Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.2.1
7.2.1 EU-richtlijnen en nationale regelgeving
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363626:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp 3-I*, nr. 181 en Wissink 2014, par. 5.1 t/m 5.4.
Art. 2:349a lid 2 BW en art. 2:355/6 BW.
Asser/Hartkamp 3-I*, nr. 182 onder a en Wissink 2014, par. 6.1 onder (i). Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het Handvest. Zie par. 7.3. Tevens dient rekening gehouden te worden met rechtsbeginselen (van Unierecht), zoals het rechtszekerheidsbeginsel. Zie Asser/Hartkamp 3-I*, nr. 183 en Wissink 2014, par. 6.2 onder (i).
Asser/Hartkamp 3-I*, nr. 18, 92 en 95, Snijders 2014, p. 547 t/m 549 en Wissink 2014, par. 7. In nr. 7.10 merkt Wissink (2014) echter op dat de Hoge Raad in de praktijk terughoudend gebruik maakt van de redelijkheid en billijkheid om tot een richtlijnconforme wetsinterpretatie te komen.
Asser/Hartkamp 3-I*, nr. 182 en 183 en Wissink 2014, par. 6 en Keus, ‘The principle of legal certainty’, in Hartkamp, Keus, Kortmann, Sieburgh en Wissink (red.) The influence of eu law on national private law, Deventer: Kluwer 2014, SO&R, nr. 81-1, par. 5.
EU-richtlijnen verplichten de Nederlandse staat om het nationale recht in te richten op de wijze die deze richtlijnen voorschrijven. De (tekst van de) wet dient te beantwoorden aan de EU-richtlijnen. Afhankelijk van de staat van het recht op het moment dat de richtlijn van kracht wordt, betekent dit dat geheel nieuwe regelgeving moet worden ingevoerd, de bestaande regelgeving moet worden aangepast, of – indien de wet al beantwoordt aan de richtlijn – daarin geen verandering mag komen. De aldus aan de richtlijn beantwoordende nationale regelgeving werkt op zijn beurt weer door in de deelrechtsorde op de wijze die wordt beschreven in par. 4.3.2.
De invloed van deze richtlijnen op het Nederlandse rechtspersonenrecht houdt niet op bij de invoering of handhaving van de vereiste wettelijke bepalingen. De wet dient ook in overeenstemming met de desbetreffende richtlijnen te worden uitgelegd door de rechter. Dat geldt niet alleen voor de bepalingen die de wetgever op grond van deze richtlijnen heeft ingevoerd of moet handhaven, maar ook voor andere bepalingen.1 Ook de bepalingen op grond waarvan de ondernemingskamer (onmiddellijke) voorzieningen kan treffen2 moeten richtlijn conform worden toegepast. Dit komt aan de orde in par. 7.2.2.
Een richtlijn conforme toepassing van het Nederlandse recht houdt in dat dit recht zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en het doel van de desbetreffende richtlijnen moet worden uitgelegd, opdat het met deze richtlijnen beoogde resultaat wordt bereikt.3 Daarbij moet de rechter gebruik maken van de mogelijkheden die het nationale recht biedt. Daarbij kan gedacht worden aan interpretatie, maar ook aan de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.4 Het zal echter niet altijd (goed) mogelijk zijn om daarmee het beoogde resultaat te realiseren. In die gevallen gaat de verplichting om het nationale recht richtlijnconform uit te leggen niet zo ver dat de rechter het nationale recht contra legem moet uitleggen, of in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.5
Aldus zijn EU-richtlijnen, die rechtspersonenrecht bevatten, indirect bepalend voor de interpretatie van het Nederlandse rechtspersonenrecht met alle in par. 4.3.2 beschreven gevolgen voor de deelrechtsorde van dien.