Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.2
16.2 Is de sanctie van de omkering zelf een ‘criminal charge’?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940335:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.4.1.
Zie paragraaf 3.5.2.1.
HR 8 juli 1998, BNB 1998/326, r.o. 3.3, bevestigd in HR 6 juli 2018, V-N 2018/38.26, r.o. 2.3.2.
Zie HR 5 februari 2021, V-N 2021/8.22, r.o. 4.3 en Feteris 2007, p. 310, en de verwijzingen aldaar (noot 81).
Zie paragraaf 7.4.3.
Vgl. de bijzondere naheffingssystematiek in de motorrijtuigenbelasting bij bijvoorbeeld weggebruik tijdens schorsing van het kenteken. In dat verband oordeelde de Hoge Raad dat doorslaggevend was dat de fictieve naheffingstermijn van 12 maanden beoogt de bewijsnood aan de zijde van de inspecteur te lenigen en dat het punitieve karakter hooguit ondergeschikt is (en dus geen criminal charge oplevert), zie HR 25 oktober 2013, V-N 2013/53.8, BNB 2014/17 en HR 25 oktober 2013, V-N 2013/53.9, waaromtrent nader in paragraaf 14.4.4.3.4. Andere voorbeelden van maatregelen in de sfeer van de heffing die dikwijls als sanctie worden gevoeld, maar volgens de Hoge Raad geen criminal charge opleveren zijn: het anoniementarief in de loonheffingen (art. 26b Wet LB, art. 19 Wfsv en art. 42 lid 6 Zvw), zie HR 23 mei 2001, BNB 2001/280 en HR 28 januari 1998, BNB 1998/147, de aftrekuitsluiting van geldboeten en van kosten die verband houden met misdrijven (art. 3.14 lid 1 Wet IB 2001), zie HR 18 december 2020, V-N 2020/65.25, BNB 2021/127, r.o. 3.4.3 en de zesmaandenfictie (art. 30a Wet LB, waarover nader in paragraaf 9.3.3.3.2 onder ‘Positieve heffingscomponenten: wetsficties’), althans volgens Albert in zijn noot bij HR 7 november 2014, BNB 2015/57. Verder kan gedacht worden aan de kosten die onderdeel uitmaken van de naheffingsaanslag parkeerbelasting (art. 234 lid 5 Gemeentewet), waarmee geen bestraffing maar een doorberekening van kosten wordt beoogd, zie HR 18 oktober 1995, BNB 1996/34 en meer recent bijvoorbeeld Hof Amsterdam 5 april 2022, V-N 2022/32.20, r.o. 5.4.
De schatting van de inspecteur moet weliswaar redelijk zijn, maar kan tamelijk grofmazig worden ingestoken en aldus zeer ruim uitvallen. Aldus ook: Møller 2008, par. 1. Zie voorts paragraaf 7.4.5.2.
Aldus bijvoorbeeld: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HvJ EU 5 oktober 2016, V-N 2016/55.11, slot (‘nagenoeg nooit in staat’), alsmede in de Aantekening bij Hof ’s-Hertogenbosch 8 september 2016, V-N 2017/6.3, Møller 2008, par. 1 (‘nagenoeg onmogelijk’), alsmede Feteris 2002, p. 372 en in zijn noot bij EHRM 30 maart 1999 (Passet), nr. 38434/97, BNB 2002/25, punt 7. Zie voorts paragraaf 7.4.2.
Ik wijs hierbij met name op het derde Engel-criterium (‘the degree of severity of the penalty that the person concerned risks incurring’). Ook Møller 2008, par. 1, lijkt de opvatting van de Hoge Raad op dit punt niet te kunnen onderschrijven (‘Wat er van het vorenstaande zij, …’).
Zie paragraaf 9.3.2.2.4.
EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8, par. 79-80.
Zie Wijsman 2017, par. 15.3.3.2 en Albert 2005, p. 173, alsmede de verwijzingen aldaar. Zie ook – in het kader van het informele beleid bij ambtshalve vastgestelde aanslagen – de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 31 januari 2022, V-N 2022/9.18.
Conclusie A-G Wattel bij HR 27 februari 2004, BNB 2004/225, par.7.16, Wijsman 2017, p. 288.
Op grond van de reguliere regels van bewijslastverdeling draagt de inspecteur op zichzelf reeds de bewijslast van de triggers voor de omkering, zie paragraaf 7.4.5.1 en paragraaf 7.4.4.3.2.
Zie paragraaf 13.3.
Zie paragraaf 11.2. Wijsman lijkt dit gevolg niet te onderkennen: de praktische betekenis van de omkering in het kader van het nemo tenetur-beginsel is volgens hem gelegen in de vereiste dwang die in dat verband van die bewijsrechtelijke sanctie uit gaat, welke dwang los staat van de vraag of er sprake is van een criminal charge, Wijsman 2017, par. 15.3.3.3.
