Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/3.2.4
3.2.4 Overeenkomst van opdracht met een accountant
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS305337:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Schoenmaker (2009), p. 46.
Publieke belangen zijn die belangen waarvoor de overheid een eindverantwoordelijkheid op zich heeft genomen omdat de behartiging van deze belangen anders onvoldoende tot zijn recht komt. Kamerstukken 2001/2002, 28 090, nr. 1, p. 5.
Van den Berg (2012), p. 60, met verwijzing naar: Kamerstukken 2003/2004, 29 658, nr. 3, p. 8 en Kamerstukken I 2005/2006, 29 658, C, p. 24.
Aangehaald door Stolker (1995), p. 13, met verwijzing naar D. Levine, An Overview of Professional Liability of Accountants and Attorneys in the United States, in Yamaka and Konda, Theory and Practice of Experts’ Liability, The Liability of Legal and Accounting Experts and Insurance (Tokyo Shm Nippon Iloki Syuppan, 1994).
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV (2014), hoofdstuk II, De overeenkomst van opdracht in het algemeen, § 2 Bijzondere vormen van de opdracht, nr. 66.
Beckman (2013), p. 581.
Beckman (2013), p. 584.
Huizink (2012), p. 91 e.v.
Wet aanvullende maatregelen accountantsberoep.
EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’.
Werkgroep toekomst accountantsberoep (2014), p. 56.
De Werkgroep toekomst accountantsberoep spreekt over ‘accountant’ en niet over ‘accountantsorganisatie’ bij de voorgestelde maatregelen inzake ‘De juiste opdrachtgever, een heldere opdracht en duidelijke rapportage’.
Beckman (2013), p. 586.
Het Stramien voor Assurance-opdrachten legt verplichtingen op aan de ‘accountant’ en niet aan de ‘accountantsorganisatie’.
HRA, Deel 2 Toelichting, hoofdstuk 8.2.1 opdrachtaanvaarding, vastleggen van de opdrachtvoorwaarden.
Wet aanvullende maatregelen accountantsberoep.
H. Beckman, Hoofdlijnen van het jaarrekeningenrecht, Deventer: Kluwer 2008, p. 521. Deze zinsnede is niet in de nieuwe druk opgenomen.
Richtlijnen voor de Accountantscontrole- 240 De verantwoordelijkheid van de accountant met betrekking tot fraude in het kader van de controle van een jaarrekening.
HRA, Deel 2 Toelichting, hoofdstuk 8.2.1 opdrachtaanvaarding, teruggave van de opdracht.
HRA, Deel 2 Toelichting, hoofdstuk 8.2.1 opdrachtaanvaarding, teruggave van de opdracht.
Van Hulten & Van Campen (2016a), p. 4.
Van Hulten & Van Campen (2016a), p. 4.
A. Dieleman, www.accountant.nl/artikelen/2015/2/accountant-moet-geen-jaarrekening-voor-client-deponeren.
TM, Parl. Gesch. InvW 7, p. 324.
Schilder & Nuijts (2005), p. 83.
Westra (2009a), p. 78 e.v. en Westra (2009b), p. 55.
Wta artikel 30 en NV AK, artikel 26.
Zetteler & Pheijffer (2016).
RB Amsterdam (vzr.), 27 maart 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW0075 (curatoren Weyl/KPMG), zie tevens Zetteler & Pheijffer (2016).
RB Rotterdam 7 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:820.
RB Amsterdam (vzr.), 27 maart 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW0075 (curatoren Weyl/KPMG), r. o. 5.6 tot en met 5.8.
NIVRA Praktijkhandreiking 1103, Accountantsverklaringen bij een jaarrekening, een praktische aanwijzing, 15 mei 2008. Deze handreiking is inmiddels ingetrokken.
www.accountant.nl/ vaktechniek/van helpdesk/ Ondertekening van accountantsverklaring, -rapport, 1 september 2009 en Vergunningwijzer Wta, hoofdstuk 5, pagina 3.
Beckman (2013), p. 551.
Boertien (1962), p.118/119.
Boertien (1962), p.119/120.
Op grond van artikel 2:393 lid 1 BW kan een opdracht tot wettelijke controle worden verleend aan een (individuele) accountant of een accountantsorganisatie. Uitgangspunt van de Wta is echter dat alleen aan een accountantsorganisatie een vergunning kan worden verleend. De accountantsorganisatie verricht alsdan een wettelijke controle, waarbij de individuele accountant verantwoordelijk is voor de uitvoering van de wettelijke controle (zie paragraaf 2.4.2 inzake de Wta). In het hiernavolgende wordt er derhalve van uitgegaan dat de accountantsorganisatie partij is bij de overeenkomst van opdracht. Indien verplichtingen relevant (kunnen) zijn voor zowel de individuele accountant als de accountantsorganisatie, wordt er in deze paragraaf zoveel als mogelijk gesproken over accountant (sorganisatie). Soms is er echter voor gekozen de letterlijke tekst van de wet- en regelgeving te volgen, dit wordt dan toegelicht in een voetnoot. In dit verband wijs ik er op dat de Wta en Bta de verantwoordelijkheden van de accountantsorganisatie bij de wettelijke controle als uitgangspunt nemen, zulks in tegenstelling tot de NV COS die beroepsregels bevatten voor de individuele accountant en de VGBA die gedrags- en beroepsregels bevat voor individuele accountant. In paragraaf 5.2 onderzoek ik de toerekening van het handelen van de individuele (verantwoordelijke) accountant aan de accountantsorganisatie als partij bij de overeenkomst van opdracht.
