Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/IV.5
IV.5 Jan Calvijn en het ‘ius patronatus’
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS389000:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
Voor Luther was het twintig jaar vroeger veel moeilijker om kritiek te leveren op het beneficiewezen.
P. Bart en G. Niesel, Institutio christianae religionis 1559, München 1936, V, 73-90: Antiquam regiminis formam omnino pessundatam fuisse tyrannide Papatus.
Institutio, 74.
Institutio, 80, 2-3.
Voor de Nederlanden komt Jean Carondelet, aartsbisschop van Palermo, dicht in de buurt, zij het dat hij niet meer zo jong was. Wij gaan hier voorbij aan zijn andere beneficies, die hij mocht behouden, toen hij aartsbisschop werd in het consistorie van 19 december 1519 (cum retentione omnium beneficiorum suorum).
Institutio, 80, 4-7.
Institutio, 74, 22-25. Het ‘ius nominationis’ verkreeg Filips II op 12 mei 1559, maar de facto kon Karel V soortgelijke invloed uitoefenen.
Hier werd gedacht aan de universitaire opleidingen, waaraan bijzondere benoemingsprocedures werden toegekend. De voorbeelden van Leuven en Parijs kwamen al aan bod.
P. Caron, La renuncia all’ufficio ecclesiastico nella storia del diritto canonico dalla età apostolica alla riforma cattolica, Milano 1946, 321-354, waar de ontwikkelingen tussen 1449 en 1534 worden behandeld.
Een bijzondere vorm van resignatie ontstond ‘ex causa permutationis’, ibidem, 327 en 349-350.
Institutio, 79, 1-9.
Men moet in het geval van Karel V denken aan de grote invloed door zijn tussenkomst uitgeoefend op het beneficiewezen en vooral op de waardigheden of digniteiten.
Institutio, 82, 26.
1. Cor. 4.1.
Institutio, 80, 21-23; 81, 22-32 en 82, 10-16.
We wezen er al op dat in het Decretum van Gratianus (bij Calvijn ook wel de oude canones genoemd) strenger werd omgesprongen met het begrip simonie en daar was alleen ketterij als misbruik vergelijkbaar met simonie. Zie ook: G. Redoano, Tractatus de simonia, Venetiis 1565.
Institutio, 79, 11-17.
Institutio, 84, 3-6.
Institutio, 85, 7-11.
Institutio, 86, 31- 87, 2. Zie ook: C.12 q.2 c.27 Quatuor autem (de bisschop, de clerus, de armen en de kerkfabriek) en C.12 q.2 c.30 Mos est. Zie ook: H. Jedin, Bona ecclesiae – bona pauperum. Zur Vierteilung des Kircheneinkommens vor und auf dem Tridentinum, in: E. Gatz, hg., Römische Kurie. Kirchliche Finanzen. Vatikanisches Archiv.Studien zu Ehren von Hermann Hoberg, Roma 1979, II, 405-413.
Institutio, 85, 26-30.
Institutio, 89, 12-16.
Niet lang na het ‘Consilium de emendanda ecclesia’ schreef Calvijn zijn ‘Institutio’, waarin hij zonder schroom de kritiek kon overnemen, die de Kerk als instituut over zichzelf had uitgesproken.1 Ongetwijfeld kan men beweren dat Calvijn zelf of Beza prebenden heeft gehad, maar voor hen was het verleden het beste aanknopingspunt om een nieuwe weg te gaan. Wellicht heeft men daarom de kritiek van Calvijn op het systeem van het ‘ius patronatus’ vaak over het hoofd gezien. Calvijn was niet meer geïnteresseerd in het ‘ius patronatus’ als een toekomstgerichte instelling. Zijn kritiek kwam dan ook grotendeels overeen met de gegevens uit het rapport van de commissie van kardinalen. In die zin sloot Calvijn aan bij de algemeen geldende opposi- tie in Europa tegen de commercialisering en de juridisering van het beneficiewezen en de klemtoon op de titels.
