Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.3.3.1
3.3.3.1 Het begrip vennootschappelijk belang
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS487390:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Omdat op Corus Nederland het gemitigeerd structuurregime van toepassing was, was goedkeuring van de raad van commissarissen vereist.
OK 13 maart 2003, NJ 2003, 248 en JOR 2003/85 m.nt. I (Corus). Aan een verzoek, in diezelfde procedure, om de centrale ondernemingsraad van Corus Nederland bij wege van onmiddellijke voorziening te veroordelen aan Corus Nederland te kennen te geven dat het haar vrij stond haar besluit uit te voeren, kwam de Ondernemingskamer met de afwijzing van het verzoek de commissarissen te schorsen, niet toe. Het tegen de centrale ondernemingsraad gerichte verzoek dient men te plaatsen in het licht van art. 25 lid 6 WOR.
De wet kende destijds nog geen voorkeursrecht voor aandeelhouders. Dat kon statutair in het leven geroepen worden, maar van die mogelijkheid was in het onderhavige geval geen gebruik gemaakt.
HR 1 april 1949, NJ 1949, 465 m.nt. Ph.A.H.H. (Doetinchemse IJzergieterij).
Van der Grinten 1949, p. 121 e.v.; en Van der Grinten 1952, p. 85 e.v.
Dat men het er inmiddels over eens is dat het belang van de vennootschap inderdaad niet identiek is aan dat van de aandeelhouders, spreekt ook uit de Memorie van Toelichting bij het in januari 2002 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de structuurregeling (Kamerstukken II 2001-2001 28 179, nr. 3, p. 4): ‘De structuurregeling kan worden beschouwd als de uitwerking van de gedachte dat er een vennootschappelijk belang is, dat kan en moet worden onderscheiden van het belang van de aandeelhouders als kapitaalverschaffers.’.
Löwensteyn 1959, p. 136.
Löwensteyn 1959, p. 136.
Löwensteyn 1959, p. 131.
Maeijer 1964.
Uit dit contractuele karakter sproot voort dat het belang van de vennootschap het belang van de gezamenlijke aandeelhouders was.
Maeijer 1964, p. 6.
Maeijer 1972, p. 31, alsmede Maeijer 1982, p. 4.
Maeijer 1964, p. 7. Min of meer woordelijk zien we dit in een OK-beschikking van 29 juni 2011, JOR 2011/282, m.nt. Blanco Fernández (Synpact).
Asser-Maeijer 2-III, nr. 293.
Van Schilfgaarde/Winter 2009, p. 28.
Mendel 1989, p. 14-15: ‘Het belang van de vennootschap inclusief de met haar verbonden onderneming – dat in meerdere of mindere mate, maar nooit geheel is geabstraheerd van de belangen van aandeelhouders, werknemers en andere onmiddellijk betrokkenen – is haar belang bij zo voorspoedig mogelijke continuïteit.’.
Bakker 2011, p. 39.
Van der Grinten 1949, p. 121 e.v.; Van der Grinten 1952, p. 85 e.v.; en Handboek 1992, nr. 231.
Handboek 1992, nr. 231.
Löwensteyn 1970, p. 86.
Van Schilfgaarde/Winter 2009, p. 28.
Asser-Maeijer-Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 394. Het merkwaardige, en hier lijken Van Solinge en Nieuwe Weme de resultante-benadering enigszins los te laten, is dat zij in diezelfde paragraaf de continuïteit van de onderneming als zelfstandige grootheid kwalificeren. Naar mijn mening zou men ook die continuïteit als resultante van meerdere deelbelangen moeten beschouwen.
Grosheide 1969, p. 57 e.v.
Kamerstukken II 1970-1971, 10 751, nr. 10, p.10.