I De accountant en de zorg van een goed opdrachtnemer (artikel 7:401 BW)
In paragraaf 3.2.3 onder (i) stond ik stil bij het feit dat de zwakke(re) positie van de opdrachtgever ten opzichte van beroepsbeoefenaren soms ingrijpen door de overheid rechtvaardigt.1 Dergelijk ingrijpen heeft bij de accountant plaatsgevonden. Het ingrijpen bij de accountant lijkt echter meer ingegeven door het publieke belang dat met het accountantsberoep is gemoeid. In het kabinetsstandpunt evaluatie accountantswetgeving2 is het volgende opgenomen omtrent de imperfectie van de accountantsmarkt en de reden voor ingrijpen op de accountantsmarkt:
Het publieke belang3 dat het stellen van regels aan accountants rechtvaardigt, is dat het maatschappelijk verkeer moet kunnen vertrouwen op de betrouwbaarheid van verklaringen bij verantwoordingen. Van een verklaring die een hoge mate van zekerheid verschaft of een grote kring van gebruikers heeft, dient de betrouwbaarheid buiten kijf te staan.
Accountants voegen zekerheid toe aan financiële informatie waardoor transactiekosten worden gereduceerd en het economisch verkeer efficiënter verloopt.
Zonder vertrouwen in de beroepsgroep werken financiële markten niet optimaal doordat er te veel onzekerheid bestaat over de juistheid van financiële verantwoordingen.
Vanwege enerzijds de noodzaak van goed functionerende financiële markten en anderzijds de wenselijkheid om adequaat (in financieel opzicht) verantwoording af te kunnen leggen, is met het accountantsberoep dus een publiek belang gemoeid. De accountant oefent geen privaat vertrouwensberoep uit, of in mindere mate.4 Zulks in tegenstelling tot bijvoorbeeld advocaten, die in hoofdzaak een privaat vertrouwensberoep uitoefenen.5
Dit verschil is door Levine treffend als volgt omschreven: ‘Unlike an accountant, who must serve many interests simultaneously, an attorney generally is not expected to divide his or her loyalty between clients and others’.6
Met het ingrijpen in de accountantsmarkt door middel van de Wta heeft men getracht te vermijden dat het in de accountantsverklaring gestelde vertrouwen (nog verder) wegvalt. Dit is immers niet alleen een probleem voor de accountant die zelf in diskrediet raakt, maar ook voor het vertrouwen in de beroepsgroep als geheel en ten slotte voor het maatschappelijk verkeer ten behoeve waarvan de accountant zijn verklaringen afgeeft.7 Het overheidsingrijpen bij de accountant heeft onder andere gestalte gekregen door een additionele toets voor de toelating tot dit beroep.8 Zo mogen op grond van de Wta bijvoorbeeld alleen externe accountants (zie 1.3.3) een wettelijke controle in de zin van artikel 2:393 BW uitvoeren en nemen zij ten aanzien van wettelijke controles dus een monopoliepositie in. Het overheidsingrijpen brengt voorts mee dat het handelen van de betreffende beroepsbeoefenaar door regelgeving beperkt wordt. Met betrekking tot de accountant kan gedacht worden aan:
gedragsregels (VGBA, zie paragraaf 2.5.2.2);
beroepsregels (NVCOS, zie paragraaf 2.5.3.2);
eisen omtrent de te volgen permanente educatie (NV PE, zie paragraaf 2.5.3.2);
tuchtrecht (Wtra, zie paragraaf 2.4.4).
Uit het voorgaande volgt dat de overheid het bij de accountancy niet aan ‘het spel der krachten’ overlaat. De wet- en/of regelgeving met betrekking tot de accountant(sorganisatie), zoals de Wta, de Wab en de Wtra, speelt een belangrijke rol. Deze wet- en/of regelgeving zorgt enerzijds voor een (gunstige) monopoliepositie ten aanzien van het opstellen van de accountantsverklaring. Anderzijds zorgt het vertrouwen in de accountant voor hogere eisen aan de te betonen zorg.
Eisen aan de te betonen zorg
Alle in hoofdstuk 2 besproken wet- en regelgeving bevat bepalingen die direct of indirect relevant zijn voor de invulling van de zorgplicht. Met direct wordt in dit verband gerefereerd aan wet- en regelgeving die rechtstreeks ziet op de overeenkomst van opdracht tussen de accountantsorganisatie en haar opdrachtgever en de hiermee samenhangende relatie/communicatie tussen de opdrachtgever en de individuele accountant. Met indirect wordt gedoeld op wet- en regelgeving die van belang is voor de invulling van de zorgplicht door de accountant maar die niet rechtstreeks van invloed hoeft te zijn op de overeenkomst van opdracht en de hiermee samenhangende relatie/communicatie tussen de opdrachtgever en accountant. Bij ‘indirecte wet- en regelgeving’ kan allereerst gedacht worden aan de gedragsregels zoals opgenomen in de VGBA. Deze gedragsregels vormen een belangrijke basis voor de zorgplicht.
