Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.5.4
8.5.4 Afleggen bankierseed als onderdeel van de geschiktheidstoets
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268382:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:8, tweede lid, Wft en de Regeling Bankierseed. Zie ook Kamerstukken II, 2011/12, 33 236, nr. 3, p. 4 en 9-10 en Kamerstukken II, 2010/11, 31 980, nr. 37 en nr. 46 over de achterliggende motie.
Art. 1, eerste lid, Regeling Bankierseed.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 3, p. 55 en beantwoording Kamervragen door de minister van Financiën van 11 januari 2019, Kamerstukken II, 2018/19, 1141, antwoorden op vraag 1, 2, 3 en 7.
Art. 1:90, achtste lid Wft en art. 6, tweede lid en art. 4, eerste lid, sub e SSM-Verordening.
Het afleggen van de bankierseed vormt een expliciet onderdeel van de geschiktheidstoetsing.1 Is de eed niet binnen drie maanden na indiensttreding afgelegd,2 dan is dat een belangrijk feit dat meeweegt bij de beoordeling of de betreffende persoon (nog steeds) geschikt is om zijn functie te vervullen. De toezichthouder zou hiertoe een hertoetsingsonderzoek kunnen starten, met als uiterste consequentie een aanwijzing tot “heenzending” van de betrokken persoon.3
Daarbij zal de toezichthouder uiteraard waarde hechten aan de vraag of de eed abusievelijk niet is afgelegd, bijvoorbeeld als gevolg van een administratieve omissie, of dat dit bewust is gebeurd. In het laatste geval zal de toezichthouder dit zwaar opnemen. Op de bank rust de wettelijke plicht om al haar bankmedewerkers de bankierseed te laten afleggen en dagelijks beleidsbepalers, interne toezichthouders en leden van het tweede echelon vervullen hierbij een voorbeeldfunctie (tone at the top). Ook voor de tuchtrechter zal het relevant zijn wanneer de bankierseed bewust blijkt niet te zijn afgelegd (maar wel het tuchtrecht is aanvaard). Onderdeel van de Gedragsregels is immers dat de bankmedewerker zijn functie integer en zorgvuldig vervult en zich houdt aan de wetten en regels die voor het werk bij de bank gelden (Gedragsregels 1 en 4).
Er is geen wettelijke koppeling gemaakt tussen de geschiktheidstoets en het aanvaarden van het tuchtrecht. Mocht het zo zijn dat een persoon in de top van de bank zou weigeren om zich aan het tuchtrecht te onderwerpen, dan lijkt mij dit, ook zonder een dergelijke koppeling, voor de toezichthouder relevant. Niet alleen is de bank wettelijk verplicht om al haar medewerkers aan het tuchtrecht te onderwerpen en vervullen de personen in de top van de bank hier een voorbeeldfunctie, ook betekent dit dat betrokkene zich onttrekt aan het tuchtrecht en weigert om zich voor de tuchtrechter toetsbaar op te stellen. Dit kan van belang zijn voor de beoordeling van zowel de geschiktheid als de betrouwbaarheid. De tuchtrechter zal in zo’n geval echter niet kunnen ingrijpen. Zonder aanvaarding is het tuchtrecht immers niet van toepassing.
Zoals eerder aan de orde kwam zijn zowel de bankierseed als het bancair tuchtrecht Nederlandse initiatieven die niet voortkomen uit Europeesrechtelijke verplichtingen. Het toezicht op de naleving van deze regelgeving is dan ook exclusief voorbehouden aan DNB (zie paragraaf 8.2.2). Dit laat echter onverlet dat de ECB het niet afleggen van de eed of het niet aanvaarden van het tuchtrecht bij haar toetsingen bij Nederlandse banken zou kunnen betrekken. De ECB zal deze toetsingen moeten uitvoeren op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving en het niet afleggen van de bankierseed of het niet aanvaarden van het tuchtrecht zijn daarbij in acht te nemen factoren. Voor het meewegen van dergelijke feiten is niet nodig dat de ECB zelf ook toezicht houdt op deze regelgeving. Hier kan een vergelijking worden gemaakt met een veroordeling wegens witwassen; een derge lijke overtreding kan door de ECB worden meegewogen bij de beoordeling van iemands geschiktheid of betrouwbaarheid ook zonder dat de ECB over toezichthoudende bevoegdheden beschikt op dit terrein. DNB kan daarom, mede in het kader van de goede samenwerking tussen de ECB en de nationale toezichthouders, de ECB informeren bijvoorbeeld wanneer relevante personen de eed niet blijken te hebben afgelegd.4 De ECB kan deze signalen vervolgens in haar toezicht en bij de beoordeling van de geschiktheid en betrouwbaarheid van deze personen betrekken.