De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.5.7.3:4.5.7.3 De benoemde correspondent en de verzekeraar
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.5.7.3
4.5.7.3 De benoemde correspondent en de verzekeraar
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS401827:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De correspondent wordt aangesteld op initiatief van de verzekeraar om voor zijn rekening schadegevallen in het kader van het groenekaartstelsel te behandelen. Zie Internal Regulations, art. 4.4, eerste alinea.
De Internal Regulations spreken van een verzoek om goedkeuring van de aanstelling van een correspondent. De Internal Regulations laten zich niet expliciet uit over de verhouding tussen de verzekeraar en de correspondent.
Deze verhouding heeft kenmerken van de figuur van de opdracht, meer in het bijzonder de lastgeving. Art. 7:400 BW omschrijft de opdracht als:
"de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken."
Lastgeving is naar art. 7:414 BW:
"de overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten."
De correspondent heeft tot taak voor rekening van de verzekeraar rechtshandelingen te verrichten, namelijk het behandelen en afwikkelen van schadegevallen, hetgeen al dan niet uitmondt in een vaststellingsovereenkomst. Dat niet elke schaderegeling uitmondt in een vaststellingsovereenkomst, is geen bezwaar. Lastgeving ziet op het verrichten van rechtshandelingen en is niet beperkt tot het tot stand brengen van overeenkomsten. Ook het afwijzen van aansprakelijkheid is een rechtshandeling, immers erop gericht om een rechtsgevolg in het leven te roepen.
Op het eerste gezicht lijkt naar Nederlands recht een complicatie besloten te liggen in art. 7:414 lid 2 BW, dat immers bepaalt dat de overeenkomst de lasthebber kan verplichten te handelen in eigen naam, maar zij kan hem ook verplichten te handelen in naam van de opdrachtgever. Van geen van beide varianten is sprake: de correspondent handelt noch op eigen naam, noch in die van de opdrachtgevende verzekeraar, maar in die van het 'regelend' Bureau. De vraag is dus of deze variant aan een kwalificatie als lastgeving in de weg staat.
Ik meen van niet. In de literatuur wordt aangenomen dat art. 7:414 lid 2 BW in zoverre niet volledig is, dat de mogelijkheid van een 'derde weg' onvermeld wordt gelaten.1 Deze 'derde weg' bestaat dan daarin dat de overeenkomst van lastgeving in het midden laat of de lasthebber op eigen naam dan wel in naam van de lastgever naar buiten treedt. Dat de wet de mogelijkheid niet noemt dat de lasthebber voor rekening van één partij optreedt in naam van een andere is dus niet doorslaggevend. Steun voor deze opvatting meen ik te vinden bij Brunner, die van oordeel is dat het voldoende is dat de rechtshandelingen in de verhouding lastgever - lasthebber voor rekening van de eerste komen.2 Voor de wederpartij behoeft het niet duidelijk te zijn dat de lasthebber voor rekening van een ander optreedt. A fortiori, zou ik menen, behoeft dan ook niet duidelijk te zijn in wiens naam de handelingen worden verricht, zolang in de interne verhouding maar duidelijk is wie door de handelingen wordt gebonden. Ook de belangen van het 'regelend' Bureau verzetten zich er niet tegen dat de verhouding tussen verzekeraar en correspondent als lastgeving wordt gekwalificeerd. Zie hierna, paragraaf 4.5.7.4.
In de praktijk zal de correspondent in zijn relatie met de benadeelde duidelijk maken dat hij niet voor zichzelf handelt maar dat hij optreedt voor rekening van een (buitenlandse) verzekeraar. Daarnaast zal hij ook (hebben te) vermelden dat hij namens het 'regelend' Bureau optreedt. Hij bindt in zoverre beide partijen. Zou hij deze mededelingen aan de benadeelde achterwege laten, dan zou hij ook zichzelf binden, een consequentie die de correspondent niet graag zal aanvaarden.
De rechtsverhouding tussen de correspondent en de verzekeraar wordt in de Internal Regulations niet uitgewerkt en de verzekeraars hebben dan ook een grote vrijheid om met hun correspondenten afspraken te maken omtrent de inhoud van de relatie. Deze vrijheid wordt evenwel op één belangrijk punt ingeperkt, een inperking die voortvloeit uit de eigen verantwoordelijkheid van het 'regelend' Bureau in het kader van de schaderegeling: de correspondent dient de schadegevallen te behandelen in overeenstemming met art. 4.4, eerste alinea van de Internal Regulations, hetgeen betekent in overeenstemming met de toepasselijke wet- en regelgeving. In dit verband moet ook worden gewezen op art. 3.4, tweede alinea, dat bepaalt dat het Bureau bij uitsluiting bevoegd is ten aanzien van de uitleg van het toepasselijk recht,
"even when it refers to the legai provisions applying in another country".
Deze bepaling voorkomt discussie tussen de verzekeraar en het daadwerkelijk 'regelend' Bureau over de juistheid van de door dat laatste in het kader van de schaderegeling ingenomen standpunten en genomen beslissingen. De vraag is of diezelfde exclusieve bevoegdheid ook aan de correspondent dient te worden verleend, dan wel uit de Internal Regulations voortvloeit.
