Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.1:16.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.1
16.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940336:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in paragraaf 7.4 besproken regeling van de omkering van de bewijslast levert in het kader van de boeteoplegging een aantal problemen op. Dat hangt samen met de waarborgen die het EVRM in de boetesfeer aan de boeteling garandeert. Vooral de onschuldpresumptie lijkt op het eerste gezicht op gespannen voet te staan met het wettelijk vermoeden dat de aanslag juist is, temeer nu daartegen slechts verzwaard tegenbewijs van de kant van de belastingplichtige mogelijk is. Datzelfde geldt voor het uit de onschuldpresumptie voortvloeiende uitgangspunt dat de bewijslast in de sfeer van de boete volledig op de inspecteur dient te rusten. In dit hoofdstuk staat daarom de samenloop van de omkering van de bewijslast en de fiscale bestuurlijke boete centraal.
Eerst sta ik kort stil bij de vraag of de sanctie van de omkering zelf een ‘criminal charge’ is (paragraaf 16.2). In paragraaf 16.3 behandel ik vervolgens kort de meest voor de hand liggende vorm van doorwerking van de omkering (in de boetegrondslag) en het wettelijk verbod op doorwerking voor vergrijpboetes. Vervolgens onderzoek ik in bredere zin welke rechtsregels er gelden ten aanzien van de doorwerking van de omkering vanuit de sfeer van de heffing naar de sfeer van de boete. Daarbij komt ook de doorwerking van de omkering van de bewijslast naar het bewijs van het beboetbare feit aan de orde. Eerst analyseer ik daarbij de jurisprudentie van de Hoge Raad over de samenloop van de omkering met de boeteoplegging (paragraaf 16.4 en 16.5). Vervolgens ga ik na of en in hoeverre die jurisprudentie houdbaar is vanuit het perspectief van het EVRM (paragraaf 16.6). In paragraaf 16.7 sluit ik af met conclusies.