Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.7
II.5.7 Conclusie deel II
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623207:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De vervallenverklaring als bedoeld in art. 4:131 BW heeft overigens wel goederenrechtelijk effect (maar geen terugwerkende kracht, art. 3:38 lid 2 BW).
HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:983, NJ 2014/214.
Vgl. het testamentaire bewind en de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder (paragraaf 5.6.4.2 ‘Taken en bevoegdheden van de bewindvoerder’, met name onder D ‘Art. 4:171 BW’). Ondanks dat testamentair bewind primair een goederenrechtelijk karakter heeft, staat art. 4:171 BW het toe dat andermans subjectief oordeel de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder nader inkleurt.
Wolters 2013, par. 1.2.
Paragraaf 4.3.5.
In dit hoofdstuk ben ik op zoek gegaan naar de mate van bepaaldheid die geldt voor de erfstelling (paragraaf 5.2), het legaat (paragraaf 5.3), de testamentaire last (paragraaf 5.4), de executeursbenoeming (paragraaf 5.5), alsmede het testamentair bewind (paragraaf 5.6). Het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor iedere soort uiterste wilsbeschikking, geeft namelijk aan in hoeverre het mogelijk is om ten aanzien van de inhoud van de te onderscheiden soorten uiterste wilsbeschikkingen te delegeren. Een strikt bepaaldheidsvereiste dat geen ruimte biedt voor andermans subjectief oordeel, maakt, bijvoorbeeld, dat er ten aanzien van de inhoud niet kan worden gedelegeerd. Erflater zal de inhoud van de uiterste wilsbeschikking dan volledig zelf dienen te bepalen. In hoofdstuk 4 concludeerde ik reeds dat voor de vereiste mate van bepaaldheid gekeken dient te worden naar de afzonderlijke eisen die de wet stelt ten aanzien van de inhoud van de te onderscheiden soorten uiterste wilsbeschikkingen en daarmee dus naar hun materiële aard. In bovenstaande paragrafen zijn deze vereisten voor wat de bovengenoemde uiterste wilsbeschikkingen betreft, aan bod gekomen. Het ging dan met name om de vereisten die betrekking hebben op het onderwerp van de uiterste wilsbeschikkingen. In hoeverre dienen de erfgenamen (het subject) en de erfdelen (het object) door erflater te zijn bepaald, enz.? Aan de hand van het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor de te onderscheiden soorten uiterste wilsbeschikkingen, kan vervolgens worden vastgesteld in hoeverre er ruimte is voor wilsdelegatie. Hiervoor verwijs ik gemakshalve naar de tussenconclusies bij iedere afzonderlijke paragraaf. Globaal genomen, zonder de in bovenstaande paragrafen gemaakte nuances en betwistingen, kan evenwel het volgende worden geconcludeerd:
1. Erfstelling:
De erfstelling (art. 4:115 BW) kent een goederenrechtelijke aard. Dit brengt in principe met zich dat erflater het onderwerp van de erfstelling, te weten de erfgenamen en erfdelen, zelf zal moeten bepalen. Voor wilsdelegatie ten aanzien van het bepalen van de erfgenamen en erfdelen is dan ook geen plek. Voor het bepalen van de erfgenamen volgt dit ook expliciet uit de definitie van art. 4:115 BW, waarin de woorden ‘daarbij aangewezen’ het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid van de erfgenamen tot uitdrukking brengen. De erfgenamen kunnen slechts door erflater zelf worden aangewezen. Zij moeten op het moment dat de nalatenschap openvalt volledig kunnen worden bepaald aan de hand van de uiterste wil en de op het ogenblik van overlijden van de erflater bestaande omstandigheden. Zij kunnen zodoende niet ‘achteraf’ door omstandigheden die intreden na erflaters dood noch door de wil van een ander worden bepaald.
2. Legaat:
Het legaat (art. 4:117 BW) kent eenzelfde verbintenisrechtelijke aard als bijvoorbeeld de schenkings- of koopovereenkomst. De aard van het legaat is immers het toekennen van een vorderingsrecht aan een of meer personen. Voor de mate van bepaaldheid van het legaat kan dan ook worden aangeknoopt bij het verbintenisrechtelijke bepaaldheidsvereiste als bedoeld in art. 6:227 BW. Dat wil zeggen: bepaalbaarheid met ruimte voor subjectieve elementen, zoals het oordeel van een derde, voldoet. Het is bijgevolg dan ook mogelijk om, binnen kaders die bepaalbaar zijn, ten aanzien van de inhoud van het legaat te delegeren.
3. Last:
De last (art. 4:130 BW) kent in essentie noch een goederenrechtelijke,1 noch een verbintenisrechtelijke aard. Hij roept slechts een verplichting in het leven, waarvan geen nakoming kan worden gevorderd. Dit brengt mee dat voor de last een heel soepel bepaaldheidsvereiste geldt, dat (net zoals het legaat) ruimte biedt voor subjectieve elementen van anderen en daarmee voor wilsdelegatie. De vereiste mate van bepaaldheid ten aanzien van de last is, gelet op zijn materiële aard die slechts een verplichting inhoudt waarvan geen nakoming kan worden gevorderd, evenwel nóg soepeler dan voor het legaat. Enkel het noemen van het doel van de verplichting kan volstaan. Met dit zeer soepele bepaaldheidsvereiste kan wilsdelegatie ten aanzien van de inhoud van de verplichting (de last) dan ook worden verwezenlijkt.
