Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.3.4.3
2.3.4.3 De (nieuwe) Modelverordening nadeelcompensatie
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702106:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De brief, alsmede de tekst van de nieuwe modelverordening zijn te raadplegen via: https://vng.nl/brieven/vng-model-verordening-nadeelcompensatie-nieuw.
Gelet op het overgangsrecht kunnen die echter nog wel relevant blijven.
Zie daarvoor Bijlage 1 § 3.3 bij de ledenbrief.
Dat zal mijns inziens overigens verschillen van gemeente tot gemeente. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om regionaal expertise te bundelen in bijvoorbeeld een regionale adviesorganisatie.
Bijlage 1 § 3.3 bij de ledenbrief.
Model Verordening nadeelcompensatie, toelichting bij artikel 4.
Nadrukkelijk daarover: Kamerstukken II 2018/19, 35256, 3, p. 32-33.
Net zoals de VNG direct met een model-procedureverordening kwam bij de toenmalige invoering van het Bro, is de VNG opnieuw snel in actie gekomen. In haar ledenbrief d.d. 26 mei 2021 geeft zij zich rekenschap van de aanstaande inwerkingtreding van het nieuwe systeem en geeft zij uitleg over hoe gemeenten daarmee om kunnen gaan. 1
Allereerst kunnen de oude procedureverordeningen planschade worden ingetrokken. 2De nieuwe modelverordening komt daarvoor in de plaats. De nieuwe modelverordening is niet alleen bedoeld voor planschade (of zuiverder: omgevingsrechtelijke nadeelcompensatie), maar ook voor andere vormen van nadeelcompensatie. Gelet op die brede reikwijdte raadt de VNG gemeenten aan de verordening niet op te nemen in het omgevingsplan. 3Anders dan in het oude systeem, is het op grond van titel 4.5 Awb jo. afdeling 15.1 Omgevingswet niet langer verplicht om een verordening vast te stellen. 4De vaststelling van een procedureverordening is voortaan dus facultatief van aard.
De inschakeling van een adviseur voorafgaand aan het nemen van een beslissing over nadeelcompensatie is ex afdeling 15.1 Omgevingswet jo. titel 4.5 Awb niet langer de hoofdregel. Dat stelde ik eerder al vast. Gevolg daarvan is dat ook de nieuwe modelverordening niet meer uitgaat van de verplichte inschakeling van deskundigen. Hoofdregel van de nieuwe verordening is dat alleen externe deskundigheid wordt ingewonnen voor zover dat naar het oordeel van het betrokken bestuursorgaan noodzakelijk is (art. 4 lid 1 modelverordening). Daarbij geldt het uitgangspunt dat binnen het ambtelijke apparaat van de gemeente voldoende deskundigheid aanwezig is om aanvragen zelf te kunnen beoordelen. 5De reden waarom de VNG meent dat bestuursorganen de meeste aanvragen voortaan zelf kunnen afdoen, is dat het nieuwe systeem niet langer werkt met planmaximalisatie. Er is in die zin minder specifieke deskundigheid vereist. De aanvraag kan overigens ook zonder externe adviseur worden afgedaan indien de aanvraag kennelijk ongegrond is, de schade niet aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend, de aanvraag gelijkenis vertoont met aanvragen waarover al eerder advies is uitgebracht of de schade beneden de bagateldrempel blijft (zie voor deze uitzonderingen art. 4 lid 2 modelverordening). Het ligt ook niet langer voor de hand – zo stelt de VNG – dat de adviseur een integraal advies uitbrengt. Het verdient daarentegen aanbeveling om de adviseur uitsluitend te betrekken op de onderdelen waarvoor het ambtelijk apparaat deskundigheid mist. 6
De nieuwe modelverordening knoopt wat betreft de te hanteren termijnen aan bij art. 4:130 lid 1 en 2 Awb. Dat wil zeggen dat de beslistermijn zes maanden bedraagt indien er een adviseur is ingeschakeld. Die termijn kan eenmalig met eenzelfde tijdsperiode worden verlengd. De nieuwe verordening bevat twee opties voor het benoemen van de adviseur (art. 4 lid 4 modelverordening). In de eerste plaats is het mogelijk om voor de duur van vier jaar een vaste adviseur (waaronder ik begrijp adviescommissie) te benoemen. In de tweede plaats is het mogelijk om te werken met ad hoc benoemingen. Dat verschilt dus niet wezenlijk van de oude manieren van benoeming. De werkwijze waarin de adviseur alvorens de benoeming aan partijen wordt voorgehangen, keert in de nieuwe modelverordening niet terug. Dat geldt evenmin voor de daaraan gekoppelde wrakingsregeling. Wel geldt nog steeds dat de adviseur niet betrokken mag zijn geweest bij de schadeveroorzakende gebeurtenis waarop de aanvraag betrekking heeft. Die eis is evenwel niet langer te vinden in een apart artikel, maar blijkt uit de toelichting bij de verordening. 7Evenmin zijn nog expliciet geregeld: de situatie waarin de adviseur zelf extra deskundigheid wil inschakelen, de mogelijkheid van het opvragen van een disclosure statement en de te volgen werkwijze (plaatsopneming, hoorzitting en conceptrapportprocedure). Al met al dus een behoorlijke reductie van de regels omtrent deskundigen in de modelverordening. Het staat gemeenten natuurlijk vrij om voor een andere, meer specifieke invulling van de verordening te kiezen, zolang die verordening maar niet in strijd is met titel 4.5 Awb of die titel op onaanvaardbare wijze doorkruist. 8