Volgens de VGBA dient de accountant de volgende fundamentele beginselen van de beroepsethiek in acht te nemen: professionaliteit, integriteit, objectiviteit, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, en vertrouwelijkheid. Indien sprake is van een bedreiging van niet te verwaarlozen betekenis van één van de fundamentele beginselen, treft de accountant waarborgen die de bedreiging wegnemen of terugbrengen tot een aanvaardbaar niveau, zodat de naleving van de fundamentele beginselen geen geweld wordt aangedaan. Het wegnemen van een bedreiging kan uiteraard ook rechtstreeks van invloed zijn op de relatie tussen de cliënt en de accountant. Desondanks beschouw ik de gedragsregels als indirecte regelgeving omdat het uitgangspunt niet de relatie tussen accountant en cliënt is, maar de beroepsethiek van de accountant in het algemeen.
Een ander voorbeeld van ‘indirecte wet- en regelgeving’ betreft de regels omtrent kwaliteitsbeheersing. Dit is een hoofdnorm van de Wta, welke norm nader wordt uitgewerkt in het Bta, de VAO en NV COS Standaard 220 (Kwaliteitsbeheersing voor een controle van financiële overzichten).
De regels betreffen de interne organisatie van accountantspraktijken met betrekking tot de kwaliteitsbeheersingsprocedures ten aanzien van controle. Wet- en regelgeving die mijns inziens vanwege de interne werking vooral indirect relevant is voor de zorgplicht.
In het hiernavolgende volsta ik met het opsommen van die bepalingen die specifiek refereren aan de overeenkomst van opdracht en de hiermee samenhangende relatie/communicatie met opdrachtgever en de hieruit voortvloeiende zorgplicht.
Ik zal nu ‘de eisen aan de te betonen zorg’ nader uitwerken aan de hand van de volgende deelonderwerpen: aangaan overeenkomst tot wettelijke controle, einde overeenkomst tot wettelijke controle, verdeling verantwoordelijkheden opdrachtgever en accountant en Wta.
Aangaan overeenkomst tot wettelijke controle
De rechtspersoon verleent de opdracht tot onderzoek van de jaarrekening aan een RA of AA. De opdracht kan worden verleend aan een organisatie waarin accountants samenwerken (artikel 2:393 lid 1 BW). In het hiernavolgende wordt ervan uitgegaan dat de opdracht wordt verleend aan een accountantsorganisatie (zoals toegelicht aan het begin van deze paragraaf). Is sprake van een OOB, dan moet de rechtspersoon vóór verlening van de opdracht aan de AFM mededelen welke accountantsorganisatie wordt beoogd voor het uitvoeren van de opdracht (artikel 2:393 lid 1 BW).
Hoe het aanwijzingsproces tussen de opdrachtgever en de accountantsorganisatie tot stand komt, is een aangelegenheid van partijen.9 Het besluit van de algemene vergadering respectievelijk van de raad van commissarissen of het bestuur is ‘een intern besluit met externe werking, dat wil zeggen onder voorbehoud van acceptatie is de accountant benoemd’.10 Daarmee komt door de aanwijzing van en de aanvaarding door de accountantsorganisatie de overeenkomst van opdracht tot stand.11 Huizink 12 merkt in dit verband op dat het juridisch altijd de vennootschap is welke de opdracht verleent. De vennootschap wordt alsdan vertegenwoordigd door de algemene vergadering dan wel de raad van commissarissen of het bestuur.
Volgens artikel 2:393 lid 2 BW is de algemene vergadering bevoegd tot het verlenen van de opdracht tot onderzoek van de jaarrekening. Doet de algemene vergadering dit niet, dan is de raad van commissarissen hiertoe bevoegd. Het bestuur is slechts bevoegd indien er geen raad van commissarissen is.13
Principe 1.6 van de Nederlandse Corporate Governance Code 2016 vult de bevoegdheid van de algemene vergadering aan met een voordracht van de raad van commissarissen. De auditcommissie brengt advies uit over deze voordracht aan de raad van commissarissen (Best practice 1.6.1 van de Nederlandse Corporate Governance Code 2016). De voordracht van de raad van commissarissen is niet bindend. Dit hangt samen met artikel 2:393 lid 2 BW waarin is bepaald dat de aanwijzing niet door een voordracht wordt beperkt.14
Bij de benoeming van een accountant van een OOB is een belangrijke rol weggelegd voor de bij een OOB verplicht aanwezige auditcommissie. Er dient onder andere sprake te zijn van een selectieprocedure conform de in de artikel 16 van de EU Verordening opgenomen criteria (EU Verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’).15
De werkgroep Toekomst Accountantsberoep16 stelt met betrekking tot de benoeming de volgende maatregel voor: de accountant17 mag geen situatie accepteren waarbij het bestuur de facto de accountant selecteert en benoemt (tenzij bestuurder en aandeelhouder dezelfde persoon zijn en er geen raad van commissarissen is). De accountant mag een opdracht slechts aanvaarden als hij deze rechtstreeks heeft ontvangen van de algemene vergadering of van de raad van commissarissen. Alle contact met betrekking tot de opdracht moet met het betreffende orgaan zijn en niet het bestuur. Blijven de algemene vergadering en de raad van commissarissen in gebreke, dan dient de (beoogd) accountant het bestuur te adviseren om de NBA te benaderen ten behoeve van de benoeming van een accountant.
De opdracht aan de accountantsorganisatie kan voor bepaalde en onbepaalde tijd worden verleend. Indien sprake is van een benoeming voor bepaalde tijd, eindigt de opdracht door verloop van tijd en worden hierdoor discussies over beëindiging of intrekking van de opdracht vermeden.18
Indien sprake is van een OOB dient de accountantsorganisatie bij de eerste opdracht voor ten minste één jaar te worden benoemd. De maximumduur van de eerste opdracht van een accountantsorganisatie, of van die opdracht en één of meer verlengingen, bedraagt niet meer dan tien jaar. Na het verstrijken van de maximumperiode dient sprake te zijn van een rustperiode van vier jaar (Artikel 17 EU Verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s) (zie tevens paragraaf 2.7 inzake kantoorroulatie).