Kamerstukken II 2008-2009, 31 058, nr. 6, p. 52 (wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht). Ik voeg daar aan toe dat diezelfde minister zich, samen met zijn collega’s van Financiën en Economische Zaken, in het kader van het wetsvoorstel doorbreking beschermingsconstructies heeft uitgelaten in bewoordingen die sterk doen denken aan het eigen vennootschappelijk belang in de door Maeijer bedoelde zin: ‘De vennootschap heeft ook een eigen belang bij haar continuïteit en groei. Van de hierboven genoemde belanghebbenden wordt verwacht dat zij, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8 van Boek 2 BW, zich bij het nastreven van hun belangen redelijk en billijk opstellen en met dit eigen vennootschappelijk belang rekening houden.’ (Kamerstukken II 2000- 2001, 25 732, nr. 16, p. 2).
Timmerman (1983, p. 135) spreekt van ‘losweken van’. Ik zou, gegeven de rol die Maeijer het vennootschappelijk belang ten opzichte van de andere belangen toedicht, mij iets stelliger willen uitdrukken. Vandaar mijn keuze voor ‘afwegen tegen’.
Asser-Maeijer 2-III, nr. 293.
Asser-Maeijer-Van Solinge & Neuwe Weme 2009, nr. 394.
Asser-Maeijer 2-III, nr. 293.
Spanjaard 2004, p. 121.
Het werknemersbelang legt dan groot gewicht in de schaal.
Het belang van aandeelhouders, eventueel ook dat van schuldeisers, lijkt hiermee zwaarder te wegen.
Met de formele kanttekening commissarissen te allen tijde het belang van de vennootschap en haar onderneming hebben te behartigen, zijn de mogelijkheden voor aandeelhouders om commissarissen te benoemen van wie zij verwachten dat die het aandeelhoudersbelang zwaarder zullen laten wegen daarmee toegenomen. Hetzelfde heeft te gelden als het gaat om het tegenhouden van benoemingen van commissarissen van wie zij vrezen dat zij dat aandeelhoudersbelang minder zwaar zullen laten wegen.
Timmerman 2009, p. 6/7.
Par. 172 Companies Act 2006.
Kamerstukken II 2006-2007, 31 058, nr. 3, p. 3. Ook in de hierboven besproken herziening van art. 2:239 lid 4 BW herken ik wat Timmerman signaleert, nl. dat het belang van aandeelhouders zwaarder is gaan wegen.
Ook Schrama (2012, p. 101) constateert dat de rol van het aandeelhoudersbelang in de afgelopen tien tot vijftien jaar is toegenomen.
Ingegeven door de nieuwe concernstrategie zich alleen nog op de productie van staal toe te leggen, besluit de Britse Corus Group plc begin 2002 haar aluminiumactiviteiten te verkopen aan het Franse Pechiney S.A., met wie zij daarover al enige tijd in gesprek is. Als uitvloeisel van de met Pechiney bereikte overeenstemming zal Corus Nederland B.V., dat de aandelen houdt in de vennootschappen die zich toeleggen op de productie van aluminium, een Sale and Purchase Agreement moeten sluiten met Pechiney. Na lang onderhandelen besluit het bestuur van Corus Nederland op 10 maart 2003 de aluminiumactiviteiten te verkopen, op voorwaarden en condities waarmee naar haar oordeel het belang van de continuïteit van Corus Nederland het best gediend is. De raad van commissarissen onthoudt vooralsnog zijn goedkeuring aan de transactie.1 Het debat over de vraag of de belangen van Corus Nederland voldoende zijn behartigd, is wat de raad betreft nog niet afgerond. Daarop verzoekt Corus Group plc de Ondernemingskamer een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken binnen Corus Nederland (art. 2:345 lid 1 BW). Zij verzoekt drie van de vier commissarissen bij wege van onmiddellijke voorziening tijdelijk te schorsen (art. 2:349 lid 2 BW). De Ondernemingskamer houdt een beslissing op het verzoek om een onderzoek te gelasten aan. Het verzoek om een onmiddellijke voorziening te treffen wijst hij echter aanstonds af, in de kern genomen omdat de raad van commissarissen kennelijk niet met miskenning van de belangen van het Corus-concern slechts oog heeft gehad voor de belangen van Corus Nederland.2