4. Executeursbenoeming:
De executeursbenoeming (art. 4:142 lid 1 BW) kent een tweeledige aard:
a) De benoeming van de persoon die als executeur optreedt heeft een louter verbintenisrechtelijk karakter. Art. 4:142 lid 1 BW biedt dan ook expliciet de mogelijkheid om aan een executeur of kantonrechter de bevoegdheid te verlenen om (naar diens subjectief oordeel) een executeur aan zich toe te voegen, in zijn plaats te stellen of als vervanger te benoemen. Art. 4:142 lid 1 BW geeft deze mogelijkheid evenwel niet ten aanzien van andere personen, dan een executeur of de kantonrechter. Noch spreekt art. 4:142 lid 1 BW uitdrukkelijk over de mogelijkheid van een alternatieve keuze door een derde uit meerdere door erflater genoemde personen. Op grond van de verbintenisrechtelijke aard van de executeursbenoeming zou dit wel mogelijk moeten zijn. Het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen verhindert hier zodoende dat erflater de executeursbenoeming in zijn uiterste wil delegeert aan een derde, die niet executeur of kantonrechter is.
b) Aan de taken en bevoegdheden van de executeur, in het bijzonder aan het beheren van de goederen van de nalatenschap (art. 4:144 en 4:145 BW), kunnen goederenrechtelijke aspecten kleven. De wetgever heeft de taken en bevoegdheden van de executeur in principe in de wet objectief bepaald. Dit past mijns inziens ook bij het goederen-rechtelijke bepaaldheidsvereiste (vgl. paragraaf 4.4.). Voor andermans subjectieve oordeel ofwel voor wilsdelegatie is dan ook geen plaats. Toch kan de erflater met behulp van een executeursbenoeming wilsdelegatie verwezenlijken. Aan een executeur kunnen namelijk lasten worden opgelegd (art. 4:130 lid 2 BW) en een executeur heeft onder andere tot taak een aan hem opgelegde last uit te voeren (art. 4:144 lid 1 BW). Welnu, voor de last een zeer soepel bepaaldheidsvereiste geldt, waarbij ruimte is voor andermans subjectief oordeel, kan de erflater bewerkstelligen dat een executeur of derde toch een subjectieve invulling kan geven aan een bepaalde aan de executeur opgedragen taak/verplichting.
5. Testamentair bewind:
Het testamentaire bewind (art. 4:153 e.v. BW) kent primair een goederenrechtelijke aard.
Het is immers een verband op goederen. Voor het bepalen van de goederen waarop het testamentair bewind rust, geldt dan ook een strikt bepaaldheidsvereiste. Erflater zal in zijn uiterste wil dienen te bepalen welke goederen onder het bewind worden gesteld, zodat de rechtsgevolgen van het bewind kunnen worden vastgesteld. Hij kan hierbij niet de hulp van andermans subjectief oordeel inschakelen.
In het gegeven dat het testamentaire bewind een verband op goederen is, schemert door dat de persoon van de bewindvoerder van secundair belang is. De persoon van de bewindvoerder hoeft niet door erflater in zijn uiterste wil te zijn bepaald. Erflater kan in zijn uiterste wil dan ook de bevoegdheid aan een derde verlenen om de bewindvoerder te benoemen. Dit wordt door de wetgever uitdrukkelijk bevestigd in art. 4:157 lid 1 BW. Ten aanzien van de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder biedt art. 4:171 BW erflater voorts een grote mate van vrijheid om van de wettelijke, en daarmee objectief ingekleurde, regeling af te wijken. De goederenrechtelijke aard van het testamentaire bewind verhindert, door het bepaalde in art. 4:171 BW, namelijk niet dat erflater bij uiterste wil de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder nader regelt. Erflater kan de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder beperkter of ruimer vaststellen dan uit art. 4:153-4:170 BW voortvloeit. Dit brengt mee dat erflater ten aanzien van de artikelen die betrekking hebben op de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder, en binnen de kaders van afdeling 4.5.7 BW, het subjectieve oordeel van een ander dan erflater (zoals het oordeel van de bewindvoerder, maar mijns inziens ook het oordeel van een derde), een rol kan laten spelen. Erflater kan bijvoorbeeld bepalen dat de bewindvoerder bevoegd is om te bepalen in hoeverre de vruchten van het onder bewind gestelde vermogen aan de rechthebbende worden uitgekeerd.2 Er kan dus, door het bepaalde in art. 4:171 BW, sprake zijn van wilsdelegatie ten aanzien van de inhoud van de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder.