In het Stramien voor Assurance-opdrachten zijn een aantal voorwaarden opgenomen waaraan een accountant19 dient te voldoen alvorens hij een controleopdracht mag aanvaarden. Zie paragraaf 1.4.2.8- Fase1.
Ten aanzien van de inhoud en vorm van de overeenkomst van opdracht is NV COS standaard 210 (Overeenkomen van de voorwaarden van controleopdrachten) van groot belang. De doelstelling van deze standaard is dat de accountant alleen een controleopdracht aanvaardt of continueert indien (i) vastgesteld is dat de randvoorwaarden voor een controle aanwezig zijn, en (ii) geconfirmeerd is dat er een gemeenschappelijk begrip bestaat tussen de accountant en het management en, in voorkomend geval, de raad van commissarissen over de voorwaarden van de controleopdracht.20
Paragraaf 10 van NV COS Standaard 210 stelt de volgende eisen aan de overeenkomst van opdracht. De overeengekomen voorwaarden van de controleopdracht dienen te worden vastgelegd in een opdrachtbevestiging voor een controleopdracht of in een andere geschikte vorm van schriftelijke overeenkomst, en deze zullen bevatten:
de doelstelling en reikwijdte van de controle van de financiële overzichten;
de verantwoordelijkheden van de auditor;
de verantwoordelijkheden van het management;
aanduiding van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving voor het opstellen van de financiële overzichten; en
verwijzing naar de verwachte vorm en inhoud van alle verklaringen die door de auditor moeten worden uitgebracht, alsmede een vermelding dat er omstandigheden kunnen zijn waarin een verklaring kan afwijken van haar verwachte vorm en inhoud.
Op basis van artikel 11 Bta moet in het controledossier de overeenkomst tussen de accountantsorganisatie en de controlecliënt schriftelijk of elektronisch worden vastgelegd. In de toelichting bij de HRA wordt hierover opgemerkt dat dit strikt genomen niet inhoudt dat de overeenkomst schriftelijk moet worden vastgelegd. De accountant is echter wel verplicht de overeenkomst schriftelijk te documenteren.21 Uit NV COS 210 volgt daarentegen wel nadrukkelijk een schriftelijkheidseis met betrekking tot de opdrachtbevestiging.
De NBA heeft in de HRA, deel 3 voorbeeldteksten, voorbeeldbrieven opgenomen van opdrachtbevestigingen, bijvoorbeeld:
een (uitgebreide of beperkte) opdrachtbevestiging voor een controleopdracht;
een opdrachtbevestiging voor een beoordelingsopdracht;
een opdrachtbevestiging inzake een opdracht tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden met betrekking tot financiële informatie;
een opdrachtbevestiging voor een samenstellingsopdracht.
Deze voorbeelden worden in de praktijk ook door accountantsorganisaties gebruikt. Zo hanteert Deloitte in geval van een controleopdracht een standaard opdrachtbevestiging die identiek is aan de voorbeeldteksten en hanteert EY een sterk gelijkende versie, waarvan de tekst veelal gelijk is aan de voorbeeldtekst, doch de brief als geheel meer gepersonaliseerd is.
Het Bta vereist dat de accountantsorganisatie nagaat of zij aan een aantal vereisten voldoet, alvorens zij de opdracht aanvaardt. Zo dient de organisatie bijvoorbeeld na te gaan of zij beschikt over voldoende vakbekwame medewerkers, of de opdrachtgever integer is en of de individuele accountant voldoet aan de Wta (artikel 12 Bta). De accountantsorganisatie moet de beoordeling van artikel 12 lid 1 Bta vastleggen (conclusie en onderbouwing) en in het controledossier opnemen.
De EU Verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’ bevat tot slot een aantal eisen waar een accountantsorganisatie aan dient te voldoen alvorens zij een opdracht bij een OOB aanvaardt (artikel 4 en 5 EU Verordening).
Einde overeenkomst tot wettelijke controle
De verleende opdracht kan worden ingetrokken door de algemene vergadering en door degene die haar heeft verleend22 (artikel 2:393 lid 2 BW). De opdracht kan enkel worden ingetrokken om gegronde redenen (artikel 2:393 lid 2 BW). De term ‘intrekking’ impliceert dat het hier niet gaat om een regulier besluit van een orgaan van de vennootschap om een andere accountant(sorganisatie) aan te stellen.23 Het is namelijk niet de bedoeling dat een rechtspersoon aan een accountant (sorganisatie) ‘vastzit’ als er geen gegronde redenen zijn voor intrekking van zijn opdracht. Een meningsverschil over verslaggevingsmethoden of controlewerkzaamheden betreft geen gegronde reden. Deze bepaling is in 2008 in artikel 2:393 BW opgenomen als beschermingsmaatregel van de accountant(sorganisatie) om te voorkomen dat hij op te lichtvaardige gronden buiten de deur wordt gezet.24 De MvT stelt dat de eis van de gegronde reden kan dienen om een besluit tot intrekking aan te vechten, indien het vermoeden bestaat dat de opdracht aan de accountant(sorganisatie) is ingetrokken wegens een verschil van mening over de methode van verslaggeving of controlewerkzaamheden (of om soortgelijke niet gegronde redenen).25 Dit besluit tot intrekking kan alsdan aangevochten worden door de daartoe bevoegde organen van de rechtspersoon. De algemene vergadering hoort de accountant op diens verlangen over de intrekking van de opdracht of over het voornemen daartoe. Het bestuur én de accountant(sorganisatie) moeten de AFM informeren over de intrekking van de opdracht door de rechtspersoon of tussentijdse beëindiging ervan door de accountant(sorganisatie) en geven hiervoor (afzonderlijk van elkaar) een afdoende motivering (artikel 2:393 lid 2 BW).