Wat moet worden verstaan onder ‘de belangen van Corus Nederland’? Of meer algemeen, wat is het belang of wat zijn de belangen van een vennootschap? Tot de wetswijziging in 1928 bepaalde het Wetboek van Koophandel dat de commissarissen belast waren met het toezicht op het bestuur van de vennootschap. Naar aanleiding van het verwijt uit de Kamer dat in het ontwerp van een nieuw art. 50 WvK ten onrechte de adviserende taak van de commissarissen niet was opgenomen, besloot de minister de taakomschrijving maar helemaal uit art. 50 WvK te verwijderen. In plaats daarvan zou in art. 50 WvK opgenomen worden dat de taak van de commissarissen in de akte van oprichting moest worden omschreven. De taak kon daarmee naar believen worden ingevuld en later, bij wege van statutenwijziging, worden aangepast. Zo bepaalde art. 3 van de statuten van de N.V. Doetinchemse IJzergieterij dat niet geplaatste aandelen konden worden uitgegeven op een tijd en onder voorwaarden, vast te stellen door de commissarissen. Op enig moment besloten de commissarissen 600 aandelen uit te geven aan vijf partijen. Wellicht ingegeven door het feit dat haar meerderheidsbelang verwaterde tot een minderheidsbelang, verweet aandeelhouder Misset de commissarissen dat die vijf partijen (te) nauwe banden met hen hadden.3 In kort geding vorderde Misset een verbod om rechten uit te oefenen op de 600 aandelen. Na een afwijzing in eerste aanleg, wees het Hof de vordering toe. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof, met als belangrijkste overweging: ‘dat van de zijde van Misset bij pleidooi is aangevoerd, dat commissarissen niet een besluit mochten nemen, dat ingaat tegen de belangen en wensen van de aandeelhouder, die de meerderheid van stemmen bezit; dat evenwel commissarissen, rechten uitoefenende, die hun als orgaan der vennootschap zijn toegekend, zich hebben te richten naar het belang der vennootschap en dit moeten doen overwegen [in de zin van zwaarder moeten laten wegen, JvM], indien dit naar hun oordeel in botsing komt met belangen van welke aandeelhouder ook.’.4
Van der Grinten heeft zich in de jaren die volgden kritisch over dit arrest uitgelaten.5 Naar zijn mening was, zeker bij de besloten vennootschap, het belang van de vennootschap geen ander belang dan dat van de gezamenlijke aandeelhouders. Het besluit van de commissarissen van de Doetinchemse IJzergieterij was, nu niet van bijzondere omstandigheden was gebleken die hun handelen rechtvaardigden, dan ook ontoelaatbaar en daarmee nietig. De kritiek laat zich wellicht verklaren uit het feit dat Van der Grinten de besloten naamloze vennootschap in die tijd nog karakteriseerde als een contractueel getinte rechtspersoon, met de aandeelhouders als ‘contractanten’. De vennootschap was in het leven geroepen om voor zijn aandeelhouders activiteiten te ontplooien, waarbij de commissarissen eerst en vooral de belangen van de aandeelhouders hadden te behartigen. Later (hij was de vennootschap inmiddels gaan zien als een eigen instelling) heeft Van der Grinten zijn mening herzien, zal aanstonds blijken.6