Indien de materiële aard van een uiterste wilsbeschikking het toelaat dat erflater delegeert ten aanzien van haar inhoud, dient bij de invulling van deze inhoud door de gedelegeerde telkens te worden gehandeld met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid. Dit ter voorkoming van willekeur (vgl. paragraaf 4.3.5). Is de gedelegeerde een functionaris, dan ligt in de aan hem opgedragen taak overigens sowieso reeds een handelen met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid besloten.
Het tweede deel van dit onderzoek stond in het teken van de vraag in hoeverre het is toegestaan om te delegeren ten aanzien van de inhoud van een uiterste wilsbeschikking. In de slotalinea van deel I betoogde ik reeds dat de eerste grenzen van delegatie ten aanzien van de inhoud van een uiterste wilsbeschikking, daar liggen waar ook de grenzen van de testeervrijheid (zowel in formele als materiële zin; zie hoofdstuk 1) liggen. Delegeren, voorzover toegestaan, geschiedt immers door te testeren. Zo zal de wilsdelegatie passend moeten zijn binnen het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen (testeervrijheid in formele zin) en bijvoorbeeld niet in strijd mogen komen met de goede zeden of openbare orde (testeervrijheid in materiële zin).
In hoofdstuk 4 kwam voorts naar voren dat het criterium om te kunnen beoordelen óf en in hoeverre wilsdelegatie ten aanzien van de inhoud van uiterste wilsbeschikkingen is toegestaan, het bepaaldheidsvereiste is. Het bepaaldheidsvereiste verlangt van iedere rechtshandeling, dus ook van iedere uiterste wilsbeschikking, een bepaalde inhoud. De opvatting van het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor een bepaalde soort uiterste wilsbeschikking geeft aan in hoeverre erflater de inhoud van deze soort uiterste wilsbeschikking volledig zelf moet bepalen en bijgevolg óf en in hoeverre er ruimte is voor andermans subjectief oordeel. De sleutel van het vraagstuk naar de toelaatbaarheid van wilsdelegatie ten aanzien van de inhoud van een uiterste wilsbeschikking is dus gelegen in de opvatting van het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor iedere te onderscheiden soort uiterste wilsbeschikking. Welke opvatting van het bepaaldheidsvereiste dit is, kan worden opgespoord door bestudering van de vereisten die gelden ten aanzien van de inhoud van de te onderscheiden soorten uiterste wilsbeschikkingen. Ofwel, meer algemeen verwoord: door bestudering van hun materiële aard. Ik verwijs hiervoor naar hoofdstuk 5, waarin ik concreet bekeken heb welk bepaaldheidsvereiste er geldt ten aanzien van de erfstelling, het legaat, de testamentaire last, de executeursbenoeming en het testamentaire bewind. En ik bijgevolg de vraag heb beantwoord, in hoeverre er ten aanzien van bepaalde onderdelen van de inhoud van deze uiterste wilsbeschikkingen (zoals: de erfgenamen, de erfdelen, de benoeming van de executeur, de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder etc.) kan worden gedelegeerd. Een belangrijke conclusie van het tweede deel van dit onderzoek is dat een goederenrechtelijke aard tot een striktere opvatting van het bepaaldheidsvereiste leidt dan een verbintenisrechtelijke aard. Betreft de delegatiebevoegdheid derhalve goederenrechtelijke verhoudingen, zoals het benoemen van de erfgenamen, dan kan dit erop duiden dat erflater de inhoud van de bepaling volledig zelf moet bepalen. Er is dan in beginsel geen ruimte voor wilsdelegatie ten aanzien van haar inhoud. Dit is slechts anders indien de wet het verlenen van de delegatiebevoegdheid uitdrukkelijk toelaat.3 Betreft de delegatiebevoegdheid daarentegen verbintenisrechtelijke verhoudingen, zoals de bevoegdheid om de legataris(sen) aan te wijzen, dan zou het in beginsel voldoende moeten zijn dat de inhoud van de uiterste wilsbeschikking waarop de delegatie betrekking heeft, bepaalbaar is in de zin van art. 6:227 BW. Bepaalbaar wil dan zeggen dat de inhoud aan de hand van in de uiterste wil gegeven criteria nader kan worden ingekleurd door het subjectieve oordeel van een derde. Hierbij dient evenwel rekening te worden gehouden dat het verlenen van de delegatiebevoegdheid niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, noch met de goede zeden of openbare orde en voorts past binnen het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen. Het is bijvoorbeeld op grond van art. 4:142 lid 1 BW niet mogelijk om de executeur uit meerdere door erflater genoemde personen te laten benoemen door een derde (alternatieve keuze). Terwijl het benoemen van een executeur wel een louter verbintenisrechtelijk karakter kent. Het gesloten stelsel verhindert hier een dergelijke delegatie.
Hierna volgt een schema waarmee de toelaatbaarheid van wilsdelegatie kan worden getoetst.
* De redelijkheid en billijkheid heeft evenwel betrekking op alle vermogensrechtelijke verhoudingen en kan, voorzover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet, ook buiten het vermogensrecht een rol spelen.4 Ten aanzien van subjectieve elementen van anderen speelt de redelijkheid en billijkheid een objectiverende en daarmee corrigerende rol, zodat willekeur wordt voorkomen.5