Wordt er na de aanvaarding of continuering van een opdracht bepaalde informatie bekend, dan kan een accountantsorganisatie onder omstandigheden verplicht zijn de overeenkomst te beëindigen (artikel 13 Bta).
Voorbeelden van omstandigheden waaronder het voor de accountant(sorganisatie) onmogelijk is de opdracht voort te zetten zijn:
fraude26
niet naleven wet- en regelgeving27
het niet mogen uitvoeren van bepaalde werkzaamheden28
nieuwe informatie met betrekking tot de integriteit van de cliënt29
De accountantsorganisatie legt voornoemde beslissing vast, met inbegrip van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen (artikel 13 lid 2 Bta).
Verdeling verantwoordelijkheden opdrachtgever en accountant
In de relatie van de accountant(sorganisatie) tot zijn opdrachtgever is de verdeling van verantwoordelijkheden van groot belang. De accountant is verantwoordelijk voor het vaststellen en formuleren van een oordeel over de financiële overzichten. De verantwoordelijkheid voor het opstellen van de financiële overzichten en de presentatie van een getrouw beeld door de financiële overzichten in overeenstemming met de van toepassing zijnde grondslagen voor de financiële verslaggeving ligt echter bij het bestuur van de rechtspersoon, met toezicht daarop door de raad van commissarissen. 30Het laten controleren van financiële overzichten door de accountant ontslaat het bestuur van de rechtspersoon of de raad van commissarissen niet van zijn eigen verantwoordelijkheden.31 De regelgeving geeft in dit verband een aantal keer aan dat een bevestiging moet worden gevraagd aan de opdrachtgever van zijn verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld NV COS Standaard 200, paragraaf 4 en A2 en NV COS Standaard 580 paragraaf 9 tot en met 11).
De bevestiging bij de jaarrekening (ook wel Letter of Representation, ‘LOR’ genoemd) is hier van belang. Met de LOR bevestigt de opdrachtgever dat hij verantwoordelijk is voor de jaarrekening en dat alle relevante informatie is verstrekt die de accountant nodig heeft voor zijn werkzaamheden. Hier zal verder in paragraaf 4.4.3.6 bij stil worden gestaan.
De verdeling van verantwoordelijkheid speelt tevens een rol bij de publicatieplicht van jaarstukken. De rechtspersoon dient op grond van artikel 2:394 BW uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening openbaar te maken. Dit is de verantwoordelijkheid van het bestuur van de rechtspersoon. In de praktijk komt het echter geregeld voor dat de accountant zorg draagt voor de publicatie van de jaarrekening.
Wanneer de accountant ‘expliciet heeft afgesproken’ de jaarrekening te deponeren voor de rechtspersoon, ‘of wanneer impliciet blijkt dat hij dit zal doen’, kan sprake zijn van wanprestatie indien de accountant niet of te laat deponeert.32 Ook ‘het eraan bijdragen’ dat het bestuur van de rechtspersoon niet of niet tijdig publiceert, kan aansprakelijkheid opleveren omdat de accountant zijn zorgplicht schendt.33
Een accountant kan derhalve beter niet de jaarrekening deponeren voor de opdrachtgever omdat hij daarmee (wellicht onbedoeld en ongewild) bepaalde verantwoordelijkheden naar zich toe kan trekken, terwijl de primaire verantwoordelijkheid bij (het bestuur van) de rechtspersoon ligt.34
Wta
De Wta ziet voor het overgrote deel op de interne organisatie van accountantsorganisaties en het toezicht daarop, maar bevat ook een aantal bepalingen dat direct van invloed kan zijn op de relatie tussen de accountant(sorganisatie) en zijn (haar) opdrachtgever. Een voorbeeld hiervan is de auditcommissie die op grond van de Wta door een OOB opdrachtgever ingesteld moet worden (zie nader paragraaf 2.4.2.4 onder E Auditcommissie). De instelling van de auditcommissie door de opdrachtgever speelt een rol bij de relatie tussen een accountant(sorganisatie) en opdrachtgever, omdat de accountant(sorganisatie) voor een lastig dilemma wordt gesteld indien de OOB ten onrechte geen auditcommissie instelt (zie paragraaf 2.4.2.4 sub E). De scheiding tussen controle en advies praktijk, de verplichte roulatie en het (tijdelijk) verbod om dagelijks beleidsbepaler bij een opdrachtgever te worden, zijn eveneens voorbeelden van bepalingen die direct van invloed zijn op de relatie tussen de accountant(sorganisatie) en zijn opdrachtgever (zie paragraaf 2.4.2.4 sub A en 2.4.2.5 sub H en I). Tot slot is de meldingsplicht in geval van fraude van materieel belang relevant (zie paragraaf 2.4.2.5 sub E).