Net zoals Luther wilde Calvijn het liefst terug naar de oude kerk, zoals ze was in de tijd van Christus en van de eerste christenen. Hij maakte dan ook een vergelijking van de primitieve kerk met de kerk van zijn tijd. In de primitieve kerk bestond de uitdrukking ‘ius patronatus’ nog niet. In de hoge Middeleeuwen werd het beneficiewezen ingevuld door de pausen. Zij waren de tirannen, die de oorspronkelijke wijze van kerkbestuur en van de toen bestaande structuren vernietigden.2
Er was iets fout met de keuze van de bedienaars. Het primaat van de paus was afgeleid van de positie van Petrus, de eerste paus. Een bijzondere plaats kwam de bisschoppen toe, want zij waren de opvolgers van de apostelen. In vergelijking met vroegere tijden was de invloed van het Godsvolk nu onbestaande. Ook de ‘veteres canones’ van het Decretum werden niet meer onderhouden. Kinderen van nauwelijks tien jaar kregen van de paus de kans om bisschop te worden.3 Calvijn noemde het voorbeeld van één man, die aan het hoofd werd gesteld van vijf of zes bisdommen. Calvijn gaf niet de naam van de bisschop, maar hij vond wel dat die man zichzelf niet wist te beheersen. Het zou niet moeilijk zijn om een soortgelijke bisschop op te sporen. Sterker nog, we gaven hiervoor al het voorbeeld van Jean de Lorraine.4
Nu, zo ging Calvijn verder, kan je in de hoven van vorsten jonge mannen ontmoeten, die driemaal abt zijn, tweemaal bisschop en eenmaal aartsbisschop.5 Her en der kom je kanunniken tegen, die vijf, zes en zeven priesterschappen hebben, maar ze dragen helemaal geen verantwoordelijkheid in de zielzorg, tenzij om de centen op te nemen.6 Vanuit het Hof werden bisschoppen naar de kerken gestuurd, terwijl het toch een kenmerk van vrome vorsten moest zijn om zich van soortgelijke misbruiken ver te houden. Anderzijds vroegen vorsten ook aan de pausen om zelf de bisschoppen te benoemen. De wanorde in de kerk maakte dat de vorsten het ‘ius praesentationis’ voor bisschoppen zelf in handen namen.7
Vroeger, vanaf de twaalfde eeuw, waren het priesterschap en de verlening van beneficies eng met elkaar verbonden, maar in de tijd van Calvijn waren ze volledig gescheiden. Bisschoppen hadden de titel van collator, zij het veeleer om de eer. Naast het collatierecht waren er ook de benoemingen vanuit de scholen,8 de resignaties in gewone zin9 ofwel omwille van ruil (permutatio) van het beneficie10 en om andere vormen van verlening van beneficies.11 De waardigheden in de kapittels hadden bijna niets meer van doen met het bestuur van de kerk.12 Nog minder goed was het gesteld met kapellen en vicarieën. Kanunniken, proosten en dekens schonden de heilige instelling van het priesterschap van Christus door te veel nadruk te leggen op muziek en ceremonies en te weinig op predikatie, onderhoud van tucht en bediening van sacramenten.13
Het priesterambt zelf stond onder druk, want de voorbereiding was een lachertje. Het soort onderzoek naar de kennis van de leer was een lege huls, zwak en geestdodend. De driedubbele vraag aan de priesterkandidaten bij de priesterwijding of zij de eer waardig waren bleek een formaliteit te zijn. Door de zoektocht naar titels van beneficies vergat de priester, waarom hij er was: om de kerk te wijden en het geestelijk rijk van Christus te besturen.14 Onder de priesters moest men nu onderscheid maken tussen monniken en seculiere priesters. De monniken namen de priesterlijke taken niet echt op zich en zagen af van het echte werk. Aan de andere kant waren de seculiere priesters verdeeld in een groep, die over een beneficium beschikte, en een groep huurlingen, die als hongerige honden elke dag om den brode de boer op moesten. Zij hadden niets anders dan de mishandel en het altaar, waarop ze Christus slachtofferden, iets wat niet een blijk van respect was voor God, maar voor de duivel.15
Met klem durf ik te beweren, zo stelde Calvijn, dat nu onder het regime van de pausen nauwelijks één op honderd beneficies verleend wordt zonder simonie, zoals men vroeger simonie verstond.16 Noem mij één op twintig beneficies, waar men niet in het minst aanbevelingen gebruikt om het priesterschap te bereiken. Men wordt niet priester om de kerk op te bouwen, maar om zichzelf te dienen.17 Beneficies zijn geschenken van vorsten, waarmee zij zich de gunst van hun soldaten verwerven of waarmee zij hun diensten belonen. Zelfs kappers, koks en muilezeldrijvers krijgen deze beloningen. Bij de oogst vindt men nog zelden een werkman. Zij nemen wel de taak van een priester op zich, maar zij vervullen het werk van hun ambt niet. Omdat zij geen liefde hebben, willen ze liever heren zijn.18 Men ziet priesters meer voor de rechtbank procederen dan in de kerk preken. Titels van beneficies moesten de priesters helpen om in hun levensonderhoud te voorzien. Zelfs voor de groep van betere bisschoppen betekent het episcopaat niets anders dan een titel van aanzien en praal, maar hij voegde eraan toe: het is zeldzaam een voorbeeld van een goede bisschop te vinden.19
Een belangrijk punt van kritiek ten overstaan van de clerus betrof de manier, waarop in woord en daad de diaconie of de verdeling van de aalmoezen werd opgevat. Voor de eerste christenen was alles gemeenschappelijk. In het Decretum was er een strikte verdeling van de goederen in vier delen naar proportie van de geestelijke en lichamelijke behoeften van de kerkgemeenschap,20 maar deze regel werd niet meer toegepast. Niet onbelangrijk in deze tijd van normvervaging en zedenverval was de kritiek van Calvijn op de ‘mores’. Vertwijfeld vroeg Calvijn zich af waar het licht van de wereld was en waar het zout der aarde. Indien de oude canons als maatstaf moesten dienen om de kwaliteit van de clerus na te gaan, dan zou één op honderd ófwel geëxcommuniceerd worden of minstens uit zijn ambt ontheven worden21
Interessant is het ten slotte dat Calvijn oog had voor de economische basis van de indulten, het ‘ius patronatus’ en de beneficies. ‘Wat moet ik anders zeggen dan wat ik al gezegd heb en wat voor iedereen zonneklaar is over de inkomsten die zij uit hun akkers en bezittingen innen? Wij zien dat het leeu- wenaandeel naar de bisschoppen en de abten gaat. Welke waanzin is het om hier een kerkelijke orde te zoeken?22
Hieruit volgt dat Calvijn de paus als ‘dominus beneficiorum’ verwierp. Zijn ‘Institutio’ bood daarom een programma aan, waarin het geld en de kerkelijke goederen ten dienste stonden van de geloofsgemeenschap: school, zorg en diaconie. De opleiding van de predikanten gebeurde weldra aan gereformeerde universiteiten.