Tot 1964 heeft, naast Van der Grinten, met name Löwensteyn bijzondere aandacht besteed aan de vraag wat onder dat ‘belang’ van de vennootschap verstaan moest worden. Löwensteyn plaatste het woord belang nadrukkelijk tussen aanhalingstekens, omdat zijns inziens alleen natuurlijke personen eigen belangen hadden. Rechtspersonen konden slechts belangen in overdrachtelijke zin hebben.7 Dit (afgeleide) ‘belang’ van de vennootschap zou dan nietmeer en nietminder zijn dan het doel in eigenlijke zin van de vennootschap,8 door Löwensteyn omschreven als het behalen van winst teneinde deze onder de aandeelhouders te verdelen.9 In 1964 sprak Maeijer bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar een rede uit, die van grote invloed is geweest op het latere denken over het belang van de vennootschap.10 Maeijer nam uitdrukkelijk afstand van Löwensteyn. Het belang van de vennootschap was iets anders dan verdeling van winst onder aandeelhouders; het was méér dan dat. Geïnspireerd, zo lijkt het, door de inmiddels heersende opvatting dat de naamloze vennootschap geen contractueel verband was,11 maar een zelfstandige grootheid waarin de rechtspersoonlijkheid en het samenwerkingsverband voorop staan, introduceert Maeijer de term vennootschappelijk belang: het belang dat de vennootschap heeft bij haar eigen gezonde bestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel.12 Nadien heeft Maeijer verduidelijkt dat onder dit vennootschappelijk belang ook de continuïteit van de door de vennootschap gedreven onderneming valt.13 Het geheel eigen belang van de vennootschap speelt met name op momenten dat de belangen van de vennootschap en de aandeelhouders tegengesteld zijn. Als voorbeeld noemt Maeijer de uitkering van de winst. Deze komt in beginsel toe aan de aandeelhouders, maar het vennootschappelijk belang kan zich, uit oogpunt van continuïteit op langere termijn, verzetten tegen uitkering van (de gehele) winst.14 Maeijer15 zelf en Van Schilfgaarde/Winter16 zien in Mendel17 een aanhanger van de gedachte dat de vennootschap een eigenstandig belang heeft.
Ik zou niet zo ver willen gaan als Bakker,18 die betoogt dat ‘algemeen wordt aangenomen’ dat een vennootschap, naast de diverse deelbelangen, een eigen belang heeft dat wordt aangeduid als vennootschappelijk belang. Een meerderheid van de schrijvers staat namelijk kritisch ten aanzien van de opvatting van Maeijer dat de vennootschap een eigenstandig belang heeft bij haar gezonde (voort)bestaan. Van der Grinten meende dat het belang van de vennootschap slechts herleid kan worden tot dat van natuurlijke personen.19 Dit bracht hem er toe het belang van de vennootschap aan te duiden als de resultante van de afweging van de belangen van hen die bij de vennootschappelijke werkzaamheden betrokken zijn.20 Dat het belang van aandeelhouders daarbij een zwaar gewicht in de schaal legt, mag geen bevreemding wekken indien bedacht wordt dat zij de vennootschap met het ter beschikking stellen van risicodragend vermogen financieren. De term resultante hanteren onder meer ook Löwensteyn,21 Van Schilfgaarde/Winter22 en Van Solinge en Nieuwe Weme.23 Grosheide heeft het over het geheel van de bij de vennootschap direct betrokken belangen in hun onderlinge verhouding.24 De Minister van justitie spreekt in 197025 van een gezamenlijk belang van allen die onmiddellijk bij de vennootschap betrokken zijn, in 2008 van het belang van de vennootschap dat waarborgt dat bij de besluitvorming rekening wordt gehouden met de belangen van alle partijen die bij de vennootschap betrokken zijn.26 Ook de Corporate Governance Code 2008 lijk uit te gaan van een resultante-gedachte, waar in preambule punt 7 valt te lezen dat het bestuur en de raad van commissarissen een integrale verantwoordelijkheid hebben voor de afweging van de belangen van werknemers, aandeelhouders en andere kapitaalverschaffers, toeleveranciers, afnemers, de overheid en maatschappelijke groeperingen.
