Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen in Nederland, Noorwegen en Zweden
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/V.26.1.3:26.1.3 Zweden
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/V.26.1.3
26.1.3 Zweden
Documentgegevens:
L.A. Kjellevold Hoegee, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
L.A. Kjellevold Hoegee
- JCDI
JCDI:ADS579609:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo kunnen op grond van § 22a FL normbesluten (algemeen verbindende voorschriften) niet bij de bestuursrechter worden aangevochten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook in Zweden is de bevoegdheid van de bestuursrechter gekoppeld aan het besluitbegrip (‘beslut’). Het besluitbegrip is in het Zweedse bestuursrecht geen helder en eenduidig criterium. Het begrip is niet in de wet gedefinieerd en kent in de verschillende rechtsbeschermingprocedures een (deels) verschillende inhoud:
Bij de beroepsvorm förvältingbesvär heeft de Zweedse bestuursrechter in beginsel een vergelijkbare competentie als de Nederlandse bestuursrechter. Dat wil in het kort zeggen dat beroep open staat tegen zowel besluiten gericht tot een gesloten groep van rechtspersonen (vgl. beschikking) als besluiten van algemene strekking, voor zover het besluit niet in de (bijzondere) wet van beroep is uitgesloten.1 Een belangrijk verschil met de Nederlandse definitie van het besluitbegrip is echter dat niet alleen beslissingen gericht op rechtsgevolg, maar ook beslissingen die voor iemand grote persoonlijke of financiële gevolgen kunnen hebben, vatbaar kunnen zijn voor beroep. Een ander belangrijk verschil met Nederland is voorts dat er geen algemeen recht bestaat om op te komen tegen niet tijdig beslissen.
Laglighetsprövning kent een zeer ruim besluitbegrip. De inhoud en de (rechts)gevolgen van de beslissing spelen hierbij in beginsel geen rol.
Bij rättsprövning is de competentie van de rechter beperkt tot besluiten van de regering die burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6 EVRM betreffen.
Net als in Nederland biedt in Zweden de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming tegen de overheid. De burgerlijke rechter is bevoegd kennis te nemen van geschillen (§ 10:1 RB). Dit is echter anders als de bestuursrechter ten aanzien van een bepaald geschil als exclusieve beroepsinstantie is aangewezen (§ 10:17 RB). Of de bestuursrechter als exclusieve beroepsinstantie is aangewezen, kan uit de wet volgen, maar de bevoegdheidsverdeling tussen de gewone rechter en de bestuursrechter is vooral in de rechtspraak nader afgebakend. Van belang is of het geschil ‘bestuursrechtelijk van aard’ is. Bij het toetsen aan dit vage begrip is onder meer van belang of de bestuursrechter in vergelijkbare geschillen (bijvoorbeeld ten aanzien van andere besluiten die krachtens dezelfde wet en/of door hetzelfde bestuursorgaan zijn genomen) bevoegd is kennis te nemen van het geschil.
De burgerlijke rechter wordt vooral indirect gevraagd om de toetsing van bestuursbesluiten. Hierbij is hij in beginsel bevoegd tot een zelfstandige toetsing van de rechtmatigheid van het besluit. Op dit uitgangspunt gelden enkele belangrijke uitzonderingen. Zo kan een schadeclaim wegens onrechtmatig handelen van de overheid nooit gebaseerd zijn op een besluit van het parlement, de regering, de Hoge Raad of het administratief hooggerechtshof, tenzij dit besluit is vernietigd of gewijzigd. Hetzelfde geldt voor een besluit van een bestuursorgaan, dat onderwerp is geweest van toetsing door de regering, de Hoge Raad of het administratief hooggerechtshof, zonder dat dit tot vernietiging of wijziging van het besluit heeft geleid. In deze gevallen gaat de burgerlijke rechter derhalve uit van de rechtmatigheid van het besluit.