Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen in Nederland, Noorwegen en Zweden
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/V.26.1.1:26.1.1 Nederland
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/V.26.1.1
26.1.1 Nederland
Documentgegevens:
L.A. Kjellevold Hoegee, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
L.A. Kjellevold Hoegee
- JCDI
JCDI:ADS577223:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Nederland is de toegang tot de bestuursrechter gekoppeld aan het besluitbegrip (art. 8:1 lid 1 Awb). Het besluit is wettelijk gedefinieerd in artikel 1:3 lid 1 Awb. Het oordelen over rechtsvorderingen – anders dan een ‘verzoek’ tot vernietiging van een (appellabel) besluit – is in het Nederlandse stelsel in beginsel aan de burgerlijke rechter overgelaten. Dit uitgangspunt geldt echter niet onverkort. Ten eerste zijn sommige handelingen door de wetgever gelijkgesteld met een besluit. Te denken valt aan het niet tijdig beslissen (art. 6:2 lid 1 onder b Awb) en handelingen in het kader van het ambtenarenrecht (art. 8:1 lid 2 Awb).
Daarnaast is de bestuursrechter onder bepaalde voorwaarden bevoegd schadevergoeding toe te kennen (8:73 lid 1 Awb). Bovendien heeft de zogenoemde ‘strategisch-besluit’-jurisprudentie de inhoud van het besluitbegrip opgerekt, zodat de inhoud daarvan niet meer (geheel) overeenkomt met de wettelijke definitie. Op grond van deze jurisprudentie zijn onder meer (zelfstandige) beslissingen omtrent schadevergoeding, nadeelcompensatie en terugvordering van geldschulden als besluiten erkend.
De keuze om de bevoegdheid van de bestuursrechter aan het besluitbegrip te koppelen, brengt met zich dat een aantal geschillen dat zijn grond vindt in de toepassing van het publiekrecht niet tot de bevoegdheid van de bestuursrechter behoort. In het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming tegen de overheid vervult de burgerlijke rechter de rol van restrechter. De bevoegdheid van de burgerlijke rechter steunt op de ‘objectum litis’-leer. Dat wil zeggen dat de burgerlijke rechter zich bevoegd acht zodra de eisende partij stelt in een burgerlijk recht te zijn getroffen. Bij de toetsing van bestuursbesluiten hanteert de burgerlijke rechter de leer van de formele rechtskracht. Dat wil zeggen dat hij niet in de rechtmatigheid van een besluit treedt waartegen geen rechtsmiddelen bij de bevoegde bestuursrechter zijn aangewend of dat na beroep in rechte onaantastbaar is geworden. Dit betekent dat de burgerlijke rechter – uitzonderingen daargelaten – uitgaat van de rechtmatigheid van een onaangevochten of door de bestuursrechter in stand gelaten besluit. Daarnaast is het zo dat als de bevoegde bestuursrechter een besluit heeft vernietigd hiermee voor de burgerlijke rechter in de regel ook de onrechtmatigheid in civielrechtelijke zin is gegeven.