In essentie komen de verschillende opvattingen erop neer dat Maeijer de belangen van (bijvoorbeeld) aandeelhouders en werknemers afweegt tegen27dat van de vennootschap en de onderneming,28 terwijl anderen die belangen betrekken bij het bepalen van het belang van de vennootschap en de onderneming. Het verschil tussen beide benaderingen is, anders dan Van Solinge en Nieuwe Weme menen,29 niet helemaal zonder betekenis. Als bijvoorbeeld commissarissen verplicht zouden zijn het belang van de vennootschap en de onderneming af te wegen tegen dat van andere betrokkenen, waaraan ontlenen die anderen dan dat hun belangen worden meegewogen? Maeijer heeft het over redelijkheid en billijkheid.30 Dat is, gerelateerd aan de rol die commissarissen óók ten behoeve van aandeelhouders en werknemers wordt toebedacht, aan de magere kant. Maken daarentegen de belangen van aandeelhouders en werknemers in volle omvang deel uit van het vennootschappelijk belang, dan biedt art. 2:140/250 lid 2 BW een veel steviger basis om commissarissen er op aan te spreken dat zij die belangen meewegen.
Vennootschappelijk belang is geen statisch begrip. Zo zal, indien een stand alone vennootschap deel gaat uitmaken van een concern, het concernbelang mee gaan wegen bij de bepaling van het vennootschappelijk belang. Daarnaast is het onderhevig aan maatschappelijke ontwikkelingen en tendensen, en wegen de belangen in hun onderlinge verhouding niet altijd even zwaar. Van den Hoek, die in de flexibiliteit van de norm een van de voordelen ziet, gaf tijdens het lustrumcongres van het tijdschrift Ondernemingsrecht in januari 2004 het voorbeeld van een onrendabele fabriek.31 Zou men begin jaren negentig met een beroep op het vennootschappelijk belang nog hebben kunnen betogen dat deze open moest blijven,32 in 2004 zou men met een beroep op datzelfde belang veeleer kunnen pleiten voor sluiting.33 Een verschuiving van belangen zie ik ook in de wijziging van de structuurregeling in 2004, waarin aandeelhouders een grotere rol wordt toegekend bij de samenstelling van de raad van commissarissen.34 In zijn oratie uit 2008 gaat Timmerman een stap verder.35 Ontleend aan het Engelse recht36 gebruikt hij het begrip ‘enlightened shareholde value’. Deze stoelt niet op een gelijkheid van de relevante belangen, maar kenmerkt zich door een hiërarchie waarbij de belangen van aandeelhouders min of meer per definitie voorop staan, met de mogelijkheid van een correctie daarop in verband met disproportionele benadeling van andere betrokken belangen. In deze benadering, die volgens Timmerman in het Nederlandse vennootschapsrecht in opmars is, staan het bevorderen van het succes van de vennootschap en het aandeelhoudersbelang, doorgaans op lange termijn, centraal. De belangenafweging die bestuur en commissarissen in concreto maken zal daarmee gaan verschuiven in de richting van het aandeelhoudersbelang op lange termijn. De wetgever heeft zich, in het kader van de vereenvoudiging en flexibilisering van het BV-recht,37 voor de besloten vennootschap geuit in bewoordingen die in dezelfde richting gaan:
‘Ook in het herziene bv-recht blijft het belang van de vennootschap onverminderd gelden. Wel zal de grotere flexibiliteit die de wet gaat bieden aan de oprichters en aandeelhouders de invulling van dit begrip kunnen kleuren. Bij kleine vennootschappen met een beperkt aantal aandeelhouders zal het vennootschappelijk belang dichter liggen bij het belang van de aandeelhouders dan bij een grote vennootschap met veel werknemers en maatschappelijke belangen.’.38
Dergelijke overwegingen zouden een rol kunnen spelen bij de afweging van belangen die bestuurders en commissarissen van dochtervennootschappen moeten maken. De vraag wat de gevolgen daarvan zijn voor de in art. 26 lid 4 WOR bedoelde afweging van betrokken belangen komt in par. 5.7 aan de orde.