Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/IV.1
IV.1 De Gravamina van de Germaanse Natie
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS385360:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
VI.3.4.2 Licet ecclesiarum.
Deutsche RTA, Jüngere Reihe, II, Göttingen 19622, 707, lijn 32.
Deutsche RTA, Jüngere Reihe, II, Göttingen 19622,Document 97, 704-718, vooral 706, lijn 9. Wij verschillen van mening met de uitgever, die denkt aan het Concilie van Lateranen V (1512-1517) met betrekking tot de ‘statuta des Lateranischen concilii’. Zie daarom J. Mansi, Sacrorum conciliorum nova et amplissima collectio, Graz 19612, 22, col. 212 en 222, nr. 8, maar vooral X.3.8.2 Nulla ecclesiastica. Zie nu: COGD, II, 1, 133, l. 145-159.
E. Wolgast, Gravamina nationis germanicae, in: TRE 14 (1985) 131-134. Zie ook: A. Wrede, Deutsche RTA unter Karl V., Jüngere Reihe, III, Göttingen 19632, 645-688: Die Beschwerden deutscher Nation.
Voor de Nederlanden: IV.3.2. Voor het Heilige Roomse Rijk: B. Gebhardt, Die Gravamina der deutschen Nation gegen den römischen Hof. Ein Beitrag zur Vorgeschichte der Reformation, Breslau 1884, 70-72.
Zie voor het bisdom Luik: J. Paquier, Jérôme Aléandre de sa naissance à la fin de son séjour à Brindes (1480-1529), Paris 1900, 246-250, chapitre XV: Les Centum Gravamina (19 février- 21 mai 1521).
Voor de verhouding van de ‘centum gravamina’ van Worms tot die van Nürnberg, zie: B. Gebhardt, ibidem, 114-119. Zie ook 108.
A. Wrede, Deutsche RTA unter Kaiser Karl V., Jüngere Reihe, III, Göttingen 19632, 653-654, nr. 9.
CT, IX, 768, l. 8 regressus ‘veluti haereditaria successio sacris constitutionibus odiosa et patrum decisis contraria’.
A. Wrede, Deutsche RTA, Jüngere Reihe, III, 656-658, nr. 14.
A. Wrede, Deutsche RTA, Jüngere Reihe, II, 710, lijn 18.
P. Caron, La rinuncia all’ufficio ecclesiastico nella storia del diritto canonico dalla età apostolica alla riforma cattolica, Milano 1946, 340.
P. Caron, La rinuncia, 353-354.
A. Wrede, Deutsche RTA unter Kaiser Karl V., Jüngere Reihe, Göttingen 19632, III, 661-662, nr. 20.
A. Wrede, ibidem, 687-688, nr. 74.
J. Joosting, De begrenzing der wereldlijke en kerkelijke rechtspraken tegenover elkander, ’s- Gravenhage 1910, Werken OVR, reeks 2, 11, III, 523-530.
1 Tim. 6.10. In ROPB, II, 3, 73 zijn ‘ambition’ en ‘avarice’ verenigd.
Sinds paus Clemens IV in het kapittel ‘Licet ecclesiarum’ verklaarde dat de totale verlening van kerken, personaten, waardigheden en andere kerkelijke beneficies aan de Romeinse bisschop behoorde, zowel in het geval van openstaande beneficies als van diegene, die nog moesten vacant worden, reserveerde hij in 1265 voor zich de collatie van beneficia, die in de Curie vacant werden. Bonifacius VIII nam dit kapittel op in zijn Liber Sextus.1 Vanaf die tijd werd de paus de heer van de beneficies genoemd. In de periode van de Reformatie werd dit artikel ‘ain lauter tyrannei’ genoemd.2
In het kader van de opstelling van de ‘Centum gravamina’ werd in 53 artikelen uiteengezet, hoe de paus de druk op de bisschoppen had opgevoerd en hoe hij daardoor het geld meer in de richting van Rome stuurde. Deze operatie begon al onder Alexander III, wanneer in het Concilie van Lateranen III over het devolutierecht werd gesproken. Daarin werd bepaald dat een procedure, die niet tijdig door een eerdere rechter was beëindigd, automatisch naar de hogere rechter zou worden overgeheveld. Aan het einde van deze instanties stond de paus.3
De ‘Gravamina Nationis Germanicae’ vormen een onderdeel van de inspanningen om de kerk en het Heilige Roomse Rijk te hervormen vanaf het midden van de vijftiende eeuw. Vanaf 1447 regelden de vorstenconcordaten het aandeel van de paus bij de verlening van de prebenden en bij de aanstelling van de kerkelijke ambten. Tegen de wil van de hogere clerus werd toen het Concordaat van Wenen (1448) gesloten.
