Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.2.3
7.2.3 Richtlijnconforme uitleg van statuten, reglementen en aandeelhoudersovereenkomsten
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372102:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp 3-I*, nr. 190, vgl. echter Wissink 2014, nrs. 5.5 t/m 5.10.
Wissink 2014, par. 5.6.
Er is wel rechtspraak over geheten gouden aandelen die hun basis hebben in de statuten. Het gaat dan om geprivatiseerde staatsbedrijven waarbij de Staat, ter gelegenheid van de privatisering, het er toe geleid heeft dat in de statuten een bijzonder aandeel is gecreëerd dat verstrekkende bevoegdheden toekent aan de houder daarvan. Die houder is dan de Staat. Het invoeren en handhaven van dergelijke statutaire regelingen wordt in dat kader aan de Staat toegerekend. Dat kan in strijd zijn met het EU-recht ten aanzien van het vrije verkeer van kapitaal. Zie hierover bijvoorbeeld de noten van Vossestein bij JOR 2006/287 en JOR 2010/262. Dit betreft echter een andere kwestie dan de (richtlijn-conforme) interpretatie van statuten.
Zie Wissink 2014, par. 4.1.
HR 1 juni 2013, NJ 2013, 172 m.nt. Tjong Tjin Tai (Esmilo/Mediq).
Vgl. Wissink 2014, par. 5.9 en 5.10.
In par. 7.2.1 ging het over richtlijnconforme interpretatie van regels die door de overheid in het leven zijn geroepen. Dergelijke regels vormen slechts een deel van de regels van de deelrechtsorde. De overige regels worden door middel van rechtshandelingen van private partijen in het leven geroepen. Het gaat dan om regels die zijn vastgelegd in overeenkomsten, statuten, reglementen en besluiten. In deze paragraaf komt ter sprake in hoeverre dergelijke regels richtlijnconform dienen te worden uitgelegd.
Overeenkomsten hoeven in beginsel niet richtlijnconform te worden uitgelegd.1 De partijen die deze overeenkomst sluiten zijn immers niet gebonden om EU-richtlijnen te implementeren. Uiteraard kan de in de overeenkomst geregelde rechtsverhouding wel worden beïnvloed door (dwingendrechtelijke) regels die de overheid moet invoeren op grond van een richtlijn. Een bekend voorbeeld is dat arbeidsovereenkomsten kunnen worden beïnvloed door EU-regels ten aanzien van de gelijke beloning van mannen en vrouwen.2
Ik ben niet bekend met rechtspraak ten aanzien van de vraag of statuten, reglementen en/of besluiten richtlijnconform dienen te worden uitgelegd.3 Mijns inziens geldt hier echter hetzelfde als voor overeenkomsten. De partijen die statuten, reglementen en/of besluiten bepalen zijn immers evenmin gehouden om EU-richtlijnen te implementeren.
Het bovenstaande betekent niet dat de EU-richtlijnen op het gebied van rechtspersonenrecht geheel zonder betekenis zijn voor aandeelhoudersovereenkomsten, statuten, reglementen en besluiten. Ik noem drie voorbeelden.
Ten eerste kan zo’n EU-richtlijn een rol spelen bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een overeenkomst. Een overeenkomst waarmee wordt beoogd om nationale wetgeving te ontduiken, kan namelijk nietig zijn wegens strijdigheid met de openbare orde en/of goede zeden (art. 3:40lid 2 BW.). Dat geldt dus ook voor het ontduiken van nationale wetgeving die op last van een EU-richtlijn is ingevoerd, of reeds had moeten zijn worden ingevoerd.4 In dat geval zal art. 3:40 lid 2 BW richtlijnconform moeten worden toegepast. Dat kan onder meer daarin tot uiting komen, dat bij de toepassing van art. 3:40 lid 2 BW dient te worden meegewogen of sprake is van een inbreuk op een fundamenteel beginsel en welke belangen door de geschonden regel worden beschermd.5
Ten tweede kunnen EU-richtlijnen op het gebied van rechtspersonenrecht indirect van invloed zijn op de uitleg van statutaire bepalingen. Het komt immers geregeld voor dat wettelijk bepalingen (één op één) worden overgenomen in statuten. Indien de desbetreffende wettelijke bepaling afkomstig is uit een EU-richtlijn ligt het voor de hand om de desbetreffende statutaire bepaling richtlijnconform uit te leggen.
Ten derde is voorstelbaar dat een statutaire bepaling op twee manieren kan worden geïnterpreteerd en dat één van deze interpretaties de desbetreffende statutaire bepaling strijdig zou maken mat een wettelijke bepaling die richtlijnconform dient te worden uitgelegd en dat dit zich niet voordoet als voor de andere interpretatie wordt gekozen.6 De eerste interpretatie zou dan leiden tot een nietige statutaire bepaling,7 terwijl de desbetreffende bepaling geldig zou zijn in geval van de tweede interpretatie. De rechter zou er dan voor kunnen kiezen om deze bepaling zo uit te leggen dat deze bepaling in overeenstemming is met het EU-recht en dus niet nietig. Dat zou (kunnen) aansluiten bij de in het algemene vermogensrecht geldende regel dat nietige rechtshandelingen worden geconverteerd in rechtsgeldige rechtshandelingen, indien de strekking van beide rechtshandelingen aan elkaar beantwoorden en aangenomen kan worden dat voor de rechtsgeldige rechtshandeling zou zijn gekozen, indien de verrichters zich bewust waren van de nietigheidsgrond.8