Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.5.3:7.2.5.3 Resumé ten aanzien van de relativering van vormvereisten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.5.3
7.2.5.3 Resumé ten aanzien van de relativering van vormvereisten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946193:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De oorspronkelijk strenge benadering van de vormvereisten voor het indienen van klachten is zowel in de wet als in de rechtspraak reeds lang verlaten. Er wordt pragmatisch omgesprongen met het klachtvereiste, waarbij de rechter van doorslaggevend belang acht of afdoende is gebleken dat de klachtgerechtigde de wens tot vervolging heeft geuit. Die benadering is – met het oog op de functie van het klachtrecht – in beginsel acceptabel, maar moet er niet toe leiden dat de justitiële autoriteiten gemakzuchtig te werk gaan bij het innemen van aangiften en onvoldoende oog hebben voor het rechtsgeldig vastleggen van klachten. Zowel klachtgerechtigden die de zaak willen laten rusten als klachtgerechtigden die prijs stellen op vervolging zijn immers gebaat bij een formeel juiste vastlegging van klachten. Dit verkleint de kans op opsporing en vervolging die de klachtgerechtigde onwenselijk acht en dit verkleint ook de kans op een niet-ontvankelijkverklaring in zaken waarin de klachtgerechtigde wel vervolging beoogt. Daarnaast zal ten aanzien van alle klachtgerechtigden minder noodzaak bestaan om hen op een later moment alsnog te bevragen over hun zienswijze ten aanzien van de vervolging. Het secuurder innemen van klachten draagt daarmee bij aan het voorkomen van secundaire victimisatie. Een tweede aandachtspunt is dat de vaststelling van een klacht tot op heden met zich brengt dat ook reeds verrichte opsporings- en vervolgingshandelingen rechtmatig worden geacht. In het licht van het voornemen om de klachttermijn te laten vervallen, verdient deze benadering aanpassing. De gedachte die ten grondslag ligt aan de regeling van klachtdelicten wordt immers ondergraven indien een (veel) later ingediende klacht kan fungeren als rechtvaardiging voor eerder verrichte opsporing en vervolging. Uitsluitend opsporings- en vervolgingshandelingen die zijn verricht nadat de klachtgerechtigde verzoekt om vervolging dienen rechtmatig te worden geoordeeld.