In de zestiende eeuw werden de klachten van het Heilige Roomse Rijk opgenomen in het beleid van buitenlandse zaken. De paus en de Curie waren kop van Jut. Met de komst van Luther werd de lijst van de klachten ook vermengd met de reformatorische beweging. Het kerkelijk bestuur, de kerkelijke belasting en het kerkelijk proces lagen onder vuur, omdat men in elk Europees land vond dat er te veel geld naar Rome werd gesluisd.4
In het Heilige Roomse Rijk bestonden vele overzichten van misbruiken, die in het kader van het beneficiewezen niet door de beugel konden. In de Nederlanden waren er varianten van een soortgelijke optekening. Ter vergelijking zal in een volgend hoofdstuk (IV.3.2) voor het eerst een document met zeventien bezwaren van de centrale regering te Brussel voorgesteld worden: ‘Sequuntur articuli’. In 1523-1524 hoopte Margareta van Oostenrijk dat de paus de Nederlanden nog te hulp kon snellen met een aantal oplossingen.5
Eén lijst in het Heilige Roomse Rijk sprak over ‘centum gravamina’6 Beperking is dus de boodschap. Hieronder komt alleen aan bod, wat betrekking heeft op het beneficiewezen, op de meest hatelijke verschijningsvormen ervan en op de jurisdictiepraktijken, die het ergst onder de loep werden genomen. Ziehier de registratie van februari 1523 te Nürnberg.7 In één artikel werd gevraagd om het patronaatsrecht van leken of van geestelijken te respecteren. Wanneer een prebende of geestelijke bediening door overlijden van een kanunnik vrij kwam, gebeurde het dat de paus of zijn legaten dit recht derogeerden en de prebenden aan ‘curtisani’ of andere bevriende personen doorspeelden. Zo verloren de geestelijke en wereldlijke patronen hun presentatierecht en kwam het preventierecht in de plaats. De Standen van het Heilige Roomse Rijk vroegen dit misbruik ongedaan te maken.8
Er was ook een bezwaar tegen de geestelijke gebeneficieerden en tegen de prebenden zelf. Het voordeel van het hierna volgende uit het Latijn vertaalde citaat bestaat erin dat een reeks technische termen aan bod komt, die de waaier van problemen en schadeposten in andere sectoren van het beneficiewezen uitbreidt en die duidelijk maakt dat het probleem ruimer was dan in enkele paragrafen is aan te geven. ‘Er zijn ook tot dusver niet alleen te Rome veel graties gegeven. Opgesomd werden reservaties in het hart, in de geest, algemene en speciale, regressus,9 accessus, incorporaties, uniones en concordaten of hoe ze ook genoemd waren. Om geld en om tijdelijk gewin werden deze voordelen in de Duitse landen gegeven aan prelaten, pastoors en prebendarii.’10
Bij de ‘reservationes* pectorales et mentales’ werd gesuggereerd dat de paus zonder verantwoording te geven en naar eigen genoegen beneficies verleende. Deze vorm van reservatie was volgens Luis Gomez een recente uitbreiding van de paus om inbreuk te plegen op het beneficiewezen. In het canonieke recht was daarover geen regelgeving. In het Heilige Roomse Rijk wilde men een halt toeroepen tegenover de hebzucht van de Curie, zoals bij de ‘reservatio mentalis’11. Vanuit het hart en de geest kon de paus, zoals iedere mens, ook simonie bedrijven. Op dit terrein werd het onderscheid gemaakt tussen echte of conventionele simonie. In dit laatste geval verloor de zondaar rechtens al zijn beneficies. Indien men mentale simonie bedreef, kon de zondaar zich vrijmaken met een penitentie, maar het was God, die de gesteldheid van de zondaar echt evalueerde. In elk geval kon de paus zich op glad ijs bevinden.
