Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/IV.6
IV.6 De eerste Jezuïeten
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS386573:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
P. Balan, Monumenta reformationis lutheranae ex tabulariis secretioribus S. Sedis, 1521-1525, Regensburg 1884, 33 ’essendo li Lutherani destruttori di ogni sorta di benefitii ecclesiaastici’.
1 Kor. 4.1.
J. O’Malley, The First Jesuits, Cambridge (Mass.), 19944, 323. Zie ook 271. Vergelijk met Lc. 16,19-22.
F. Gaude, Bullarum…Taurinensis editio, VI, XXXIII, 303-306. Zie ook 422-427: Exposcit debitum: de tweede goedkeuring in 1550. Zowel paus Alessandro Farnese (Paulus III) als zijn vice-kanselier, Alessandro Farnese, waren vurige supporters van de orde. De vice-kanselier en zijn neef Odoardo, zoon van Alessandro Farnese, hertog van Parma, zorgden ook in belangrijke mate voor de bouw van de Gesù-kerk in Rome.
J. O’Malley, The First Jesuits, 73-74. Zie ook: E. Boëthius, Heroicarum et ecclesiasticarum quaestionum libri VI, Duaci 1588, I, 165, nr. 266.
Karel V (en ook andere vorsten) werd door de paus aangesproken als atleet van de kerk (Ecclesiae legitimus pugil et athleta) in het indult: Digna consideratione fidelitatis 18-11-1530. Hij werd ook afgebeeld als ‘miles christianus’ na de slag bij Mühlberg. Zie verder hoe ook Filips de Goede deze titel al kreeg: R. Vaughan, Philip the Good. The Apogee of Burgundy, Londen 1970, 216.
J. O’Malley, The First Jesuits, 8-9. Zie ook 337.
Ibidem, 328.
H. Höpfl, Jesuit Political Thought. The Society of Jesus and the State, c. 1540-1630, Cambridge 2004.
Met de focus op de indulten zijn we bij de orde van de Jezuïeten aan het verkeerde adres. In tegenstelling tot de traditionele kerk, die het ambt verbond met het beneficie, zou deze orde het over een andere boeg gooien. Op termijn zou hun spirituele vernieuwing een uitstekend alternatief blijken te zijn. Ook de lutheranen verzetten zich al vroeg tegen elke vorm van kerkelijke beneficies.1Bovendien groeide in Europa de tegenstand tegen de commercialisering en de juridisering van het beneficiewezen en de klemtoon op de titels. De romeinsrechtelijke titel was zeer verschillend van de canoniekrechtelijke titel. Toch kwam de kerkelijke functie in procedures als een bezitstitel voor de wereldlijke rechtbank.
Net zoals in de vorige afdelingen van dit hoofdstuk bepalen we de uitgangspunten van de nieuwe orde der Jezuïeten tegenover de verschillende verschijningsvormen van de beloning omwille van het geestelijk ambt. Tienden en beneficies hadden ongetwijfeld recht van bestaan, maar in essentie stond voor de Jezuïeten de leer van de H. Paulus centraal. Paulus sprak over het ‘ministerium’,2 de dienst aan de mensen, die als pelgrims op weg waren naar het beloofde land en die zich zorgen maakten om het heil der zielen. Minister betekende ‘driemaal minder’. Wat je aan de minsten gedaan hebt … De dienaar der dienaren moest het voorbeeld geven. De hel wachtte op hen, die de waardigheden opstapelden en die zichzelf verrijkten met bisdommen en kardinalaten.3
Ignatius van Loyola en zijn volgelingen hebben in 1540 de ‘Sociëteit van Jezus’ gesticht. Paulus III bevestigde op 27 september 1540 de orde met zijn bul ‘Regimini militantis ecclesiae’.4 Welke oplossing bracht de nieuwe orde voor de aanstelling van de priesters? Vooreerst was ze wars van het patronaatsrecht. In tegenstelling tot de seculiere clerus aanvaardden de Jezuïeten geen loon voor de bediening in de parochies. Het beneficie of leefloon stond haaks op hun belofte van armoede.5 Er kwam nu een wereld, waarin het indult geen voet aan de grond kreeg. De zielzorg werd op een nieuwe leest geschoeid. Meer nog, ze vroegen Paulus III de toestemming om een orde op te richten, maar voor hen bestond er geen ‘ius conferendi beneficia ecclesiastica’. In die zin was er een parallel met de Moderne Devotie, waar Geert Groote de pastorale zorg in de parochies op een hoger niveau wilde tillen. Hervorming betekende niet de rechtstreekse correctie van kerkelijke proceduren en structuren. Hervorming moest passen in een nieuwe werkwijze, die op verschillende spirituele terreinen moest ontstaan. De hervorming kon niet efficiënt zijn, zolang men binnen de structuren van het beneficiewezen bleef werken. Verander het beneficiewezen niet; begin opnieuw. Vanuit de persoonlijke spirituele opbouw werd gewerkt aan een strijdbaar geloof. De volharding in deze bewuste keuze en de bereidheid om de strijd verder uit te werken maakte de volgelingen van Ignatius tot de echte atleten van de kerk en tot de echte ‘milites christiani’.6
De persoonlijke bekering en de spirituele opbouw van de persoonlijkheid zaten vervat in de ‘Geestelijke oefeningen’ en in de ‘consueta ministeria’. Hun manier van geestelijke opbouw (noster modus procedendi) moest in de grootst mogelijke vrijheid gebeuren. Het klimaat moest zuiver zijn en zij verwachtten in de maatschappij een hartelijk onthaal. Zij zagen zich als helpers in de wijngaard van de Heer, bereid om waar dan ook door de paus ingezet te worden.7 De hervorming van de Jezuïeten was mede gericht op de instructie van de diocesane clerus. In de bisdommen stond de promotie van de seminaries op het programma. Kandidaat-priesters moesten ondervraagd worden. De orde en de morele kracht van de bisschoppelijke instellingen moesten gesteund worden.8
Zoals de meeste hervormers ging ook de orde van de Jezuïeten terug naar de bron en naar de eerste christenen. In enkele decennia was het succes zo groot dat de Contrareformatie voor een belangrijk deel steunde op de inzet van deze orde. Niet de indulten, maar de interne kracht van het geloof zou de Kerk redden uit het verval van de vorige eeuwen. Ook de Staat zou er wel bij varen.9