De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/9.2.1:9.2.1 Inleiding
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/9.2.1
9.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS394055:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 23 maart 2006, zaak C-210/04, VN 2006/18.25 (FCE Bank).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de vraag of tussen zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting belastbare prestaties plaatsvinden is de zaak FCE Bank1 leidinggevend. In paragraaf 9.2.2 zal daarom allereerst deze zaak aan een analyse worden onderworpen. Vervolgens wordt in paragraaf 9.2.3 besproken in welke situaties de vraag of prestaties plaatsvinden tussen zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting zich voordoet en of het ter beantwoording van deze kwestie bijvoorbeeld van belang is onderscheid te maken tussen de situatie waarin beide vestigingen zich binnen de Unie bevinden en de situatie waarin één van de vestigingen zich buiten de Unie bevindt. In paragraaf 9.2.4 zal op de invulling van de begrippen ‘persoon’ en ‘ieder’ in de zin van art. 9, eerste en tweede lid, btw-richtlijn worden ingegaan en hoe deze in verband kunnen worden gebracht met de vraag of prestaties tussen zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting plaatsvinden. In de paragrafen 9.2.5 en 9.2.6 zullen achtereenvolgens het door het Hof van Justitie in de zaak FCE Bank aangelegde criterium zelfstandigheid en de in andere bepalingen uit de btw-richtlijn te vinden aanwijzingen voor beantwoording van het voorliggende vraagstuk worden besproken. In paragraaf 9.2.7 volgt ten slotte een bespreking van de mogelijkheden tot misbruik als geen prestaties worden aangenomen tussen zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting en de mogelijkheid tot bestrijding van dit misbruik.