Met de regressus, accessus en ingressus werd naar een ander misbruik verwezen. In een tijd, waarin het tijdelijk belang meer op het voorplan kwam bij het beneficiewezen en waar de paus geneigd was om daaraan toe te geven, probeerde de geestelijke bij de afstand van zijn beneficie (renuntiatio) toch nog een graantje mee te pikken, zonder dat hij zich verder om het zieleheil moest bekommeren. Een geestelijke kon afstand doen van zijn beneficie, maar op termijn wilde hij datzelfde beneficie weer terugkrijgen onder bepaalde (geldelijke) voorwaarden (reservatio regressus*). Vooraleer een clericus, aan wie een beneficie bijna was verleend, dat beneficie in bezit nam, deed hij afstand van dat recht, onder voorwaarde het toch in bezit te krijgen na het vervullen van bepaalde omstandigheden (reservatio ingressus). Een geestelijke met een recht op een bepaald beneficie, dat nog niet was overgedragen, deed afstand van dat recht, maar hij reserveerde voor zich de mogelijkheid om het later te ontvangen in bepaalde gevallen (reservatio accessus).12 Hier werd de schijn van erfelijke opvolging nauwelijks verborgen.
Omwille van ouderdom of om de wisseling van een beneficie met een collega werden bij de renuntiatio soms de vruchten van het beneficie gereserveerd. Dat gebeurde vooral onder Leo X, zoals dat nog na te gaan is in de registers van deze paus. Het is een periode van grote uiterlijke praal en ook een tijd van laksheid, die aanleunde bij misbruik en simonie. De graaizucht (‘cupiditas’ en ‘ambitio’) bleef een ongeoorloofd motief. Kon je een pensioen reserveren, wanneer men afstand deed van het kerkelijk beneficie?13
Overigens kwamen onder de ‘Gravamina’ alle misbruiken aan bod, die ook in de Nederlanden de kop opstaken. Gezien het accute gevaar was het probleem van de Turken meer prominent aanwezig in het Heilige Roomse Rijk.14 Verder waren er problemen van jurisdictie, tienden, huwelijksrecht, woeker, het aantal feestdagen, gerechtskosten en problemen in verband met de armoede en ziekte, zeker indien van de armen geld werd gevraagd voor spirituele zaken (simonie). In het laatste bezwaar zag men af van een verdere opsomming om de lijst niet te rekken.15
Aangezien het bisdom Utrecht een suffragaanbisdom van het aartsbisdom Keulen was, kan het nauwelijks verwondering wekken dat kerkelijke instanties zich van hun kant kritisch opstelden tegenover wereldlijke vorsten. Een ongedateerde lijst bevatte niet minder dan 111 klachten, die uit zeer diverse hoeken kwamen. Kerkelijke rechtspraak, immuniteit, vervreemde inkomsten en echte misbruiken maakten er deel van uit, maar het indult was er niet bij. Onder de schending van de kerkelijke rechtspraak klaagde men over het feit dat de wereldlijke macht zelfs de kerkelijke rechtbank niet erkende over het recht op een kerkelijke titel. Er waren schendingen van de immuniteit, waarbij de verstoring van de vrije verkiezing van prelaten en de keuze van onbekwame kandidaten aan de orde kwamen. Uiteindelijk kwamen regelrechte misbruiken, waaruit we bij wijze van voorbeeld de uitoefening van regalia door kleine vorsten lichten. Hierna volgt inderdaad een voorbeeld van Karel van Egmond, die Joannes Arnoldi (Gross, 2351) aanstelde op basis van het ‘ius Precum Primariarum’. Toch hoeft dit voorbeeld niet het misbruik zijn, waarop men doelde, omdat het een tiental jaar later gebeurde.16
Met het oog op de hervorming van de kerk in de staat bleek één van de meest geciteerde kwalen de hebzucht te zijn. ‘Ambitio’, ‘cupiditas’ en ‘avaritia’ benaderden de kern van de problemen, die aan de basis lagen van de scheiding van de christenheid.17 De hervorming in hoofd en leden verwees steeds weer naar Rome als de plaats, waar men verwachtte dat de heropstanding zou komen. Maar onder de renaissancepausen was het nog te vroeg om soortgelijke initiatieven te verwachten. De uitdrukking ‘Te Rome is alles te koop voor geld’ bleek toen slechts een deel van de waarheid te dekken. Om hun Pauselijke Staten te laten beschermen hadden de pausen de hulp van de wereldlijke arm nodig. In die zin hadden de pausen het geld én de arm van de krachtigste wereldlijke vorst nodig, terwijl de katholieke vorst op zijn beurt van de paus geldelijke steun vroeg voor zijn militaire tussenkomsten. Pausen hadden voor het wereldlijke doel te veel over, zodat het Woord van God in de praktijk slechts gedeeltelijk tot zijn recht kwam.