Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/10.3.2.3
10.3.2.3 Art. 4:74 BW
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS617995:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook hoofdstuk 5, § 8.3.2.
Zie over de mogelijke rol van deze bepaling in het kader van een bedrijfsopvolging onder meer, W. Burgerhart, Bedrijfsopvolging Civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten (preadvies KNB), Den Haag: Sdu Uitgevers 2005, p. 401 e.v.
Van der Burght c.s., Parl. Gesch. Boek 4, Deventer: Kluwer 2002, p. 462.
Van der Burght c.s., Parl. Gesch. Boek 4, Deventer: Kluwer 2002, p. 468.
Tegen de achtergrond van deze overwegingen in de parlementaire geschiedenis, is het overigens opmerkelijk dat art. 4:74 BW inzetbaar is, ongeacht wie erflaters onderneming voortzet. Indien het de wetgever te doen was geweest om de voortzetting van die onderneming ‘binnen de familie’, zou zulks – evenals in de aanvankelijk voorgestelde tekst (zie paragraaf 3.2.4) – als een voorwaarde in de wet tot uitdrukking hebben moeten komen. Nu dat niet het geval is, en de wetgever een daartoe aanvankelijk opgenomen voorwaarde heeft geschrapt, lijkt het hem te gaan om het voortbestaan van erflaters onderneming als zodanig. Men zou evenwel kunnen betogen dat deze in beginsel nimmer kan worden bemoeilijkt door een ‘art. 4:74-legaat’, en wel op grond van de volgende redenering. Dat de schuldenaar van het legaat, als dat al de voortzetter is en als dat legaat al ten laste van hem komt (zie daarover paragraaf 3.2.4), tot vervreemding van erflaters onderneming zou moeten overgaan om het legaat te kunnen betalen, hoeft deze vervreemding het voortbestaan van erflaters onderneming als zodanig immers niet te bedreigen. Die onderneming is dan in de goede handen van een koper. Zie voor soortgelijke bespiegelingen in het kader van een Oostenrijks onderzoek naar bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in verband met de aldaar geldende legitiemeregeling, Heinz Krejci, Unternehmensnachfolge und Pflichtteilsrecht, Wien: Manzsche Verlags- und Universitatsbuchhandlung 2006, p. 3-5. Zie ook hoofdstuk 11, § 3, waaruit blijkt dat de erfrechtelijke bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in Duitsland slechts in ‘familieverband’ bestaan.
Zie ook Mellema-Kranenburg 2006 (T & C Erfrecht), art. 4:74 BW, aant. 2.
Correcties op het ‘art. 74-legaat’ kunnen plaatsvinden op grond van art. 4:74 lid 2 BW of – indien de grond voor de termijnbetaling weliswaar bij overlijden aanwezig is maar later komt te vervallen – op grond van art. 4:123 BW. Zie ook Van der Burght c.s., Parl. Gesch. Boek 4, Deventer: Kluwer 2002, p. 462.
Zie ook hoofdstuk 5, § 8.1.
Door in een uiterste wil bij een in termijnen opeisbaar geldlegaat de beweegreden daarvoor, met de ‘sacrale’ woorden ‘dat zonder deze beschikking de voortzetting van een beroep of bedrijf van de erflater in ernstige mate zou worden bemoeilijkt’, op te nemen, kan de erflater bewerkstelligen dat bij verwerping van dat legaat de contante waarde daarvan in mindering op de legitieme portie komt (art. 4:74 BW).1 Een op grond van art. 4:73 lid 1 letter c BW als ‘inferieur’ aan te merken legaat, wordt door de toevoeging van de beweegreden ‘superieur’.2
De bepaling kan – zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis – worden gezien als een van de voorzieningen, ‘die een bevredigende gang van zaken kunnen bevorderen, waarbij met name moet worden gedacht aan waarborgen voor een intact blijven van een bedrijf, voor voorkoming van ongewenste liquidatie tegen de bedoeling van de erflater’.3Art. 4:74 BW maakt een vlotte voortzetting van een beroep of bedrijf van de erflater mogelijk, zo gaf de minister aan.4,5
Noch in de wetsgeschiedenis noch in de literatuur wordt ingegaan op ‘erflaters beroep of bedrijf’ als zodanig in het kader van art. 4:74 BW noch op de voortzetting daarvan. Een mogelijke verklaring daarvoor is, dat art. 4:74 BW in feite geen betrekking heeft op bedoelde onderneming noch op de voortzetting daarvan, maar het in termijnen opeisbare geldlegaat ‘object’ van de betreffende faciliteit is. De bepaling stelt geen – bijzondere – eisen aan erflaters beroep of bedrijf en evenmin aan de voortzetting daarvan.
De enige ‘toets’ die in dit kader dient plaats te vinden is, of – beoordeeld naar het moment van overlijden – de voortzetting van erflaters beroep of bedrijf in ernstige mate wordt bemoeilijkt zonder het in termijnen opeisbare geldlegaat.6 Deze toets valt in feite in twee delen uiteen, te weten een juridische toets of erflater een beroep of bedrijf heeft (gehad) en een economische toets of de voortzetting zonder een periodieke opeisbaarheid in ernstige mate wordt bemoeilijkt. De daadwerkelijke voortzetting wordt in art. 4:74 BW niet als voorwaarde gesteld.7
Voor de juridische toets kan mijns inziens worden volstaan met de beoordeling of de erflater aan de hand van de in paragraaf 2.2 geïnventariseerde criteria tijdens leven een beroep of bedrijf heeft uitgeoefend, oftewel een ‘onderneming heeft gehad’. Een retrospectieve beoordeling derhalve, waarbij het al dan niet verrichten van voortzettingshandelingen door de verkrijger(s) van de onderneming na overlijden voor de toets als zodanig geen relevantie hebben. De legitiemeregeling wordt immers per het overlijdensmoment ‘afgewikkeld’, (rechts)handelingen nadien zijn op de – mede door de werking van art. 4:74 BW bepaalde – omvang van de legitieme portie niet van invloed.8 De bedoelde economische toets laat ik thans rusten, omdat zij geen betrekking heeft op de in deze paragraaf aan de orde geweest zijnde objecteis; ik kom op deze toets nog terug in paragraaf 3.2.4.