De toepassing van de omkering van de bewijslast is als zodanig naar nationaal recht geen bestraffende sanctie, zoals de bestuurlijke boete dat wel is.1 Veeleer is er sprake van een bewijsrechtelijke of processuele sanctie.2 De belastingplichtige wordt door de omkering en verzwaring echter wel in hoge mate belemmerd in het leveren van (tegen)bewijs. Daarom is de vraag gerechtvaardigd of deze bewijsrechtelijke sanctie op zichzelf een ‘criminal charge’ oplevert in de zin van art. 6 EVRM.
De Hoge Raad heeft de omkering getoetst aan de Engel-criteria van het EVRM3 en kwam tot de conclusie dat de bestraffende en afschrikwekkende kenmerken niet voldoende zijn om te kunnen spreken van een criminal charge als bedoeld in art. 6 EVRM.4 Dat laat onverlet dat de Hoge Raad de omkering dikwijls als ‘sanctie’ kwalificeert.5 Voor de Hoge Raad is naar mijn mening doorslaggevend geweest dat de omkering beoogt de door de belastingplichtige veroorzaakte bewijsnood van de inspecteur te helen.6 De omkering is dus eerst en vooral een bewijsvoorschrift. Deze niet-punitieve strekking overheerst: het vergaren van informatie ten behoeve van de heffing staat centraal, niet het bestraffen van de belastingplichtige.7
Of het EHRM tot dezelfde conclusie zal komen, kan worden betwijfeld. Het is immers goed denkbaar dat de belastingschuld op basis van de redelijke schatting van de inspecteur (veel) hoger uitvalt dan de werkelijke, materiële belastingschuld.8 Bovendien is algemeen aanvaard dat de belastingplichtige die de omkering van de bewijslast krijgt tegengeworpen, zich in een vrijwel onmogelijke bewijspositie bevindt.9 Tegen deze achtergrond zou de beoordeling op grond van de Engel-criteria naar mijn mening evengoed anders kunnen uitvallen: de facto heeft de sanctie wel degelijk punitieve kenmerken, die ook als zodanig worden ervaren.10 Verdere aanknopingspunten ontleen ik aan het elders reeds in een ander kader behandelde EHRM-arrest Västberga Taxi,11 waarin de Zweedse Belastingdienst verhogingen van 20 % had opgelegd. In het kader van de toetsing van de sanctie aan de Engel-criteria overwoog het EHRM onder meer dat het achterliggende doel weliswaar de adequate informatievoorziening van de belastingautoriteiten was, maar dat dit doel werd nagestreefd door middel van wettelijke informatieverplichtingen, op de schending waarvan een aanzienlijke (onbegrensde) financiële sanctie stond, die niet was bedoeld als compensatie of schadevergoeding maar als afschrikmiddel om medewerking af te dwingen en een gebrek daaraan te bestraffen.12
Naar mijn mening gaan deze overwegingen in belangrijke mate ook op voor de Nederlandse omkering. Een wezenlijk verschil is uiteraard dat de Zweedse wetgeving voorzag in een gefixeerde verhoging van de alsnog verschuldigde belasting. De omkering bewerkstelligt daarentegen alleen dat de inspecteur de belastingschuld als zodanig kan vaststellen aan de hand van een ruime, maar nog wel redelijke schatting. Naar mijn mening zijn de verschillen echter niet levensgroot: de omkering komt vanwege die ruime schatting evengoed neer op een verhoging, zij het dat de exacte omvang daarvan onbekend blijft. Juist daarom is die verhoging in potentie aanzienlijk en in wezen onbegrensd. Met name de verzwaarde tegenbewijsgradatie werkt in mijn optiek vervolgens afschrikwekkend en bestraffend.
In de literatuur wordt reeds lange tijd gewezen op het (gedeeltelijke) strafkarakter van de maatregel,13 maar tegelijkertijd ook op het achterliggende doel van de omkering (voorkomen dat het bewijsrisico bij een weigerachtige belastingplichtige achterblijft bij de inspecteur).14
Mocht het EHRM bij gelegenheid het afschrikwekkende en bestraffende karakter van de omkering doorslaggevend achten, zou dat verstrekkende gevolgen kunnen hebben. De omkering geldt dan immers als criminal charge wegens het niet voldoen aan de informatieverplichtingen, waardoor de bescherming van art. 6 EVRM zou gaan gelden.15 In de eerste plaats zou de bewijslast ten aanzien van de toepasselijkheid van de omkering onder invloed van de onschuldpresumptie komen te staan.16 De onschuldpresumptie zou naar mijn mening twee gevolgen hebben voor die bewijslast: enerzijds zou het niet langer voldoende zijn om de toepasselijkheid aannemelijk te maken (maar moet de inspecteur die ‘beyond reasonable doubt’ bewijzen), anderzijds zou de verzwaarde tegenbewijsregeling onhoudbaar worden.17 In de tweede plaats zouden bepaalde bewijsmiddelen die in een andere procedure onder dwang van de belastingplichtige zijn verkregen, vanwege de bescherming van het nemo tenetur-beginsel niet meer mogen worden gebruikt voor het bewijs van de toepasselijkheid van de omkering.18 In de derde plaats zouden alle overige waarborgen van art. 6 EVRM gaan gelden, waaronder de mededelingsplicht en de redelijke termijn.