II De accountant en tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen (7:402 BW)
In het voorgaande is reeds opgemerkt dat de aard van de opdracht kan meebrengen dat geen nadere aanwijzingen mogen worden gegeven door de opdrachtgever.35 Dit is onder andere aan de orde in de relatie met de accountant bij een wettelijke controle. Aanwijzingen van de opdrachtgever die in strijd zijn met de van toepassing zijnde beroeps- en gedragsregels zijn niet wenselijk. De accountant hoeft dergelijke aanwijzingen van de opdrachtgever dan ook niet op de volgen. In dit verband is artikel 11 VGBA relevant, op basis waarvan de accountant zich bij zijn afwegingen niet ongepast mag laten beïnvloeden. NV COS standaard 210 (overeenkomen van de voorwaarden van controleopdrachten) bevat een aantal bepalingen omtrent onaanvaardbare aanwijzingen. Dergelijke aanwijzingen zien vooral op wijzigingen van de opdracht zonder aanvaardbare reden of die een verlaging van het niveau van zekerheid inhouden (paragraaf 14 tot en met 17 en A30).
De accountant dient niet met een wijziging in de voorwaarden van de controleopdracht in te stemmen, wanneer er geen redelijke rechtvaardiging bestaat om dat te doen.36 Een accountant mag tot slot op basis van NV COS Standaard 210 niet zomaar de overeenkomst aanpassen op aanwijzing van zijn opdrachtgever. Dit kan slechts indien dit volgens de regelgeving mogelijk is.
De mogelijkheid van de opdrachtgever om aanwijzingen te geven is altijd sterk beperkt door de wettelijke bepalingen en de toepasselijke beroepsregels. Het was in Nederland onder invloed van Limperg het uitgangspunt dat de opdrachtgever bij een jaarrekeningcontrole in feite géén aanwijzingen mocht geven. Dit hing samen met het feit dat volgens Limperg de accountant de vertrouwenspersoon is van het publiek en met name van degenen die kapitaal ter beschikking hadden gesteld. Deze externe functie is in zijn ogen de meest belangrijke functie van de accountant, die hij ontleent aan de maatschappelijke behoefte aan deskundige en onafhankelijke controle en aan een deskundig en onafhankelijk oordeel dat gebaseerd is op die controle.37
III De accountant en informeren (7:403 lid 1 BW)
De accountant(sorganisatie) is gehouden de opdrachtgever te informeren over de uitvoering en de voltooiing van de opdracht.38 Dit gebeurt in de praktijk vooral door middel van het accountantsverslag (zie 1.4.2.7). In de wet- en regelgeving zijn voorts bepalingen opgenomen over de informatieplicht van de accountant richting de raad van commissarissen (NV COS Standaard 260 paragraaf 9 en 16, NV COS Standaard 265 en 450 en paragraaf 1.4.2.4 en IV hierna inzake verantwoording). Onderdeel van deze informatieplicht is het informeren van de raad van commissarissen bij overtreding van wet- en/of regelgeving (NV COS Standaard 250 paragraaf 22 tot en met 24). In de wet- en regelgeving wordt eveneens aandacht besteed aan informatieplichten bij doorlopende controleopdrachten. Er moet dan bijvoorbeeld nagegaan worden of de voorwaarden moeten worden herzien of dat de opdrachtgever moet worden herinnerd aan de bestaande voorwaarden (NV COS Standaard 210 paragraaf 13 en A28). Tot slot speelt de managementletter een rol bij het op de hoogte houden van de opdrachtgever. De managementletter is een belangrijk instrument waarmee de accountant vaak gedetailleerd verslag uitbrengt aan het bestuur en soms ook aan de raad van commissarissen (zie paragraaf 1.4.2.7). De managementletter is niet verplicht, maar wordt in de praktijk vaak uitgebracht na de (wettelijke) controle. De managementletter ziet vooral op de geconstateerde tekortkomingen in de interne beheersing van de opdrachtgever en bevat meestal aanbevelingen ter verbetering.39 Er zijn geen wettelijke eisen met betrekking tot het uitbrengen van een management letter.
Een informatieverplichting die niet zozeer samenhangt met de uitvoering en de voltooiing van de opdracht maar die ik hier toch niet onbesproken wil laten, is de verplichting een opdrachtgever onverwijld op de hoogte te stellen indien een accountant is betrokken in een tuchtzaak of in een klachtenprocedure.40
IV De accountant en verantwoording afleggen (7:403 lid 2 BW)
De accountant(sorganisatie) dient verantwoording af te leggen tegenover de opdrachtgever over de wijze waarop hij zich van de opdracht heeft gekweten. Ten aanzien van deze verantwoording speelt de controleverklaring een rol. In de controleverklaring dient het oordeel van de accountant over de financiële overzichten duidelijk tot uitdrukking te worden gebracht.41
De algehele doelstellingen van de accountant bij het uitvoeren van een controle van financiële overzichten zijn:
Het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid over de vraag of de financiële overzichten als geheel geen afwijking van materieel belang bevatten die het gevolg is van fraude of van fouten, om daarmee de accountant in staat te stellen om een oordeel tot uitdrukking te brengen over de vraag of de financiële overzichten in alle van materieel belang zijnde opzichten in overeenstemming met het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving zijn opgesteld; en
Te rapporteren betreffende de financiële overzichten en het communiceren zoals door de Standaarden wordt vereist in overeenstemming met de bevindingen van de accountant.42
NV COS Standaard 700 (Het vormen van een oordeel en het rapporteren over financiële overzichten) gaat uitvoerig in op de voorwaarden met betrekking tot de verantwoording in de controleverklaring. Zo dient de controleverklaring te vermelden of de accountant van mening is dat de controle-informatie die hij heeft verkregen voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor het oordeel van de accountant te bieden. Voorts vermeldt de controleverklaring de verantwoordelijkheden van de accountant en het management met betrekking tot de (controle van de) financiële overzichten (zie paragraaf 1.4.2.6 over de controleverklaring voor verdere informatie over de inhoud).
