Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.4.6
II.5.4.6 Last die niet tot een verkrijging leidt
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624624:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. TM Boek 4 BW, p. 343: ‘Een last kan opgelegd worden in het belang van de bezwaarde zelf, voor het zieleheil of de nagedachtenis van de overledene, voor het bereiken van een bepaald doel [….]. Wordt met een last een bepaald doel nagestreefd, dan kan de inhoud van de last zeer goed aan die van een legaat beantwoorden, het doel moet dan echter duidelijk op de voorgrond treden; zij aan wie ter bereiking van dit doel uitkeringen geschieden, zijn daardoor nog niet legatarissen; zij zullen ook een vordering tot nakoming missen (curs. NB).’
Welk bepaaldheidsvereiste geldt voor de last die een verplichting inhoudt om een handeling te verrichten of te dulden en die niet bestaat in het bewerkstelligen van een verkrijging?
Een voorbeeld van een dergelijke last is, naast de hiervoor genoemde voorbeelden om een monument voor erflater op te richten of om voor een huisdier te zorgen, de verplichting voor een erfgenaam of legataris om een bepaald geldbedrag op een bepaalde wijze te besteden. Hoe concreet moet erflater deze verplichting verwoorden? Kan erflater bijvoorbeeld volstaan met het geven van het doel waarvoor het geldbedrag moet worden besteed en kan een ander dan erflater dit doel of de inhoud van de verplichting vervolgens concretiseren? Bijvoorbeeld: ‘ik legateer aan X een geldbedrag van € 100.000, onder de verplichting dit bedrag te besteden aan een reis die door Y zal worden bepaald. Of ‘ik legateer aan X een geldbedrag van € 100.000, onder de verplichting om een deel daarvan, dat door Y zal worden bepaald, te besteden aan een reis naar Taiwan.’
Ik meen dat een dergelijke ruim geformuleerde verplichting, met ruimte voor subjectieve elementen, is toegestaan. In paragraaf 5.4.3 en 5.4.4 zagen we immers dat het bepaaldheidsvereiste voor de last nog soepeler kan worden opgevat dan het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor het legaat. En bij het legaat is er reeds ruimte voor een zekere bepaalbaarheid, die kan worden geconcretiseerd door het subjectieve oordeel van een ander. Omdat het legaat een vorderingsrecht inhoudt, dient evenwel, door het noemen van een afgebakende groep van individueel of in een bepaalde hoedanigheid aangewezen personen, bepaalbaar (identificeerbaar) te zijn aan wie het legaat toekomt. Dit is bij de last niet aan de orde. De last roept immers slechts een verplichting in het leven voor de gezamenlijke erfgenamen, een of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen of voor een executeur (art. 4:130 lid 1 en 2 BW). Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (paragraaf 5.4.3.4 en 5.4.3.5) kan deze verplichting zeer ruim worden geformuleerd. Ik ben dan ook van mening dat de materiële aard van de last zich er niet tegen verzet dat de erflater de last zó verwoordt dat hij enkel het doel van de last noemt.1 En het in zijn uiterste wil vervolgens (als onderdeel van de last/ de verplichting) aan een ander overlaat om dit doel naar eigen inzicht te concretiseren.