Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.2.1
14.2.1 Rechtvaardigingsgrond vernieuwde bron 'winst uit aanmerkelijk belang'
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS454168:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Het machtscriterium, volgens welke een aanmerkelijkbelanghouder het in zijn macht heeft om geen (belaste) dividenden uit de vennootschap uit te keren en deze dividenden – buiten de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang – materieel als een (onbelaste) vervreemdingswinst te toucheren, is aldus volledig naar de achtergrond verdwenen. Ook de oude tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregeling kon vanwege het onderscheidende criterium van 33,33% niet op dit machtselement zijn gestoeld. Macht in de vennootschap heeft men immers pas bij een belang van meer dan 50%. Vgl. J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling. Fed fiscale brochures, 6e druk, blz. 29-30, Fed, Deventer, 1995.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 13-14 en de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 2.
J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, 6e druk, blz. 29-30, Fed, Deventer, 1995.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 14. Ook de Commissie-Stevens had in haar rapport 'Graag of niet' vanuit dezelfde gedachte reeds eerder een kwantitatief criterium van 5% voorgesteld, Graag of niet, Rapport van de Commissie voor de Belastingherziening (Commissie Stevens), blz. 222-223, Sdu Juridische & Fiscale Uitgeverij, 1991.
In hoofdstuk 4, onderdeel 4.4 is ingegaan op de rechtvaardigingsgrond van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling. Aldaar is aangegeven dat de drastische verlaging van het aanmerkelijkbelangcriterium van (globaal) 33,33%o resp. 7%> van het nominaal gestorte kapitaal naar (globaal) 5% van het geplaatste kapitaal van de vennootschap moet worden verdedigd als een aanscherping van het onderscheid tussen de aandeelhouder/ondernemer enerzijds en de aandeelhouder/belegger anderzijds.1 Volgens de memorie van toelichting brengt een percentage van vijf dit onderscheid tussen beleggen en ondernemen beter tot uitdrukking.2 In genoemd onderdeel concludeerde ik echter dat mijns inziens met het huidige 'ten minste 5%'-criterium de 'zekere grenzen' van J.E.A.M. van Dijck zijn overschreden3 en dit criterium onvoldoende zeggingskracht heeft om daarop een afzonderlijk tussenregime dat zich bevindt tussen de ondernemer enerzijds en de belegger anderzijds, te funderen. Ook de verwijzing in de memorie van toelichting naar de regeling van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting, waarin eenzelfde onderscheid wordt gehanteerd tussen ondernemen en beleggen4 - ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal - heb ik in genoemd onderdeel als onvoldoende dragend van de hand gewezen.
Nu mijns inziens het huidige 'ten minste 5%'-criterium nauwelijks nog voldoende zeggingskracht bezit om daarop een fiscaal tussenregime tussen de bron 'winst uit onderneming' enerzijds en de bron 'inkomsten uit vermogen' anderzijds te funderen, rijst de vraag waarop de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling dan moet worden gegrond. Met name rijst de vraag waarom de hierboven vermelde noodzakelijke ingrepen in het fiscale regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen niet voor alle houders van aandelen in vennootschappen heeft plaatsgevonden en beperkt is gebleven tot de aanmerkelijkbelanghouders. Hadden niet alle aandeelhouders in vennootschappen, ongeacht de omvang van de participatie in de vennootschap, onder het nieuwe (aanmerkelijkbelang)regime moeten worden gebracht, zodat de inkomsten uit aandelen en winstbewijzen voortaan niet meer onder de bron 'inkomsten uit vermogen' zouden vallen? Dit raakt de kern van de aanmerkelijkbelangregeling. Men kan immers op twee wijzen naar de aanmerkelijkbelangregeling kijken, nl.:
als een fiscaal tussenregime tussen de ondernemer enerzijds en de belegger anderzijds, of
als een additionele belastingheffing op het niveau van de aandeelhouder teneinde de heffing van vennootschapsbelasting aan te vullen tot het gewenste heffingsniveau in de inkomstenbelasting.
In de eerste zienswijze vervult het aanmerkelijkbelangcriterium van een aandelenbezit van ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap de functie om de ondernemende aandeelhouder die via zijn aandelenbezit in het bijzonder belang heeft bij de activiteiten van de vennootschap, af te grenzen van de beleggende aandeelhouder die louter belang heeft bij zijn aandelen als beleggingsobject. Zoals gezegd, is dit kennelijk de visie van de fiscale wetgever. In de tweede zienswijze vervult het aanmerkelijkbelangcriterium van ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap in feite geen functie, maar kan worden beschouwd als een partiële, nl. alleen voor aanmerkelijkbelanghouders geldende, vermogenswinstbelasting. Het zal duidelijk zijn dat beide zienswijzen elkaar uitsluiten.
Ik meen dat de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling, gelet op de diverse uitlatingen tijdens het wetgevend proces, het beste kan worden gekarakteriseerd als een quasi-ondernemersregeling. Anders gezegd, het kwantitatieve criterium in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling heeft als functie om de ondernemende aandeelhouder van de beleggende aandeelhouder af te grenzen. De ondernemende aandeelhouder heeft primair belang bij de activiteiten die in de vennootschap worden uitgeoefend, terwijl de beleggende aandeelhouder louter is geïnteresseerd in de aandelen als beleggingsobject. Dit verschil tussen de ondernemende aandeelhouder en de beleggende aandeelhouder rechtvaardigt dan een geheel eigen regime van belastingheffing, waarin het aanmerkelijkbelangregime voorziet. Gelet op dit karakter van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling als quasi-ondernemersregeling, gaat mijn voorkeur ernaar uit om dit karakter te benadrukken en het aanmerkelijkbelangregime louter open te stellen voor die aandeelhouders die in het economische verkeer als ondernemer kunnen worden aangemerkt. Dit noopt mijns inziens noodzakelijkerwijs tot een hoger kwantitatief criterium dan ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap. Hoewel elk kwantitatief criterium grensgeschillen oproept, gaan mijn gedachten veel meer uit naar een 20%- of 25%o-criteri-um. Pas bij een dergelijk belang kan men naar mijn mening op goede gronden verdedigen dat de aandeelhouder een bijzonder belang heeft bij de activiteiten van de vennootschap en in mindere mate bij de aandelen als beleggingsobject.