De NBA heeft in de HRA, deel 3 voorbeeldrapportages, verschillende voorbeelden van accountantsverklaringen bij een jaarrekening opgenomen. Dit betreft onder andere: een goedkeurende accountantsverklaring, een goedkeurende accountantsverklaring met (on) verplicht toelichtende paragraaf, een accountantsverklaring met beperking wegens een beperking van materieel belang in de controle dan wel tegen een deel van de jaarrekening, een accountantsverklaring van oordeelsonthouding wegens een wezenlijke beperking en een afkeurende accountantsverklaring (zie 1.4.2.3 voor een volledig overzicht van de verschillende verklaringen).
Naast de controleverklaring legt de accountant verantwoording af met het accountantsverslag. Met het accountantsverslag voldoet de accountant aan de verplichting om aan de raad van commissarissen en het bestuur verslag uit te brengen van zijn onderzoek naar de jaarrekening. Het accountantsverslag dient mijns inziens twee doelen: de opdrachtgever wordt geïnformeerd over de uitvoering en de voltooiing van de opdracht en er wordt verantwoording afgelegd.
Voorts wijs ik in dit verband op het volgende. Indien sprake is van een wettelijke controle bij een OOB is de accountant(sorganisatie) verplicht een aanvullende verklaring in te dienen bij het auditcomité van de gecontroleerde OOB (artikel 11 van de EU Verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s) (zie paragraaf 1.4.2.7).
Tot slot is de accountant gehouden inzicht te geven in de inhoud van het controledossier en zal de accountant alle redelijke vragen over zijn werkzaamheden moeten beantwoorden. Van de accountant mag in dit verband worden gevergd ‘dat deze duidelijk maakt hoe de controle is aangepakt, welke stukken daarbij zijn opgevraagd, welke instructies zijn gegeven en welke vragen zijn gesteld’.43 Recent is in een tweetal procedures de vraag aan de orde gekomen of de accountant op grond van artikel 7:403 lid 2 BW zijn controledossier dient te overleggen. Allereerst het geschil tussen de curatoren van Weyl en KPMG. De curatoren vorderen afschrift van het gehele controledossier, teneinde een aansprakelijkheidstelling van KPMG te kunnen onderbouwen. Zij leggen de verantwoordingsplicht van artikel 7:403 lid 2 BW aan hun vordering ten grondslag. De vordering is afgewezen, artikel 7:403 lid 2 BW biedt volgens de voorzieningenrechter niet zonder meer een grondslag voor afgifte van het gehele controledossier.44 Ten tweede het geschil tussen Vestia en Deloitte. Vestia verlangt dat Deloitte de controledossiers overlegt op grond van artikel 7:403 lid 2 BW en artikel 843a Rv. In een tussenvonnis wordt door de rechtbank slechts onderzocht of Vestia aan artikel 843a Rv een recht op overlegging van de controledossiers kan ontlenen. De rechtbank overweegt ter zake: ‘De in artikel 7:403 lid 2 BW opgenomen verantwoordingsverplichtingen van een opdrachtnemer jegens zijn opdrachtgever kunnen mede inhoud geven aan de reikwijdte van de in artikel 843a Rv neergelegde exhibitieplicht, zodat de beide grondslagen in zoverre in onderling verband dienen te worden bezien’.45 Met betrekking tot artikel 843a Rv verwijs ik naar paragraaf 5.5.2.1.
De Weyl/KPMG uitspraak geeft inzicht in wat er onder de verantwoordingsplicht dient te worden verstaan. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt: ‘Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekent de verplichting om verantwoording af te leggen dat KPMG inzicht zal moeten geven in de wijze waarop zij de accountantscontrole heeft verricht, maar hieruit vloeit niet rechtstreeks voort dat zij het volledige accountantsdossier aan de curatoren dient af te geven. Wel zal zij inzicht moeten geven in de inhoud daarvan en alle redelijke vragen over haar werkzaamheden moeten beantwoorden. Daarbij is bepaald niet uit te sluiten dat zij, om een goed inzicht te kunnen geven in de haar werkzaamheden, ook interne stukken aan de curatoren zal moeten verstrekken. Er van uitgaande dat door betrokkenen in de kring van de [X] Groep fraude is gepleegd op de wijze en in de omvang als in het vonnis van de rechtbank Almelo bewezen geacht – iets waar in het kader van dit kort geding voorshands van uit moet worden gegaan nu de voorzieningenrechter zich dient te richten naar het oordeel van de bodemrechter – geldt het volgende. In het algemeen mag worden verwacht dat KPMG bij het afleggen van verantwoording duidelijk maakt hoe zij de controle heeft aangepakt en welke stukken zij bij of via de [X] Groep heeft opgevraagd, welke instructies zij heeft gegeven en welke vragen zij heeft gesteld. In het bijzonder op de punten waar voorshands van fraude moet worden uitgegaan mag worden verwacht dat KPMG gedetailleerd uiteenzet op welke stukken zij haar oordeel dat er geen noodzaak was een goedkeurende verklaring te onthouden heeft gebaseerd, welke controles zij heeft verricht en wat daarvan de uitkomst was. Nadat KPMG inzicht heeft gekregen in de onderzoeken van de FIOD en Ernst & Young (zoals in reconventie zal worden beslist) zal ook van KPMG mogen worden verwacht dat zij een standpunt inneemt over de vraag of zij als redelijk bekwaam en redelijk handelend accountant de in die rapporten beschreven fraude niet had kunnen ontdekken. Nu de vordering niet is gericht op het afleggen van verantwoording als bovenbedoeld, maar op afgifte van het volledige accountantsdossier, zal die vordering niet op deze grond kunnen worden toegewezen’.46
V De accountant en de verplichting tot persoonlijke uitvoering van de opdracht (7:404 BW)
De wettelijke controle dient te allen tijde plaats te vinden onder de verantwoordelijkheid van een externe accountant. Artikel 29 van de Wta bepaalt dat de externe accountant de controleverklaring afgeeft en deze ondertekent met zijn eigen naam en daarbij de naam vermeldt van de accountantsorganisatie waaraan hij is verbonden.
