde gronden het ruimste bereik.203 Noodtoestand heeft dan weer een verdergaande consequentie dan avas: een feit dat volgens de tekst van een wettelijk voorschrift strafbaar is, is dat vanwege de omstandigheden van het geval niet (terwijl bij avas alleen de verdachte niet strafbaar is). Noodtoestand, en daarmee artikel 40 Sr, heeft in de rechtspraak een zo ruim bereik gekregen, dat hieronder alle gevallen geschaard lijken te kunnen worden waarin de (feiten)rechter recentelijk omw aannam. Die extensieve uitleg maakt toepassing van omw slechts in een beperkt aantal gevallen voorstelbaar. Geen sprake moet zijn van overmacht, volgens de maatschappelijke opvattingen behoort een feit straffeloos te zijn, niet-verdisconteerde omstandigheden moeten kunnen worden aangewezen, en de proportionaliteits- en subsidiariteitseis moeten zijn gewaarborgd. Enkele categorieën van gevallen geschikt voor omw zijn geopperd.
Dat de strafrechter zelden beroepen op omw aanvaardt, kan verhullen dat hij strikte toepassing van strafbepalingen niet altijd rechtvaardig vindt en daarom billijkheidsuitzonderingen maakt die de wetgever hem niet heeft voorgeschreven. Hij doet dit door een wel zeer extensieve uitleg van artikel 40 Sr (en kan dit ‘wetstoepassing’ noemen) – maar het was, gezien de tekst van artikel 40 Sr en zijn geschiedenis, minder gekunsteld geweest als hij meer ruimte had gelaten voor omw. Overigens lijkt de koers van de Hoge Raad geen evident onbillijke beslissingen tot gevolg te hebben.