Ik meen dat dit inderdaad het geval is en dat de bevoegdheid van de verzekeraar om zijn correspondent in dit opzicht te beperken, ontbreekt. Dit vloeit voort uit de vertegenwoordigingsverhouding tussen 'regelend' Bureau en correspondent. De correspondent oefent de bevoegdheden van het Bureau uit en behoeft dus, evenmin als het Bureau, toestemming te vragen aan de verzekeraar omtrent beslissingen in het kader van de schaderegeling. Wel zal de correspondent, evenals het Bureau conform art. 3.4, tweede alinea, als de verzekeraar dat wenst (en dat zal doorgaans het geval zijn) de laatste omtrent een voorgenomen beslissing informeren. Zie hierna paragraaf 6.2.4.2 onder b.
De (dagelijkse) praktijk zal in dit opzicht wel sterker zijn dan de leer: correspondenten zullen, meer dan de Bureaus zelf, om een goede verstandhouding met hun eigenlijke broodheer niet in gevaar te brengen, meer geneigd zijn met diens opvattingen rekening te houden. Kan de benadeelde zich echter niet verenigen met het door de correspondent ingenomen standpunt en brengt hij het dispuut ter kennis van het 'regelend' Bureau, dan kan dit op zijn beurt de correspondent weer tot de orde roepen en instrueren.
In het kader van de verhouding van de correspondent met de verzekeraar die hem aanstelt, moet aandacht worden besteed aan het vraagstuk van het tegenstrijdig belang. Veelal zal de correspondent voor meer verzekeraars optreden (en soms wordt een verzekeraar als correspondent aangesteld). Dat brengt het risico mee dat de correspondent meerdere heren moet dienen bij het regelen van het schadegeval.
Denk aan de verzekeraar die als correspondent voor een verzekeraar uit een andere lidstaat optreedt, maar die tevens gesubrogeerd cascoverzekeraar van de benadeelde en aldus wederpartij van de lastgever is.
Op grond van art. 7:416 lid 1 BW behoudt de lasthebber die zelf als wederpartij van zijn lastgever optreedt, de zogenaamde Selbsteintritt, zijn recht op loon slechts als de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat een belangenconflict is uitgesloten. Aan deze voorwaarde zal in de praktijk van de verkeerschaderegeling niet snel zijn voldaan. De bepaling bevat regelend recht, met uitzondering van het vormvoorschrift van het derde lid (dat in het kader van de correspondent niet speelt, omdat zijn lastgever, de buitenlandse verzekeraar, in de uitoefening van zijn bedrijf handelt).
Zie voor het Duitse recht § 181Bürgerliches Gesetzbuch (BGB) (Insichgeschäft):
"Ein Vertreter kann, soweit nicht ein anderes ihm gestattet ist, im Namen des Vertretenen mit sich im eigenen Namen oder als Vertreter eines Dritten ein Rechtsgeschäft nicht vornehmen, es sei denn, dass das Rechtsgeschäft ausschließlich in der Erfüllung einer Verbindlichkeit besteht."
Ook het Franse, Belgische en Engelse recht staan de Selbsteintritt in beginsel niet toe. Zie de literatuur bij Brunner, WPNR 5286, voetnoot 47.
De correspondent die voor meer buitenlandse of binnenlandse verzekeraars optreedt, kan ook buiten het geval waarin hij zelf als wederpartij van de lastgever optreedt in een belangenconflict geraken, namelijk als hij in een en hetzelfde schadegeval twee heren heeft te dienen.
Denk aan het schaderegelingsbureau aan wie een Nederlandse verzekeraar zijn schadebehandeling heeft uitbesteed en dat tevens optreedt als correspondent van een buitenlandse verzekeraar.
Art. 7:417 lid 1 BW bepaalt, naar analogie van art. 7:416, dat dit slechts is toegestaan als de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat belangenstrijd tussen beide lastgevers is uitgesloten. Zoals hiervoor reeds gesteld: daarvan zal in de praktijk van de schaderegeling niet spoedig sprake zijn. Art. 7:417 lid 3 BW onthoudt hem dan recht op loon en hij kan schadeplichtig worden; van deze bepaling kan niet ten nadele van de lastgever worden afgeweken.
In andere gevallen waarin de lasthebber een direct of indirect belang bij de totstandkoming van de rechtshandeling heeft, dient hij de lastgever daarvan in kennis te stellen. Verzuimt hij dat te doen, dan heeft hij geen recht op loon en is hij tot schadevergoeding verplicht.
Opgemerkt zij dat de Internal Regulations de vraag naar de belangentegenstelling rond de correspondent ongeregeld laten, zulks in tegenstelling tot het conflicterend belang van de door het 'regelend' Bureau zelf aangestelde lasthebber (agent, mandataire), in welk geval de Internal Regulations bepalen dat het 'regelend' Bureau dat niet de voorafgaande schriftelijke toestemming van de dekking gevende verzekeraar, respectievelijk het garanderend Bureau verkrijgt, slechts de helft van de bedragen terug kan vorderen waarop het anders aanspraak zou kunnen maken. Zie paragraaf 6.2.4.2 onder n.