Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.4.a
5.4.a Vrijheid tot toelating
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605894:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hiervan zou weigeringsvrijheid kunnen worden onderscheiden. Daarvan is sprake indien de beroepsrechter de vrijheid heeft de toegang tot beroep te weigeren als de insteller van het beroep wél aan de aan hem gerichte toegangsvoorwaarden heeft voldaan. Illustratief hiervoor is het US Supreme Court. Indien de insteller van een certiorariberoep keurig op tijd, in de juiste vorm en conform alle overige toegangseisen zijn beroep indient, kan het Supreme Court alsnog zeer vrij beslissen het beroep niet in behandeling te nemen, zie paragraaf 2.2b.
HR 7 juli 2009, NJ 2009/403; HR 2 februari 2010, NJ 2010/88.
HR 28 juni 2011, NJ 2013/531, m.nt. Mevis; zie ten aanzien van art. 416 lid 3 Sv reeds HR 7 juli 2009, NJ 2009/403; HR 2 februari 2010, NJ 2010/88; en ook HR 29 november 2011, NJ 2011/583; HR 29 mei 2012, NJ 2012/353.
Zie bijv. HR 12 januari 2016, NJ 2016/175, m.nt. Mevis; HR 9 februari 2016, ECLI:205.
HR 27 september 2011, NJ 2011/456; HR 25 juni 2013, ECLI:15.
HR 11 oktober 2011, NJ 2011/485; HR 3 maart 2015, NJ 2015/150.
HR 26 april 2016, NJ 2016/251, m.nt. Kooijmans.
Vgl. over de strafoplegging Van Dorst 2015, p. 310; Kortenhorst 1990, p. 172-175.
Aldus Van Woensel 2007, p. 22-23.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 13, 36; 51, zie bijv. ook p. 39 en 45 voor ‘kunnen’ en veelvuldig gebruik van de wettelijke term ‘kan’.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 6, p. 4; Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 39 (verwachting dat “in de regel” niet-ontvankelijk wordt verklaard); Kamerstukken II 2005/ 06, 30320, nr. 3, p. 51 (enkel ontvankelijkverklaring indien zulks “noodzakelijk” wordt geacht; de verwijzing naar de intrekking van bezwaren in deze passage lijkt mij een slip of the pen).
De tekst van de wet beperkt de beleidsvrijheid van artikel 416 lid 2 en 3 Sv al in een belangrijk opzicht. De appelrechter heeft namelijk enkel de vrijheid het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren indien niet aan de eisen van artikel 416 Sv is voldaan. Alleen als niet op geldige wijze bezwaren worden opgegeven of de opgegeven bezwaren worden teruggetrokken, ontstaat voor de appelrechter de discretionaire ruimte om het beroep toch toe te laten. Dit kan toelatingsvrijheid worden genoemd.1 De vrijheid van artikel 416 Sv is anders geformuleerd een vrijheid die zich alleen in bepaalde gevallen voordoet. Door tijdig bezwaren te formuleren kan de insteller van het beroep de toepasselijkheid van de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv als het ware ondermijnen of frustreren.
