De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.2.4:7.2.4 Richtlijnconforme uitleg van onverplicht geharmoniseerd BV-recht
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.2.4
7.2.4 Richtlijnconforme uitleg van onverplicht geharmoniseerd BV-recht
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372103:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Vossestein 2014-B, par. 2.
Zie Vossestein 2014-B, par. 2.
Een voorbeeld daarvan vormt het Favini-arrest, waarin de Hoge Raad tot een richtlijnconform oordeel komt ten aanzien van de juridische splitsing van een BV. HR 20 december 2013, NJ 2014/222 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/66 m.nt. Van Eck (Favini).
HR 25 februari 2011. In ARO 2011/41 is ook het op een EU-richtlijn gebaseerde cassatiemiddel te lezen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Par. 7.2.1 beschreef aan welke eisen het EU-recht stelt aan de interpretatie van wettelijke bepalingen die op grond van een EU-richtlijn moesten worden inge-voerd. Deze regels gelden niet voor de interpretatie van gelijkluidende regels die onverplicht zijn ingevoerd.1 In dit onderzoek gaat het om de situatie dat voor de NV bepaalde regels moesten worden ingevoerd en de wetgever deze onverplicht tevens heeft ingevoerd door de BV.
Het EU-recht verplicht Nederland niet om dergelijke BV-bepalingen richtlijnconform uit te leggen.2 Het is dus denkbaar dat de desbetreffende NV- en BV-bepalingen verschillend worden uitgelegd, hoewel ze op een tekstueel niveau identiek zijn.
Er valt veel voor te zeggen om dat niet te doen.3 Als de wetgever er voor kiest om identieke bepalingen in te voeren voor de NV en BV, ligt het voor de hand om deze op dezelfde manier uit te leggen. Dat bevordert ook de rechtseenheid en rechtszekerheid. Dat zijn echter niet de enige factoren die een rol (kunnen) spelen bij het kiezen van een interpretatie. Vanuit billijkheidsoverwegingen kan een ander interpretatie de voorkeur verdienen. Daarbij is van belang dat er een discrepantie kan bestaan tussen wat in een EU-context en in een puur Nederlandse context gezien wordt als een billijke uitkomst. In par. 7.4.2 wordt dat uitgewerkt. Dit betekent dat in voorkomende gevallen bij de interpretatie van het BV-recht een keus moet worden gemaakt tussen enerzijds de billijkheid en anderzijds de rechtseenheid en rechtszekerheid.
Dat lijkt bijvoorbeeld het geval te zijn als het gaat om de noodzaakfinancieringsjurisprudentie. In par. 7.6.2.1 wordt uitgewerkt dat het sterk de vraag is of deze met betrekking tot de BV ontwikkelde jurisprudentie ook toepasbaar is op de NV. In zijn Inter Acces-beschikking4 ging de Hoge Raad niet in op het betoog dat de ondernemingskamer desbetreffende BV bepalingen ten onrechte niet richtlijnconform had uitgelegd. Kennelijk hoefde dat dus niet volgens de Hoge Raad. Daarbij past echter de kanttekening dat de wetgever er reeds voor koos om op de desbetreffende punten het NV- en BV-recht niet volledig te harmoniseren.
De hierboven genoemde keus tussen enerzijds de billijkheid en anderzijds de rechtseenheid en rechtszekerheid hoeft niet te worden gemaakt, als het NV- recht kan worden geïnterpreteerd op een wijze die overeenstemt met wat in Nederland als een billijkheid uitkomst moet worden gezien. In par. 7.4 zal echter ter sprake komen dat het EU-recht zich lastig ondergeschikt laat maken aan puur Nederlandse gedachten omtrent billijkheid.