Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/4.1:4.1 Inleiding
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS589736:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 1, noot 1.
Bijvoorbeeld argumenten over de wijze waarop het concern gefinancierd is en de invloed die dit heeft op het vaststellen van de draagplicht, zie Van der Grinten 1987 en Struycken & Keukens 2017.
Zoals de beddingtheorie van Ophof. Ophof, NJB 1983, p. 1192-1194, p. 1194.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit hoofdstuk gaat over de draagplichtproblematiek. Dit betreft de problematiek aangaande het vaststellen of een hoofdelijke concernvennootschap draagplichtig is enerzijds en het bepalen van de omvang van haar draagplicht anderzijds. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het wetenschappelijk debat over draagplicht bij concernfinanciering, de verschillende posities die daarin worden betrokken en de rol die de visie op het concern hierbij speelt. Ook wordt een nieuwe methode voor het vaststellen van de interne draagplicht geïntroduceerd. Verder fungeert het thema draagplichtproblematiek als een kapstok om zaken te bespreken die met dit onderwerp samenhangen. Zodoende komen in dit hoofdstuk eveneens aan bod:
de transparantie van de moedervennootschap bij kredietverlening;
het systeem van de gescheiden circuits en de omslag in concernverband;
het indirect profijt;
de rangorde bij draagplicht; en
het ijkmoment ter vaststelling van de draagplicht.
Deze onderwerpen worden afwisselend in de lopende tekst geadresseerd en/of zelfstandig behandeld.
In § 4.2 en 4.3 wordt ingegaan op de deconfiture van het Ogem-concern en de sterfhuisconstructie in relatie tot draagplichtvraagstukken. In § 4.4, 4.5, 4.6 en 4.8 komen de geconsolideerde benadering en de enkelvoudige benadering van draagplichtproblematiek aan bod alsmede de arresten Rivier de Lek/Van de Wetering en Janssen q.q./JVS. In § 4.7, 4.9 en 4.10 worden indachtig het debat het solidariteitsbeginsel en het profijtbeginsel toegelicht. De betekenis van deze beginselen voor het ontwikkelen van inzichten voor het bepalen van de draagplicht wordt in deze paragrafen ook behandeld. In § 4.11 wordt het ijkmoment voor het vaststellen van de draagplicht besproken. In § 4.12 wordt een voorstel uiteengezet voor een draagplichtformule. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een conclusie in § 4.13.
Het draagplichtdebat
Het debat inzake draagplicht bij concernfinanciering woedt al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw en heeft vele publicaties opgeleverd.1 De hoeveelheid publicaties en de tijdspanne waarover dit debat zich uitstrekt, getuigen van de weerbarstigheid van de materie. Het debat kenmerkt zich door enige mate van herhaling: zo komen argumenten en stellingen die bij aanvang van het debat zijn gebruikt in meer of mindere mate terug in de recentere discussie.2 Daarnaast heeft het debat een aantal ‘oplossingen’ voortgebracht die het uiteindelijk niet hebben gehaald en in de huidige discussie geen noemenswaardige rol spelen.3 Hiermee wordt niet gesteld dat het debat louter een herhaling van zetten is. Evenmin wordt ontkend dat de soms creatieve oplossingen voor de gedachtevorming van betekenis zijn geweest. Wel vormen deze constateringen een rechtvaardiging voor de in dit hoofdstuk dikwijls gekozen thematische benadering van de draagplichtproblematiek. Met een thematische benadering worden doublures voorkomen die zouden ontstaan als gevolg van een strikt chronologische aanpak.
Desalniettemin wordt de chronologie niet volledig veronachtzaamd om zodoende een adequate beschrijving te geven van de ontwikkeling van het recht en het draagplichtdebat. Als startpunt van het debat is gekozen voor de periode begin jaren tachtig van de twintigste eeuw. In deze tijd verschenen naar aanleiding van de Ogem-affaire de eerste artikelen inzake regresvraagstukken binnen concernverband. Niet toevallig valt het startpunt van de discussie samen met het voor de eerste maal toepassen van de sterfhuisconstructie. Juist in deze constructie zijn de knelpunten van het regresrecht binnen concernverband duidelijk geworden. Het voorlopig eindpunt van de discussie vormt de Janssen q.q./JVS-uitspraak en de als gevolg van deze uitspraak verschenen literatuur.