De NBA ontraadt het inscannen van een accountantsverklaring die voorzien is van een persoonlijke ondertekening, om misbruik van de handtekening te voorkomen. De NBA adviseert daarom één originele controleverklaring te ondertekenen met de persoonlijke handtekening van de accountant. Deze verklaring kan opgenomen worden in het archief van de opdrachtgever.
Voor de controleverklaring die in de overige gegevens van de te deponeren of op andere wijze openbaar te maken jaarrekening wordt opgenomen, adviseerde de NBA te ondertekenen door vermelding van de woorden “was getekend” en de vermelding van de naam van de accountant.47
De handtekening kan maar van één (externe) accountant zijn. Dat volgt uit de definitie van externe accountant: ‘de natuurlijke persoon die werkzaam is bij of verbonden is aan een accountantsorganisatie en die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een wettelijke controle’ (artikel 1 lid 1 sub f Wta). Dit betekent dat de accountantsorganisatie voor iedere wettelijke controleopdracht één persoon moet aanwijzen die de functie van externe accountant vervult. Er is dus maar één persoon die (vaktechnisch) verantwoordelijk is voor de uitvoering van de opdracht en dus kan er ook maar één persoon zijn die de controleverklaring tekent.48
Let wel: tuchtrechtelijk dragen alle accountants die onderdeel uitmaken van het controleteam verantwoordelijkheid.
De verantwoordelijkheid van één persoon voor de uitvoering van de opdracht brengt een aantal vragen met zich mee, die samenhangen met aansprakelijkheid. Accountants voeren een controle opdracht voornamelijk in teamverband uit. Kan de betreffende accountant aansprakelijk gesteld worden voor handelen van zijn teamleden? Verder wordt de overeenkomst van opdracht aangegaan met de accountantsorganisatie. Kan de accountant desondanks in privé aansprakelijk gesteld worden? Ik zal deze vraagstukken over toerekening nader uitwerken in hoofdstuk 5.2.
Overeenkomst tot wettelijke controle: inspannings- of resultaatsverbintenis?
De op basis van een overeenkomst tussen een accountant(sorganisatie) en een opdrachtgever uit te voeren wettelijke controle ex artikel 2:393 BW heeft als doel te komen tot een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening.49 Men kan stellen dat dit een resultaatsverbintenis is voor zover de accountant zich verbindt een verklaring af te geven. Dit kan een goedkeurende verklaring zijn, maar ook een verklaring van oordeelonthouding, een verklaring met beperking of een afkeurende verklaring (zie paragraaf 1.4.2.6). Een teleurgestelde opdrachtgever kan -indien men op basis van bovenstaande aanneemt dat sprake is van een resultaatsverbintenis- in de praktijk echter niet volstaan met te stellen dat het resultaat niet is bereikt, want er zal altijd een verklaring worden afgegeven, ook al is deze afkeurend. De uit de opdracht voortvloeiende verbintenis tot wettelijke controle is dus meer dan een resultaatsverbintenis. Het uitvoeren van de eigenlijke controle zelf is een inspanningsverbintenis.
Dit is in lijn met Boertien, die van mening is dat bij een wettelijke controle sprake is van een inspanningsverbintenis.50 In zijn ogen is de hoofdverplichting die uit een controleopdracht voortvloeit, de verplichting de controle te verrichten overeenkomstig de voor een accountant vereiste zorgvuldigheid en vakbekwaamheid. Er kan zijns inziens geen sprake zijn van een verplichting tot het leveren van een bepaald resultaat, in de zin van bijvoorbeeld een garantie dat de gecontroleerde jaarrekening juist is. Weliswaar is de arbeid van de accountant gericht op een juist beeld van de jaarrekening, maar er is geen mogelijkheid dat hij een bepaalde toezegging, een zekere garantie geeft. De hoofdverplichting is de -zorgvuldig en vakbekwaam uitgevoerde- arbeid die moet voeren tot een correcte verklaring.51 En hierin is volgens mij de afgelopen ruim 50 jaar niets veranderd! Oftewel: bij de opdracht tot het verrichten van een wettelijke controle is sprake van zowel een resultaat- als een inspanningsverbintenis. Het resultaat is de af te geven verklaring. De inspanning dient te bestaan uit het verrichten van zorgvuldig en vakbekwaam uitgevoerde controlewerkzaamheden, welke werkzaamheden dienen te resulteren in een correcte verklaring. De te verrichten inspanningen zijn vergaand vastgelegd in de in hoofdstuk 2 besproken wet- en regelgeving.