Van Woensel merkt in dit verband op: “elke verdachte – of zijn raadsman – is in staat mondeling bezwaren tegen het vonnis a quo te formuleren. De bepaling [art. 416 lid 2 Sv, GP] kan zijn betekenis dus slechts ontlenen aan de gevallen dat verdachte noch raadsman in hoger beroep verschijnt.”2 Omdat nogal lage eisen aan de grieven zelf worden gesteld, zoals hiervoor bleek, zal de beleidsvrijheid van artikel 416 lid 2 Sv inderdaad alleen opgeld doen als de verdediging geen schriftuur heeft ingediend (dan wel de bezwaren heeft teruggetrokken) en niet op de zitting verschijnt. Het openbaar ministerie kan om twee redenen gemakkelijker met de toelatingsvrijheid van artikel 416 lid 3 Sv worden geconfronteerd. Ten eerste kan het openbaar ministerie niet aan de grievenplicht voldoen door eerst op de zitting grieven te formuleren, het moet reeds bij schriftuur schriftelijk zijn grieven bekend maken. Daar komt ten tweede bij dat als schriftuur in de zin van artikel 416 lid 3 Sv alleen een tijdig ingediende schriftuur wordt gerekend.3
Binnen het aldus beperkte toepassingsbereik van artikel 416 Sv is de vrijheid van de appelrechter om toegang tot hoger beroep te verlenen op het eerste gezicht onbegrensd. Om te beginnen is het toezicht van de Hoge Raad op het gebruik van de beleidsvrijheid uit artikel 416 zeer terughoudend. Volgens vaste formulering van de cassatierechter is “de toepassing van art. 416 Sv in hoge mate afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, hetgeen meebrengt dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Dat betekent dat de feitenrechter een grote vrijheid heeft in zijn beslissing terzake en dat zeker aan de motivering van de afwijzing van een verzoek tot toepassing van art. 416 Sv geen zware eisen kunnen worden gesteld.”4 De Hoge Raad bewaart hiermee in algemene bewoordingen afstand tot de appelrechter. De gepubliceerde cassatierechtspraak bevat weliswaar diverse zaken waarin de Hoge Raad de toepassing van artikel 416 Sv onjuist acht, bijvoorbeeld omdat een verkeerde termijn is gebruikt of bezwaren ten onrechte niet voor grieven in de zin van de wet zijn aangezien,5 maar als ik het goed zie is nog nooit een hof-arrest vernietigd wegens onbegrijpelijke invulling van de beleidsvrijheid. Zowel ontvankelijkverklaring als niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep zijn tot nog toe door de Hoge Raad in stand gelaten – indien aan alle eisen van de artikelen 410 en 416 Sv is voldaan.
Enkele specifieke overwegingen van de Hoge Raad bevestigen dit beeld. Zo staat het de hoven vrij artikel 416 (tweede lid) Sv niet toe te passen omdat niet uitgesloten wordt dat het hof ten aanzien van de verdachte tot een andere beslissing dan de rechtbank zal komen.6 Anderzijds hoeft een hof niet in zijn afweging te betrekken of de verdachte wel daadwerkelijk is voorzien van een grievenformulier, zoals de hoven onderling hebben afgesproken. Of zo’n formulier is verstrekt, mág in de afweging wel een rol spelen, maar dat hoeft niet.7 Verder staat de omstandigheid dat de redelijke termijn in hoger beroep kan zijn overschreden niet eraan in de weg dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.8 De Hoge Raad blijkt dus zeer gereserveerd in het toezicht op de beleidsvrijheid die artikel 416 Sv aan de appelrechter laat.
Nu hangt de terughoudendheid van de Hoge Raad ten aanzien van deze vrije toegangsvoorwaarde wellicht samen met zijn algemene terughoudendheid ten aanzien van de toetsing in cassatie van beslissingen met een feitelijke of beleidscomponent9 – behoudens in gevallen waarin de beleidsvrijheid in de rechtspraak is ingevuld.10 Een richtinggevend arrest over toepassing van artikel 416 Sv is niet gewezen. Relevant is daarom niet zozeer hoe de Hoge Raad in cassatie de toepassing van artikel 416 Sv beoordeelt, maar vooral hoe de hoven zelf deze bepaling kunnen of moeten toepassen.
De wetsgeschiedenis biedt voor dit vraagstuk nauwelijks handvatten.11 Iets preciezer: de wetsgeschiedenis bevat in zoverre een handvat dat zij geheel aan de hoven zelf overlaat hoe zij de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv invullen. Ter toelichting overwoog de minister enkel in algemene bewoordingen dat “het belang van het appèl […], ook maatschappelijk bezien, van groter belang [kan] zijn” dan scherpe afstraffing van de grievenplicht.12 Op verschillende andere plaatsen wordt gesproken van de “mogelijkheid” tot, of de “ruimte” voor ontvankelijkverklaring van het beroep indien geen grieven zijn opgegeven. 13Voor de invulling van die ruimte reikt de wetsgeschiedenis geen maatstaven of gezichtspunten aan. Enkele keren wordt er weliswaar op aangedrongen dat de appelrechter zijn bevoegdheid om zonder grieven tot behandeling van de zaak over te gaan “met beleid” moet gebruiken, maar meer dan een algemene oproep tot terughoudendheid houdt dat niet in.14 Al deze passages uit de toelichting sluiten bovendien ook aan bij de rode draad door de Wet stroomlijnen hoger beroep, namelijk de concentratie van de behandeling van het appel op geschilpunten.15 Als geen bezwaren tegen de bestreden uitspraak zijn opgegeven, kan daarop immers de behandeling ter zitting niet worden gefocust.